TONEEL De Geit, of Wie is Sylvia?

Ritselen

Ergens op driekwart van de voorstelling dacht ik: en wat als-ie het heeft verzonnen? We zaten in de oermoeder aller echtelijke ruzies, midden in het oog van de orkaan waarin het familieporselein even hardhandig sneuvelt als reputaties en relaties, waarin het scalpel door het bot hakt tot diep in het merg, het scenische waarmerk van schrijver Edward Albee kortom, de cruciale huwelijksveldslag tot genre verheven.
En plotseling schoot het door mijn hoofd: stel, de succesvolle architect Martin heeft het van a tot z verzonnen! Dat weiland met dat schuurtje, dat zonovergoten pastorale landschap, de bruine geitenogen, de vragende, wat heet: door alles heen priemende blik, zijn verlangen, de liefde die zijn naam niet durft te mekkeren, het verlangen dat door de verbijsterde en innig geliefde omstanders een naam krijgt ingebrand. Bestialiteit. Geitenneuker. Nee, niet van die eenzame islam-mannetjes die te lang van de vrouw af moeten blijven op straffe van eerwraak, die het (nog) niet met mekaar aandurven, en die daarom hun geheven geslacht proppen in een eenhoevig huisdier. Nee, de over de grenzen van de goede smaak heen kieperende dierenliefde van Martin verheft zich boven de geilheid van alledaagse waanzin (dit overigens tot razernij van zijn kapotgefantaseerde vrouw Stevie).
Dit is geen bestialiteit, dit is eerder epifanie, openbaring, ook kerks, want paaps-christelijk, maar met de meerwaarde van iets verhevens. Zou Martin het verzonnen hebben? Het liet me niet meer los. Zelfs toen de smeuïge details ter sprake kwamen, de snuffelkusjes, en of je met een geit nou ‘naar bed’ gaat, of ‘naar het hooi’. We hebben het hier over De Geit, of Wie is Sylvia? van Edward Albee (1928), in 2002 geschreven en meteen met prijzen overladen, een jaar of wat geleden hier al gespeeld, toen gemist, dus nu voor mij als nieuw, en een mokerslag. Wat een stuk! Een ademloos makende vertelling over hoe zogenaamd ‘primitivisme’ behaaglijk kan aanschurken tegen geciviliseerd gedrag in driedelig maatkostuum. Daar zelfs uit kan voortkomen. Er misschien wel uit moet voortkomen. Wie zal het zeggen? En wie werpt de eerste steen?
In de van onderhuidse woede sidderende slotscène openbaart het door Edward Albee gescalpeerde merg een paar zeer verontrustende en ongemakkelijke vormen van moreel nihilisme ónder de vernislaag van de geciviliseerde mens. Zelfs de nog maar net ontloken en kuis getolereerde (of platgeknuffelde?) homoseksualiteit van de zeventienjarige Billy, zoon van Martin en Stevie, komt opeens onder een wel zeer curieuze druk te staan. Het ergste voor de getergde Martin is misschien nog wel het ‘beschavingsoffensief’ van zijn vermeende boezemvriend Ross.
Albee’s inktzwart geschilderde Darwinparadijs (of goddelijke tuin der lusten?) kent naast Andries Knevel nog een paar vreemde kostgangers. Maar – aldus de duizend-dingen-doekjes-civilisatie van vriend Ross – what the hell!, zolang de afwijkingen van het normale nog stiekem worden bedreven kan er te allen tijde iets geritseld worden. En dat eindeloze geritsel, daar is Martin nou net zó verrekte eenzaam door geworden dat-ie de geit die Sylvia heet als partner is gaan verzinnen. Of toch niet? Of toch wel?
De voorstelling die het Onafhankelijk Toneel heeft gemaakt van De Geit, of Wie is Sylvia? is onder meer zo allemachtig prachtig omdat de vier toneelspelers, Ria Eimers (Stevie), Willem de Wolf (boezemvriend Ross), Joost Bolt (zoon Billy) en Bert Luppes (Martin), die karrenvracht aan existentiële liefdesvragen met een oerkracht de speelvloer op slepen, er donder en bliksem mee maken, er godverdommes en sodejuus uit persen, maar ook ijle kamermuziek en een jankend verdriet, ohhh’s en ahhh’s van verbijstering, geweldig getimede uithalen en hypersarcastische oneliners, de hogeschool van het toneelspelen kortom, die al millennia koorddansen-zonder-net is, levensgevaarlijk. Niet een kermend geitenlied, maar de van angsten zwangere bokkenzang, tragoidia. Ik zei het al: mokerslag!

In april nog te zien in Amsterdam en Haarlem. Naast de reprise van dat andere Albee-meesterwerk door het OT, Wie is er bang voor Virginia Woolf?; inlichtingen: 010-4769029 of www.ot-rotterdam.nl