Minzaam wilde Henry Kissinger het in zijn vuistdikke boek Diplomacy nog wel een keertje uitleggen: dat de wereld van de internationale betrekkingen te begrijpen valt als een partijtje Risk. Kissinger wordt vaak gezien als de verpersoonlijking van de Realpolitik, door hemzelf simpel omschreven als een vorm van buitenlandse politiek die puur gebaseerd is op schattingen van macht en het nationale belang. Realpolitik voorkomt oorlogen, stelt Kissinger. En hij heeft veel voorbeelden. Zijn bewondering gaat met name uit naar de manier waarop Bismarck Duitsland op de kaart van Europa zette. Maar ook ruimt Kissinger plaats in voor iemand die hij ziet als een van de zeer vroege en zeer behendige spelers van het realpolitieke spel: Willem van Oranje. De ambitieuze Napoleon echter had er juist niets van begrepen.

Sommige vaststellingen worden met zoveel overtuiging gebracht dat je denkt: dat moet wel waar zijn. Zoals de volgens Kissinger zo overschatte betekenis van de geheime diensten. Deze bepalen geen beleid, zoals vaak wordt gedacht, maar zijn geheel ingesteld op het bevestigen van de vooroordelen van hun bazen, de politieke machthebbers.
Het minst interessante deel van Diplomacy betreft dat waarover hij zelf het meest weet: de periode waarin hij, met name onder Nixon, de misschien wel beroemdste Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken was. In dit deel trekt Kissinger alle roem naar zich toe als het gaat over het tot stand brengen van de contacten met China en tracht hij zijn eigen stoepje schoon te vegen in het geval van de volstrekt nutteloze bombardementen op Cambodja.
Interessant (maar er is heel veel interessant aan dit meesterlijke boek) is dat Kissinger stelt dat Kennedy nooit van plan was geweest, ook niet vlak voor zijn dood, om de toen nog zeer overzichtelijke hoeveelheid Amerikaanse soldaten uit Vietnam terug te trekken. Er is veel onderzoek geweest naar op papier vastgelegde besluiten hierover en de draai die Johnson daaraan gaf, ook op papier vastgelegd, direct na diens aanstelling. Maar dat negeert Kissinger. Hij noemt de doortastende Johnson verderop juist extreem onzeker op het gebied van de buitenlandse politiek. Heel scherp is Kissinger als hij in een paar regels weet uit te leggen waarom de dominotheorie niet zozeer fout was alswel te weinig verfijnd. Dat is nu zo'n typisch staaltje van consequent realpolitiek denken.