Rijzige vrouwen

De ene verandering is makkelijker af te dwingen dan de andere. Maar wacht niet op de dag waarop het af is.

© Flickr cc / Roel Wijnants

Sommige mensen zijn beter in barbecueën dan anderen. Het punt is dat je het met aanmaakblokjes alleen niet redt, en je daarnaast ook andere, meer langdurig brandende objecten nodig hebt. Anders gaat het vuur weliswaar aan, maar kan je na enkele minuten weer opnieuw beginnen. Tot deze inzichten zijn mijn familie en ik vorige week gekomen, op een avond waarop weinig warm is gegeten en er uiteindelijk een rijkelijke hoeveelheid takken is gestolen uit de tuin van de buren.

Tijdens deze laatste actie bleef ik achter met mijn tante, met wie ik een tijdlang naar het dovende vuur heb gestaard. Rond het moment dat we ons beiden niet veel meer voelden dan een nieuw aanmaakblokje, liep er een vrouw langs in een lange jurk met golvend grijs haar. Mijn tante bekeek haar met grote ogen, en zuchtte: ‘Ik had altijd gedacht dat ik zo zou worden – een rijzige vrouw.’ Ik vroeg haar wat ze precies bedoelde met het woord rijzig, waarop ze antwoordde: ‘Lange tijd verwachtte ik op een gegeven moment af te zijn, eigenlijk zo rond mijn veertigste. Vanaf dat moment zou ik enkel nog op mijn balkon staan en uitkijken over het Vondelpark.’ ‘Als een rijzige gedaante?’ vroeg ik. ‘Ja’, zei ze, ‘met golvend grijs haar.’

Nu is mijn tante nooit veel langer geworden dan Wesley Sneijder, en is haar haar nog steeds pikzwart. Toch vroeg ik of het naar haar idee gelukt was – af raken. ‘Nee’, antwoordde ze glimlachend, ‘aan het blunderen en bluffen komt nooit echt een einde.’ Kort daarna begon haar struik te bewegen, iets wat door mij eerst werd opgevat als een teken Gods, dat duidelijk moest maken dat het menselijke gestuntel wel degelijk een eindpunt kent, maar na enkele seconden bleken het mijn nichtjes – trots en vol takken.

Tijdens het eten, of vooral tijdens het wachten daarop, begon ik me af te vragen of ik ooit in de veronderstelling had geleefd op een dag voltooid te zijn. Ik moest denken aan het vriendje dat ik had toen ik achttien was, dat me vertelde dat mensen na mijn leeftijd niet werkelijk meer veranderden. Hij was vijfentwintig, zo oud als ik inmiddels zelf ben, en hoewel ik me momenteel maar weinig met achttienjarige meisjes inlaat, zou ik ze deze wijsheid toch niet gauw meegeven.

Mijn ervaring is immers dat alles anders wordt, en alles ook eigenlijk anders blijft. Die ervaring wordt gesterkt door een aantal interne twijfels, die je zou kunnen samenvatten als het gevoel in het verkeerde lichaam te zitten. Preciezer gezegd zit ik in een uitstekend lichaam, gezegend met een beginnende sixpack en een huid die behoorlijk snel bruin wordt, maar zitten er wat kanten aan waarvan ik zo nu en dan twijfel of het de mijne zijn.

Om die reden bezocht ik een halfjaar geleden een praatgroep, voor mensen die kampen met het verschijnsel genderdysforie. De praatgroep vond plaats in een psychiatrische instelling, die zich op de vijfde verdieping bevond van een gebouw waar voor de rest alleen autoverhuurbedrijven zaten. Nu lijkt het huren van een auto op een vierde verdieping me ook een goede reden om suïcidegevoelens en andere mentale problemen bij iemand te vermoeden, maar toen ik op het knopje ‘vijf’ drukte, bleek ik toch vooral degene te zijn die vreemd werd aangekeken.

Ik werd daar na verloop van tijd nogal moe van, aangezien ik zowel bij mezelf als bij de rest van mijn praatgroep eigenlijk niets vreemds aantrof. Het enige wat ik er vond was een diepgewortelde onvrede met het heden, en de vrij simpele hoop op iets beters – op verandering, kortom. De ene verandering is echter makkelijker af te dwingen dan de andere, en dat is dan ook het enige zorgwekkende dat ik in dat kamertje op de vijfde verdieping waarnam: de verstrekkende gevolgen van een verandering die maar niet wil plaatsvinden. Dankzij de krankzinnig lange wachtlijsten van ziekenhuizen om te beginnen, maar meer kernachtig vanwege een hardnekkig taboe.

Dit oneindige wachten en gedwongen zwijgen maken een paar lichamelijke ingrepen tot iets verschrikkelijk hoogdrempeligs, wat mensen met genderdysforie er naar mijn idee toe verleidt enkel nog uit te zien naar de ingrepen zelf – en te vergeten dat er ook nog zoiets is als leven, zowel voor als na de operatie. Op die manier ga je voorbij aan de les die ook mijn tante heeft moeten leren, namelijk: dat verandering iets voortdurends is, en het toch vrij zonde blijkt om almaar te wachten op die ene, rijzige dag dat alles eindelijk af is.