Ritueel protest

Iedereen die meende dat GroenLinks zijn radicaliteit heeft afgeschud en vooral lonkt naar het regeringspluche is op het verkeerde been gezet. Zes parlementsleden van GroenLinks hebben geweigerd om bij de Troonrede aanwezig te zijn. Hun opstelling getuigt van onwrikbaarheid. Een politicus moet niet A zeggen en B doen. In het partijprogramma staat het duidelijk: de partij is tegen erfelijke staatsfuncties.

Het enige wat aan deze o zo bewonderenswaardige beginselvastheid ontbreekt is de hoop anderen te overtuigen. De GroenLinksers hebben Korthals Altes wel gevraagd om de verenigde Eerste en Tweede Kamer de reden van hun afwezigheid mee te delen, maar als nu plotseling een heftig debat zou uitbreken over de waarde van de monarchie zouden zij steil achterover slaan van verbazing. Het is ritueel protest, zoals ook elk jaar her en der in het land alternatieve troonredes worden voorgelezen aan gelijkgezinden. Het proza waarmee de GroenLinksers hun keuze toelichten spreekt boekdelen. ‘De reden (van onze afwezigheid - ph) is dat Prinsjesdag in hoge mate een ceremonieel karakter heeft, waarbij met het oranjebitter de monarchistische gevoelens maximaal gaan stromen. Wij bezitten deze gevoelens niet.’ Over het woord 'maximaal’ hebben ze vast zitten grinniken. De preek voor de eigen parochie is altijd herkenbaar aan een overdaad aan flauwe woordgrapjes.
Nu is het geen misdaad om opvattingen te huldigen die niet in de mode zijn. Integendeel. Veel onrecht blijft bestaan, ook als het allang niet meer sjiek is om ertegen te ageren. In de euforie over de economische voorspoed wordt gemakkelijk vergeten dat er nog altijd stille armoede bestaat. En ook de derde wereld is zo'n onderwerp dat vervelend begint te worden. Niet weer die ellende over Afrika! Wie begint over hardnekkig onrecht, is al snel een zeur. De Harde Kern heeft in haar boekje Wel feministisch, niet geëmancipeerd een mooi kort antwoord bedacht op deze kritiek: wij zeuren niet, het zijn zeurende kwesties. Het zou ook geen kwaad kunnen om in de poel van pragmatische overwegingen weer eens een radicale beschouwing te horen.
Ik was dan ook blij met het verhaal van Jan Breman in het nieuwste nummer van Socialisme en Democratie. Hij heeft een ouderwets fundamentele kritiek geschreven op het ontwikkelingsbeleid. Hij verwijt de minister dat ze alleen hulp wil geven aan landen die het goed doen, omdat de andere hun zaakjes niet op orde hebben. Breman vindt dat blaming the victim. Zijn radicale geluid dwingt de beleidsmakers om te onderzoeken waarvoor de lokale elites wel en waarvoor ze niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden. Dat is nuttig en dan wil ik hem wel vergeven dat er marxistische echo’s in zijn verhaal klinken, al blijf ik er allergisch voor. Zo vestigt hij na een indringend pessimistisch verhaal zijn hoop op de verworpenen der aarde, die in het geweer zullen komen tegen hun onderdrukking. Bijna had hij geschreven dat ze van een Klasse an sich een Klasse für sich worden.
Maar het verschil tussen Breman en de GroenLinkse republikeinen is dat Breman wil debatteren. Hij heeft de hoop om gehoord te worden niet opgegeven. Hij wil overtuigen. De GroenLinksers willen alleen getuigen, maar dan zonder het heilige vuur. Ze willen for the record melden dat ze tegen de monarchie zijn. Het is politiek voeren voor het logboek en de eigen achterban, niet voor de tribune en al helemaal niet voor de toekomst.