Ger Groot

Rite de passage

Onwillekeurig was ik ervan uitgegaan dat het Duitse Kursbuch allang ter ziele was. Ooit ging het door voor het thuisland van de betonnen denk- en schrijfstijl waar de late jaren zestig nog steeds berucht om zijn. Het had zijn naam dan ook niet mee. Kursbuch klonk naar een collegedictaat waarop duchtig geblokt diende te worden – en zo was het misschien ook bedoeld.
Een slechte roep heeft een lang leven en dat van het Kursbuch zelf bleek niet minder taai. Onlangs verscheen de 159ste aflevering ervan, en inderdaad klonk het thema van het nummer opnieuw onvervalst Duits-metafysisch – al leek Heidegger inmiddels de fakkel van Marx te hebben overgenomen. Angst: een duisterder tobberigheid is nauwelijks denkbaar. Fear, peur, miedo of zelfs angustia halen het niet bij de onheilspellende Befindlichkeit van een woord dat als German Angst zelfs het Engels heeft moeten verrijken.
Een van de eerste artikelen in dit Kursbuch wijdt er een beschouwing aan, en wie nog altijd mocht vrezen voor de linkse rechtzinnigheid wordt daarin grondig uit de droom geholpen. German Angst blijkt vooral te vrezen voor het gevaar van de minst kwaadaardige speler in het geomondiale roulette. Het onverbeterlijke anti-Amerikanisme van de Duitsers krijgt er in dit stuk ongenadig van langs, net als hun koudwatervrees voor sociaal-economische hervormingen zonder welke de nationale toekomst pas werkelijk dreigt te verduisteren.
Liberalisme – met of zonder «neo» – mag zo de toon zetten voor een tijdschrift dat zijn melodie nu lijkt te pijpen onder het vrijheidsvaandel van privatisering en flexibiliteit. Maar German Angst blijkt in het Kursbuch een (des te veelzeggender) uitzondering – ideologisch geneutraliseerd door een wat publieksvriendelijker reportage over belaagde bestrijders van het steeds gewelddadiger Saksisch rechts extremisme.
Politiek zo weer keurig in balans getuigt het tijdschrift verder van een leesbaarheid die af en toe de brille nadert – inclusief de Franse lichtheid die dat woord verraadt. Uitgesproken geestig schrijven Johannes Groschupf en Heike Faller over hun angst voor publieke contacten en spreken in het openbaar. Iets wranger is Wolfgang Meisters persoonlijke verslag van het vicieuze gebruik van angstbestrijdingspillen, dat uiteindelijk uitmondt in angst voor de pil zelf.
Heel bijzonder is de bijdrage over de angst van de torero voor de stier van de Nederlandse vertaler en romanist Ger Leppers. Ooit waagde hij zich zelf aan de strijd met het gevreesde dier en sindsdien is zijn oordeel van gepassioneerd liefhebber over de verrichting van stierenvechters een stuk milder, zo schrijft hij. «Gewapend met slechts een stuk stof staat die tegenover een dier van een paar honderd kilo, door en door gespierd, op korte afstand sneller dan een paard en even wendbaar als een kat.» De grootste moed van de torero ligt dan ook in het bestrijden van de eigen angst, die juist bij een professional ter wille van het eigen lijfsbehoud maar beter niet kan verdwijnen.
Na een Euro-referendum waarin het thema van de corrida in Nederland zijn eendimensionale dieptepunt bereikte, is een nuchter loflied op het mengsel van opwinding en schoonheid, elegantie en dood van deze krachtmeting even provocerend als to the point. Loutere afschuw – hoe gerechtvaardigd misschien ook – maakt er zich intellectueel met een Jantje van Leiden vanaf, wanneer deze zich zelfs uitstrekt tot de vraag waarom dit schouwspel zo fascineert.
Gemakkelijk is het antwoord daarmee nog niet gegeven, laat staan verdragen. Want wat de corrida onthult lieten we misschien liever in het duister dat een morele rechtzinnigheid wel vaker aan het oog moet onttrekken. Op de dag van Leppers’ gevecht stond ik in diezelfde arena tegenover de stier na hem. De dood kwam er bij ons, amateurs, niet aan te pas. Wel het gevaar, de angst en de overwinning daarvan in wat een ware rite de passage bleek. Iets was er voorgevallen dat zich nog altijd aan mijn begrip onttrekt – en waarvoor, naamloos en unheimlich, de vrees nooit helemaal verdwenen is.