Rini Dippel, 18 mei 1931 – 23 januari 2021

Rini Dippel was van 1966 tot 1993 een drijvende kracht in het Stedelijk Museum Amsterdam. Terwijl de ogen op de illustere directeuren waren gericht, werkte zij door.

In Een dik uur Ischa sprak Ischa Meijer in 1993 met Rini Dippel. Meijer: ‘U gaat weg, met de vut hè, why so, why so, waarom?’ Dippel, met deftige stem: ‘Ik vind dat ik geweldig hard gewerkt heb en zoveel heb moeten afzien van allerlei culturele uitingen…’ Meijer: ‘U heeft meer uw best moeten doen dan die directeuren hè, als ik het zo merk.’ Dippel: ‘Nou, ik denk dat iedereen zijn best doet.’ Meijer: ‘Nee nee, bij het Stedelijk Museum niet dacht ik juist.’

Rini Dippel werd in 1931 geboren in Eindhoven, de stad waar Edy de Wilde vanaf 1946 directeur was van het Van Abbemuseum. Dippel sloeg er geen tentoonstelling over en keek ‘met open mond’ naar de Picasso die De Wilde in 1954 aankocht voor een bedrag waar heel Eindhoven van ‘overhoop’ lag. Dippel ging kunstgeschiedenis studeren in Utrecht, studeerde af op beeldhouwer Adriaen de Vries (1556-1626) en kreeg een baan in het Haags Gemeentemuseum. Ze maakte kennis met Wim Beeren, conservator moderne kunst, en hoewel museumdirecteur Louis Wijsenbeek haar verzekerde dat ze als vrouw geen conservator kon worden, werd ze dat toch. Ze had een groot aandeel in de tentoonstelling Nieuwe Realisten (1964) en organiseerde met Beeren de Nul/Zero-tentoonstelling, een toen nog kakelverse beweging. Toen Beeren vertrok naar het Stedelijk Museum in Amsterdam volgde Dippel korte tijd later. Ze ging werken onder directeur De Wilde.

Het was 1966 en roemruchte jaren stonden voor de deur. Het was de tijd dat het museum ging voor de grote greep met eigenzinnige tentoonstellingen die de tijdgeest vatten. Op losse schroeven (1969) is exclusief toegeschreven aan Beeren, maar Dippel moet er nauw betrokken bij zijn geweest. Een foto toont Dippel en kunstenaar Emilio Prini tijdens de voorbereidingen op het Museumplein, met haar nette schoenen in het zand.

Leontine Coelewij, conservator hedendaagse kunst bij het Stedelijk, werkte kort met Dippel maar onderhield altijd contact. Ze was ronduit vooruitstrevend, vertelt ze, en bleef dat haar hele leven. ‘De Wilde hield van de grote Amerikaanse schilderkunst, hij kocht Willem de Kooning en Barnett Newman aan, maar er gebeurde meer revolutionairs in die jaren. De conservatoren gingen zich richten op de nieuwste kunst, Wim Beeren natuurlijk, maar Rini voorop.’ Ze engageerde zich met jonge kunstenaars als Gilbert & George, Jan Dibbets en Bas Jan Ader en bood hun ook ruimte in Museumjournaal, waarvan ze enige jaren hoofdredacteur was. Vanaf 1971 ontwikkelde ze de Conceptuele reeks waarover ze later zei: ‘De conceptuele kunst was een tendens die zich duidelijk aftekende. Aanvankelijk voelde De Wilde niet zo voor zo’n nadruk op de conceptuele kunst. Hij vond het weinig visueel, maar hij vond ook dat je het niet kon negeren. Daarom werd voor deze serie de liftzaal ter beschikking gesteld.’

‘Ik vond Rini zuiver en daarin ook wel ontroerend’

Als (hoofd)conservator van de afdeling Schilder- en Beeldhouwkunst en hoofd van de wetenschappelijke staf stond ze aan de basis van meer toonaangevende tentoonstellingen: Fundamentele schilderkunst (1975), Door beeldhouwers gemaakt… (1978) en Energieën (1990). Ze legde atelierbezoeken af, ging in New York samen met De Wilde bij Ellsworth Kelly op bezoek en met haar partner Kor Bedee bij Keith Haring. Onder directeurschap van Wim Beeren werd zij in 1986 tot adjunct-directeur benoemd.

In 1989 ontstond ophef over de aankoop van Ushering in Banality van Jeff Koons, beter bekend als ‘het varkentje van Koons’ of ‘het biggetje van Beeren’, waar het museum 250.000 gulden voor had betaald. Te veel, oordeelde men, voor een kitscherig varken dat bovendien was uitgebracht in oplage. Sonja Barend, vurig tegenstander van de aankoop, organiseerde een debat in haar talkshow. Ze nodigde kritisch kunstkenner Rob Malasch uit en Beeren vroeg ze om de aankoop te verdedigen, maar Dippel kwam in zijn plaats. Het werd een rumoerige uitzending met hoongelach uit het publiek en Dippel die, aldus de Provinciale Zeeuwse Courant, de ‘aftocht blies’ onder het uitroepen van ‘en toch is hij een goed kunstenaar’. Malasch bewaart er goede herinneringen aan. Malasch: ‘Ik was niet echt tégen de aankoop, maar ik vond het stom dat het Stedelijk niet meteen drie van die biggen had aangekocht om ze, geheel in de geest van Koons, voor het dubbele weer te verkopen. Dan was dat ene werk gratis geweest en hadden ze zelfs winst kunnen maken!’ Dippel speelde de rol van echte kunstliefhebber. Malasch: ‘Rini vertelde over conceptuele kunst, dat was natuurlijk een verloren zaak in zo’n populair programma. Zij was echt een serieuze conservator, zoals het hoort. Ik vond haar zuiver en daarin ook wel ontroerend.’

Coelewij noemt Dippel een drijvende kracht, Wim Beeren omschreef haar in de afscheidsrede bij haar pensioen, uitgegeven in een mooi boekje, une femme savante.

Het gesprek met Meijer was eigenlijk vervelend. Hij was bovenal geïnteresseerd in roddels en controverses rond Stedelijk-directeuren – wat dat betreft is er niets veranderd. Maar Dippel toonde zich superieur en vertelde door, over haar liefde voor kunst, over wat ze in het museum bereikt had. De laatste jaren had ze minder exposities kunnen maken dan gewild. ‘Ik was veel bij beleidszaken betrokken en Beeren was veel weg – elke directeur is veel weg, kunst kopen en ideeën opdoen – en ik zat daar als zijn plaatsvervanger.’ Het was zwaar werk maar ‘heel prettig’ geweest, een vorm van macht. Ze had het onmiddellijk weer gedaan.