Beeldende kunst: Pyke Koch, nog steeds omstreden

Rijzig als een marmeren pilaar

Pyke Koch was een virtuoos kunstenaar en een fascist. De twee zijn niet van elkaar te scheiden.

Small pyke koch zelfportret met zwarte band 1937
Pyke Koch, Zelfportret met zwarte band, 1937. Olieverf op tempera op paneel, 34,5 x 32,5 cm © CMU / Ernst Moritz

Het werk van Pyke Koch wordt in zijn overzichtstentoonstelling in het Centraal Museum Utrecht grondig in context geplaatst. Er is veel werk van tijdgenoten. Er is flink wat documentatie inzake de intellectuele en ideologische verwarring in het interbellum, het spengleriaans pessimisme van de jaren dertig, de ver uiteen waaierende opvattingen over de rol en toekomst van de kunsten, enzovoort. Daarin staan, wat Koch betreft, twee dingen als een paal boven water. Hij was een begenadigd schilder en hij was een hautaine fascist, twee aspecten die elkaar in een beklemmende greep houden.

Pyke Koch (eigenlijk Pieter, 1901-1991) was de zoon van een huisarts en groeide op in beschermde welstand. Hij ging in 1920 rechten studeren in Utrecht, werd lid van het corps en van een studentenorkest, maar vlak voor zijn laatste examens gaf hij het recht eraan en werd schilder. In 1928 debuteerde hij bij de Amsterdamse kunstenaarsvereniging ‘De Onafhankelijken’ met twee schilderijen, Dolores’ ontbijt en Vrouw met grammofoon, en hij baarde opzien, want zijn talent leek volkomen uit het niets te zijn verschenen. Dat was niet helemaal zo. Koch had in Utrecht technisch schilderonderricht gehad, hij had kunstenaarsvrienden, hij wist wat er internationaal in de beeldende kunst omging. Hij kende het harde realisme van Georg Grosz en Otto Dix, hij was op de hoogte van het Franse en Belgische surrealisme, en Charley Toorop was een persoonlijke kennis.

Koch viel op door zijn ‘oudmeesterlijke’ techniek, waarmee hij een zeer realistische weergave van stoffen, steen, huid et cetera bereiken kon. De voorstellingen waren sterk geënsceneerd, en hadden een merkwaardig onwerkelijk karakter, waarvoor eerder de term ‘magisch realisme’ was gemunt. Carel Willink, Raoul Hynckes, Dick Ket en Wim Schuhmacher schaarden zich onder die vlag. Voor Koch bestond zijn kunst in dubbelzinnigheid. De werkelijkheid wordt op een subtiele manier uit het lood getild. Zijn vrouwen hebben ET-achtige ogen, zijn figuren staan in toneellicht, als acteurs in Duitse expressionistische cinema, of prostituees onder een helle straatlantaarn. In zijn onderwerpskeuze was hij uit op voor die tijd ongewone situaties: zingende hoeren, scènes uit het circus en de kroeg, een urinoir, een kar met etalagepoppen.

Doordat in de tentoonstelling ettelijke van die schilderijen naast elkaar zijn te zien dringt zich op hoe deprimerend die blik is, hoe kleurloos en lelijk de tijd, hoe pessimistisch het wereldbeeld. In Willinks Prediker en zijn Pilaarheilige staan op de achtergrond de steden in brand; in Kochs straatbeelden domineren moreel verval, lelijkheid en een sarcastisch soort romantiek. De manier van schilderen was in zichzelf ook al een stellingname. Dit ‘realisme’ keerde zich tegen impressionisme, expressionisme, abstractie, kortom: alles wat de moderne wereld aan nieuwe stijlen en vormen had voortgebracht.

‘Ik ben een voorbeeld van patriottisme. Er was nooit een grootere N.S.Bër treiter dan ik’

Kochs productie was beperkt, maar hij leefde er goed van. Hij trouwde in 1934 met jonkvrouwe Hedwig ‘Heddy’ de Geer, dochter van de chu-politicus jonkheer Dirk Jan de Geer. Zij introduceerde hem op het familiekasteeltje in Jutphaas en Koch sloot daar aan bij het aristocratische milieu van haar vader, waarin hij zich zeer op zijn plaats voelde. In Utrecht gold Koch overigens als wellevend gezelschap. Hij was deel van een drukke vriendengroep waarin schrijvers, kunstenaars en publicisten als Cola Debrot, Jan Engelman, Martinus Nijhoff, Joris Ivens, Adriaan Roland Holst en Simon Vestdijk zich bewogen en die het toen nog provinciale Utrecht kleur gaf. In dat gezelschap bloeiden, zoals overal, de discussies over kunst, cultuur en politiek. Koch profileerde zich als antiparlementair en antidemocratisch. Hij was geen communist, geen socialist, hij was een fascist pur sang. Zijn vriend Marinus van der Goes van Naters zou later zeggen: ‘Pyke had toen alleen maar minachting voor het lagere volk.’

De tentoonstelling gaat dat niet uit de weg, noemt het een ‘donkere periode’, maar probeert het op een net iets te elegante manier ‘in zijn tijd te plaatsen’, door bijvoorbeeld te zeggen dat ‘iedereen’ in die jaren op zoek was naar ideologisch houvast. De zalen met naoorlogs werk hebben een opvallend lichte kleur, alsof de jaren dertig en veertig daarvóór maar een nare droom waren geweest. Dat waren ze niet. Koch was niet een van die dolende intellectuelen die met verkeerde vrienden in het verkeerde café min of meer per ongeluk lid van de nsb was geworden; hij was niet een verstrooide professor of een Wichman-achtige fantast; hij was niet een Ollie B. Bommel, die uit goeiige domheid de verkeerde keuzes maakte. Het was geen ‘romantisch individualisme’, het was geen studentikoze bevlieging: Koch koos vroeg en bij zijn volle verstand, in 1934 al, voor het Verdinaso, het Verbond Dietsch Nationaal Socialisten. Dat was uitgesproken elitair, antisemitisch en antidemocratisch. Het devies van het verbond was ‘Autoritaire Staat, Corporatieve Orde’. ‘Verjoodsching’ van de samenleving moest krachtig worden tegengegaan (Hitler was daarin veel te zachtzinnig); de landsregering diende in handen te zijn van aristocraten. Toen de bezetting eenmaal daar was werd het Verdinaso in de nsb opgenomen, en Koch ging mee. Hij werd lid van de Kultuurkamer – iets wat zijn vrienden Willink en Toorop weigerden – en schreef in het blaadje De Waag ‘dat de nationaal-socialistische gedachte voor Europa in de komende eeuwen de waarheid is, en het leven zal gaan toenemen in hevigheid en grootheid, dan zal de Kunst zeker op de eerste wezenlijke rillingen in de geestelijke atmosfeer reageeren’.

Small pyke koch vrouwenportret portret van h.m. koch de geer 1940
Pyke Koch, Vrou­wenportret (van H.M. Koch-de Geer), 1940. Olieverf op paneel 230,5 x 130,2 cm © CMU / Ernst Moritz

In het Centraal Museum staat de kijker met dat alles in het achterhoofd voor Kochs beroemde Zelfportret met zwarte band (1937). Een omstreden stuk, zeker: het werd door Utrechtse kunstliefhebbers gewaardeerd om zijn technische perfectie, en in 1938 aangekocht als geschenk voor het Museum. Een van die liefhebbers, Kochs beste kunstvriend, Jan Engelman, noemde het zonder omhaal een ‘fascistisch embleem’. Dat is het ook: het verbaast me dat niemand in de catalogus de gelijkenis ziet met de kop van Joris van Severen, de Vlaamse voorman van het Verdinaso. Over het (vernietigde) schilderij Marschgezang schreef Engelman dat ook dat een zelfportret was, en Kochs ‘bekentenis tot het nationaal-socialisme’.

In de catalogus schrijft Mieke Rijnders, een beetje zwakjes, dat Kochs politieke engagement ‘enige sporen’ heeft nagelaten in zijn werk; ‘met enige mentale souplesse’ zou ook Kochs portret van zijn vrouw Heddy de Geer uit 1940 als een politiek statement kunnen worden opgevat. Wel, daar is weinig souplesse voor nodig: veel politieker wordt het niet. Het portret is indrukwekkend, dat zeker. Mevrouw Koch staat rijzig als een marmeren pilaar in een donker landschap, een buste van albast in helderrode robe, omringd door een al even duistere rododendron. Ze is een beeld van moreel gezag en zuiver karakter in een sombere tijd; op haar mouwtje is het adellijk familiedevies ‘non sans cause’ te lezen. Koch stelde het werk in oktober 1940 tentoon in een verduisterde zaal, zonder lijst, niets anders dan dat ene beeld. Elke bezoeker wist waar dat over ging: kort tevoren was Heddy’s vader, minister-president Dirk Jan de Geer, door koningin Wilhelmina ontslagen wegens defaitisme. Hij was uit Londen teruggekeerd naar bezet Nederland en had zich onder de Nieuwe Orde geplaatst. Hij was een landverrader, doch Koch verklaarde De Geers keuze met deze tentoonstelling tot een politieke en morele heldendaad: hier toonde zich het hoogstaand karakter van de ware aristocratie, dochter en vader.

Het is waar dat Koch in 1941 kennelijk teleurgesteld raakte in het nationaal-socialistisch cultuurbeleid, en dat hij in april zijn lidmaatschap van de nsb opzegde. Zijn vrienden meldden later dat hij tot inkeer was gekomen. Ik vraag het me af. Het lijkt mij dat Koch niet vond dat de nationaal-socialisten in Nederland te ver gingen, maar dat ze niet ver genoeg gingen. Hij had een hekel aan hun kleinburgerlijke, ambtenaarlijke mentaliteit, hun gebrek aan cultureel besef; het raakte aan zijn zelfbeeld als aristocraat-kunstenaar. Hij had zich voorgesteld dat in ‘de toekomstige Nationaalsolidaristische Staat’ de kunstenaar weinig beperkingen zouden worden opgelegd: ‘Van den kunstenaar zal slechts geëischt moeten worden, dat hij zich niet op het terrein van de politiek begeeft of het gezag van den Leider ondermijnt.’ Bemoeienis met de inhoud, het verbieden van bepaalde onderwerpen, zou leiden tot ‘een ellendige, burgerlijke vervlakking.’

In april 1947 werd Koch verhoord door de Politieke Recherche. Hij ontkende lid te zijn geweest van het Verdinaso en de nsb. Hij zou alleen een abonnement gehad hebben op het blaadje Hier Dinaso en een keer een bijeenkomst hebben bezocht. Hij organiseerde valse getuigenissen. Hij schreef aan Engelman en vroeg hem de Recherche te vertellen ‘dat ik een voorbeeld van patriottisme, democratische gezindheid etc etc was, ben, en zijn zal (…) en dat er nooit een grootere N.S.Bër treiter was dan ik’. Men sprak hem voorlopig vrij. Engelman selecteerde Koch voor deelname aan de Biënnale van Venetië. Pas toen werd hij door een Ereraad – waarin zijn oude vriend Van der Goes van Naters zitting had – bestraft met een tentoonstellingsverbod van een jaar.

Koch zou nooit over zijn oorlogsjaren spreken. Hij gaf zelden een interview. Hij relativeerde, hij glimlachte, hij schilderde gestaag voort. Oude thema’s werden hernomen. De tentoonstelling toont uit zijn latere jaren een paar ijzersterke en zelfs zeer geestige, Westerik-achtige werken. Een rugby-scrum op een besneeuwd veld, fruitplukkers op ladders in een boomgaard, een dorpszwembad achter een schutting.

‘Zijn reputatie van groot en belangwekkend schilder was en is onbetwist’, schrijft de catalogus. Ik vind dat een kras standpunt. Toen Koch in de winter van 1955 een tentoonstelling kreeg in het Stedelijk Museum Amsterdam schreef Magda van Emde Boas, recensente van De Waarheid: ‘Koch schildert met ijskoude nauwkeurigheid en technische volmaaktheid een volkomen ontmenselijkte wereld. (…) Hard, koud, onaangedaan treedt hij ons tegemoet, zoals de fascistische ideologie ons in theorie en praktijk tegemoet is getreden.’ Er is op De Waarheid van 1955 veel aan te merken, maar deze beoordeling lijkt mij correct.


De wereld van Pyke Koch, Centraal Museum Utrecht, t/m 18 maart