Risky business

Robbert Welagen
Lipari
Nijgh & Van Ditmar, 92 blz., € 14,90

Ieder mens is in te delen in een bepaalde categorie – rijk, arm, moslim, jood, vegetariër, carnivoor et cetera – en de mensen die in geen enkele categorie passen vormen weer een categorie op zich. De hoofdpersoon uit de novelle Lipari, het debuut van Robbert Welagen (1981) dat een plaatsje heeft verworven op de longlist voor de Libris Literatuurprijs, hoort tot die laatste, ongedefinieerde categorie. Hij noemt zichzelf ‘een toevallige voorbijganger’. Hij hoort nergens bij, voelt zich nergens thuis.

Tijdens zijn zoveelste vakantie naar een eiland in de Middellandse Zee leert hij het echtpaar Gerard en Chaphine kennen. Gerard is een goedgemutste vijftiger, Chaphine een zwijgzame, beeldschone vrouw, twintig jaar jonger dan Gerard. Net als de ik-persoon lijken ze nergens bij te horen, behalve bij elkaar. Geconfronteerd met hun onwaarschijnlijke samengaan probeert de ik-figuur te ontdekken waarom die twee bij elkaar horen, en waarom hij eigenlijk bij niemand hoort.

Het eiland waar ze elkaar treffen benadrukt de eenzaamheid van de verteller. Lipari heeft een ongenuanceerde blauwe hemel. De witte badhanddoeken van de hotelgasten contrasteren met hun door de zon gebruinde huid. Obers serveren koele limoncello. Welagens Lipari is een idylle, Lipari is een vakantiebrochure.

Maar wie is er wel eens op vakantie geweest en heeft zon, zee, strand precies zo aangetroffen als op de met grootlens geschoten plaatjes in de reclamefolder? Welagen geeft zijn personages een knap geconstrueerd ééndimensionaal decor. En dit lijken ze te beseffen; bijna elke alinea telt een beschrijving die de idylle van het eiland weergeeft, maar geen van de personages beleeft er een plezierig vakantiegevoel aan.

‘Lipari is nog steeds een gevangenis’, zegt Chaphine tijdens een diner compleet out of the blue. ‘Alleen zijn de tralies onzichtbaar geworden.’ Deze opmerking is een uitschieter, een van de weinige momenten dat een personage laat zien dat er meer is dan wat er aan de oppervlakte ligt. Welagen vertelt gedoseerd, in korte zinnen, hij laat nooit het achterste van zijn tong zien. Hij probeert de kracht van suggestie zijn werk te laten doen. Herinneringen worden opgehaald, maar deze lijken willekeurig, de waarde die de verteller aan ze hecht blijft ongeformuleerd. Deze summiere vertelstijl, ooit geperfectioneerd door bijvoorbeeld Hemingway, is risky business. Het vergt een perfecte balans tussen nét genoeg weglaten en nét genoeg vertellen.

Welagen laat de balans doorslaan naar nét te weinig. Een schrijver kan niet alleen aan de oppervlakte blijven dobberen, hij moet ook een keer zijn hoofd onder water steken om de lezer te laten zien hoe diep de zee is. Welagen gunt zijn lezers dit inkijkje niet. Hij geeft zo weinig weg dat je je simpelweg nooit echt gaat interesseren voor zijn personages. Waarom vindt Chaphine Lipari een gevangenis? Waarom leeft Gerard van hotel naar hotel? Waarom lijkt de ik-persoon zo op de vlucht voor zijn ouders? Waarom? Wáárom? Je weet het niet en dat maakt je ook niet zo veel uit.