Allemachtig, dat maak je in boekenland toch niet elke dag mee. Er is een manifest verschenen. Ik was al bang dat het een uitgestorven genre was, het MANIFEST. Want ik zie het woord in gedachten altijd in nijdige kapitalen, gestencild op grauw kringlooppapier, met spijkers op de deuren van de heersende macht geramd, met een verbeten en-nu-is-het-genoeg-gezicht.
Voor het onwaarschijnlijke geval dat u het miste: Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer schreven in Trouw hun ‘Manifest voor een riskante literatuur’. Riskant moet hier begrepen worden als: betrokken bij de maatschappelijke thema’s van deze tijd.
Ik stond er aanvankelijk wel even van te kijken, moet ik zeggen. We leven volgens deze heren in ‘bijzonder gevaarlijke tijden die bijzondere eisen stellen aan de kunst’. En: ‘Schrijvers zouden niet in hun werkkamer een stilleven van een appel en een peer moeten bedichten terwijl buiten het kanonnenvlees in de loopgraven lilt.’
Niet zozeer de stellingen verbaasden me, als wel hun afzenders. Met Pfeijffer heb ik regelmatig discussies gevoerd in het hoofdkwartier van wat berucht is geworden als de ‘Leidse literaire maffia’, Café Burgerzaken. Maatschappelijk engagement was bepaald geen topprioriteit, en het enige lillende vlees dat het bedichten waard was, lag in de Ikea-bedjes van de studentenhuizen. En publiekelijk heeft Pfeijffer toch altijd het ‘orakels balken in de taal van engelen’ bepleit?
Inmiddels hebben zwerflust en entropie de Leidse maffia wat verdund  Pfeijffer woont inmiddels in Genua, en ik in ’s-Gravenhage  maar dat zou toch niet voor de literaire beginselen ervan moeten gelden. Of kan een fietstocht naar Italië iemand plotsklaps veranderen in een wereldverbeteraar die roept: ‘Kunstenaars zijn ten volle verantwoordelijk voor de toestand in de wereld of zij nemen hun eigen kunst niet serieus.’
Pas na drie, vier keer lezen viel het kwartje. O, het is ironisch bedoeld! Dat is een hele geruststelling. Al heb je voor die ironie wel een loep nodig. ‘Wij willen literatuur die in geen andere tijd moet zijn geschreven, dan in de tijd waarin ze is geschreven.’ Moet zijn geschreven, niet ‘kan’. Ergo: wij willen gras dat geen andere kleur dan groen heeft. ‘Wij verachten platte pamflettistische literatuur.’ En wij doen dat in een pamflet. Een pamflet van een handjevol uiterst nonchalante en gratuite zinnetjes, waarvan het laatste luidt: ‘Nonchalance in de literatuur is een misdaad.’ Op deze manier ben ik natuurlijk een spelbreker, iemand die de clou van een mop gaat uitleggen, maar omdat het een nogal flauwe mop is, mag het. Bovendien heeft bijna niemand de grap begrepen, zoals blijkt uit de reacties op het manifest in het forum van weblog De Contrabas. (En als u wilt weten wie die commenters zijn: bezoek één poëzieavond in, zeg, het Amsterdamse Perdu, en je ziet ze alle tien, twintig gematerialiseerd om je heen.)
De ironie richt zich uiteraard tegen Thomas Vaessens’ roep om meer engagement, maar wat zich hier voordoet is wat Mulisch het ‘ironische van de ironie’ noemde: men vat het als serieus op.
Een satire maken op Vaessens kan natuurlijk grappig zijn. Zeker nu de arme man al maandenlang het pispaaltje van literair Nederland is, wordt de volgende grondwet van kracht: één keer een grap uithalen is leuk, tien keer dezelfde grap uithalen is flauw, honderd keer dezelfde grap uithalen is ontzettend leuk.
Maar satire is pas satirisch als ze 1) voor de lezer als satire te herkennen is en 2) impliciet een alternatief voor het bekritiseerde biedt. Het ‘Manifest voor een riskante literatuur’ doet dat niet, en illustreert zo de eigen, oxymoronachtige stelling: ‘Wij hekelen irrelevantie als einddoel.’ Het ironische van die ironie wil dat we dit pamflet dus dienen te beschouwen als een pleidooi voor irrelevantie, risicoloosheid en wereldvreemdheid. Dat wil er bij mij niet in. En bij henzelf ook niet, mag ik hopen.
De voornaamste winst van de Vaessens-discussie is, zoals ik op deze plaats al eerder schreef, dat die ons uitdaagt om opnieuw te vertellen wat literatuur ook al weer is. Blijkbaar is dat nodig. Pfeijffer en Harmens zijn beiden bloemlezers en daarmee pleitbezorgers en ambassadeurs van de literatuur.
De discussie zoals die nu in allerlei vormen uitwaaiert, is een prachtige kans om in die rol op de voorgrond te treden. Ze hadden kunnen vertellen waaruit het werkelijke engagement van literatuur bestaat, om welke specifieke vorm van betrokkenheid het in poëzie en proza nu eigenlijk gaat, en welke volstrekt unieke ingangen die kunstvormen hebben tot de thema’s die de wereld bezighouden en die uiteraard in elke tijd ‘bijzonder’ of vooruit, ‘gevaarlijk’ zijn geweest. Ze hadden kunnen waarschuwen voor de gevaren die de kunsten bedreigen die zij vertegenwoordigen. Ze hadden het ongenoegen van dichters en schrijvers over de commerciële praktijk een stem kunnen geven. Ze hadden dat in briljante ironische bewoordingen kunnen doen. Ze hadden een MANIFEST voor een riskante literatuur kunnen schrijven, dat weet ik zeker.