Rituelen

De partijtop bestaat uit verkrampte politici en haar congres zit vol mechanische afgevaardigden. Wat hebben jongeren nog op een PvdA-congres te zoeken? Tjeerd van Dekken (28), voorzitter van de Jonge Socialisten, over het behoud van passie te midden van de parafencultuur.
TJEERD VAN DEKKEN: ‘Het congres viel mij inhoudelijk zwaar tegen. Ik heb me driekwart van de dag verveeld. Ik miste engagement en bevlogenheid. Misschien is dat inherent aan het feit dat de meeste afgevaardigden al redelijk op leeftijd zijn. Er moet een enorme verjonging plaatsvinden binnen het congres, anders verwordt het tot een ritueel. De congresafgevaardigden worden gekozen voor een periode van twee tot vier jaar. Het zijn dus altijd dezelfde mensen die dezelfde dingen doen. Ze kennen alle kneepjes en verliezen zich daar gemakshalve in. De congresmechanismen spelen vaak een prominentere rol dan de inhoudelijke discussies. Als het partijbestuur een negatief advies uitbrengt over een amendement, denkt het congres: oke, het bestuur heeft gelijk dus doen we het maar.

Het viel mij op dat Wim Kok tijdens dit congres, maar ook eerder in de Eerste en Tweede Kamer, zo makkelijk ontsnapte aan de discussie rond de ziektewet. Er werd een serie zeer genuanceerde moties ingediend door Maastricht. Wallage laveerde daar zeer slim omheen. Hij zei: “Daar kunt u ons beslist aan houden.” Het hele congres ligt vervolgens plat en klapt. Maar het had ook kunnen zeggen: “Mijnheer Wallage, wat u geflikt heeft in het parlement is absoluut fout.” Ik vind het zo gek dat men dat niet durft. Om te voorkomen dat het PvdA-imago schade oploopt, zegt men dan. Nou en? Als je weet dat de achterban deugt, moet je misschien uiteindelijk de poppetjes aan de top vervangen. Dat moet dan maar blijken bij de vaststelling van de kandidatenlijst. Politici maken fouten, maar als dit een echec blijkt te worden, moeten ze dat wel uitleggen rond de verkiezingen.
Ik wil een scherp politiek debat op het congres, over belangrijke issues. Eigenlijk is er tijdens het congres alleen maar gesproken over uitgangspunten van beleid, ideeen voor de toekomst zoals dat heet. Er is weinig visionairs gezegd, terwijl het absoluut noodzakelijk is dat er een totaalvisie op de sociaal-democratische politiek komt. Nu mikt men vooral op het Kok-effect: onze minister-president doet het niet slecht, hij gaat straks de zetels binnenhalen. Maar de kiezers zullen de PvdA straks ook inhoudelijk gaan beoordelen.’
‘BEHALVE ONDER de ingeslopen gewoontes van de congresafgevaardigden lijdt de partij ook onder een monistische bestuursstijl. De PvdA kent eigenlijk helemaal geen intern dualisme. Voor inhoudelijke verschillen is geen plaats. Ik snap niet dat daar niet eens een doorbraak in komt. Maar alles gaat zo omslachtig, voorzichtig en verkrampt. De club moet echter door en dat betekent dat er radicale veranderingen moeten komen.
Dit congres was gebaseerd op drie politieke rapporten die in opdracht van het partijbestuur zijn geschreven: De sociale staat van Nederland, De PvdA en de stad en De wonderbaarlijke terugkeer van de solidariteit. In eerste instantie zouden die drie rapporten de basis zijn voor het politieke debat. Met de politieke conclusies die door het congres getrokken zouden worden, moest de Tweede Kamer aan de slag gaan. Maar het werd enkel een debat over een paar thema’s, met de drie rapporten wordt eigenlijk niets gedaan.
Dat is zeker jammer voor het rapport van Paul Kalma, De wonderbaarlijke terugkeer van de solidariteit. Dat rapport is door Kok en Wallage onder de tafel gemoffeld. Die vonden het een te felle kritiek op het huidige kabinetsbeleid. Er stonden omstreden dingen in waarmee de PvdA politiek niet zo goed weg zou kunnen komen. Er was veel kritiek op het financiele beleid, op de bezuinigingspolitiek, de achttien miljard die dit regeerakkoord behelst.
Kok en Wallage waren erg gevoelig voor de kritiek van Kalma. Er is een vergadering van het dagelijks bestuur geweest waarbij ze flink te keer zijn gegaan tegen het rapport: het was de sociaal-democratie onwaardig, het rapport werd een prul genoemd, ze konden er niets mee. Dat is een gefrustreerde reactie van defensieve politici die verkrampt vasthouden aan datgene waarvan zij denken dat dat juist is. Ik snap niet dat Kok en Wallage niet in staat zijn om hun achterban, het congres dus, de ruimte te geven om een vrij debat te voeren over de toekomst van de sociaal-democratie. Ze hebben het debat willen sturen en regisseren, waardoor het uiteindelijk geen debat is geworden. Dat is heel jammer. Niet opmerkelijk, want het is een normale manier van politiek bedrijven in Den Haag. Het is een botsing van culturen binnen de PvdA. Rottenberg en zijn aanhang willen terecht juist die inhoudelijke discussie, willen dat er echte politiek wordt bedreven.
De nomenklatoera heeft de neiging alles zelf te willen regelen. Rottenberg heeft dat ooit de “parafencultuur” van Wallage genoemd en dat is een goede typering. De top is verkrampt. Ik denk niet dat de inhoudelijke opvattingen van de PvdA-achterban schadelijk zijn voor het imago van de PvdA in het land. De achterban is best progressief, wil wel wat. Nu hebben ze voor de grootgebruikersheffing gestemd, in het kader van het milieubeleid. Dat was een half jaar geleden niet bespreekbaar. En het drugsdebat is soepel verlopen, dat had ik niet verwacht. Geen flinkse taal over het drugsbeleid, over harddrugverslaafden die moeten kiezen tussen vervangende straf en verplicht afkicken.
Gelukkig wil de PvdA uiteindelijk toe naar de liberalisering van softdrugs. Dat was een half jaar geleden not done. Ik ben voor een echte uitbreiding van experimenten met de verstrekking van harddrugs onder medisch toezicht. Dat zou eigenlijk gewoon beleid moeten worden. De drugsnota van het kabinet loopt achter bij andere Europese landen, die halen Nederland links in. Dat is eigenlijk krankzinnig. Ik vond het idioot dat de PvdA daar zo'n halfzachte benadering in koos. Maar dat is dan weer met het oog op de internationale verhoudingen. En men is bang voor negatieve reacties van de kiezer.’
'HET CONGRES van afgelopen zaterdag heeft de Jonge Socialisten enkele successen opgeleverd, zoals het voorstel van een basisbaan. De PvdA wilde een repressieve variant door vrijwilligerswerk verplicht te stellen, zodat iedereen zogenaamd een baan heeft. Maar daarmee creeer je kunstbanen en een schijnarbeidsmarkt. Wij zijn voorstander van een basisbaan, waarbij een stimuleringsbeleid wordt ontwikkeld om te zorgen dat uitkeringsgerechtigden met toeslagen op hun uitkering aan het werk kunnen. De PvdA wilde daar een sanctie aan koppelen en vrijwilligerswerk verplicht maken. Als je niet oppast, krijg je dan een soort dwangarbeid. Zo los je de werkloosheid niet op. Wij hebben ervoor gezorgd dat de positieve variant van de basisbaan is gekozen. Door stimuleringsprikkels, zoals premies voor vrijwilligerswerk, krijg je mensen daadwerkelijk aan het werk. Het voorstel is met een nipte meerderheid aangenomen. Ik beschouw dat als een nederlaag voor de PvdA-top.
Een ander succes voor de Jonge Socialisten was het aannemen van een motie over de studiefinanciering. Daarin wordt gezegd dat er geen verhoging van het collegegeld komt. Maar eigenlijk was het debat over onderwijs louter een ritueel, omdat er continu werd gestemd en er helemaal niet inhoudelijk werd gediscussieerd over de vraag hoe de PvdA haar onderwijsbeleid in de toekomst wil formuleren.
Tot nu werd het debat vooral beheerst door het primaat van de financien. Maar zometeen moet er wel gediscussieerd worden over de toekomst van het studiefinancieringstelsel en ook nog steeds over de inrichting van het hoger onderwijs. Ik had verwacht dat daar tijdens het congres veel meer over zou worden gezegd, dat er nieuwe ideeen aan de orde zouden komen, ook van Ritzen zelf. Dat is me ronduit tegengevallen. Niet dat ik voorstander ben van een sociaal leenstelsel, maar ik praat graag over de vraag hoe de PvdA-fractie daar inhoud aan zou willen geven. Het is een gedachte die opgeld doet in Den Haag, een variant voor de toekomstige studiefinanciering, geinitieerd door Felix Rottenberg.
De PvdA voert wel een hoger-onderwijspolitiek, maar die gaat voornamelijk uit van de bezuinigingsgedachte. Wij vinden dat de toegankelijkheid van het onderwijs erg belangrijk is, dat iedereen het recht heeft om te studeren. Wij willen voorkomen dat de drempel om te studeren te hoog wordt doordat je meer moet lenen of doordat de collegegelden veel te hoog zijn. Daarover botsen wij al jarenlang met Jo Ritzen. Informeel is hij het overigens altijd met ons eens, beleidsmatig ligt het totaal anders.
In 1993 hebben we twaalf Ritzen-debatten georganiseerd, met de Landelijke Studentenvakbond, de JS en de PvdA. Dat waren spektakelstukken, de vonken vlogen er vanaf. Knallende ruzies. Ritzen heeft ons toen laten zitten. Hij had ons beloofd tijdens het laatste debat een lijst te presenteren met zes inhoudelijke punten die beleidswijzigingen behelsden. Wij dachten dat dat daadwerkelijk zou gebeuren, maar op de dag van dat laatste debat in Amsterdam kwam die gek, met gevaar voor eigen leven, met extra bezuinigingsmaatregelen. Hij heeft niet voor niets eens gezegd dat hij een masochist is.’
'WE LIGGEN vaak in de clinch met allerlei mensen binnen de PvdA. Over ontwikkelingssamenwerking bijvoorbeeld. Niet met Jan Pronk overigens. Een deel van de PvdA wil een verlaging van de norm voor ontwikkelingssamenwerking: eerst werd het een procent van het bruto nationaalprodukt en nu is er in het regeerakkoord al afgesproken dat de norm tussen de 0,7 en de 0,9 procent moet liggen. Daar hebben wij echte politieke gevechten over gevoerd op het congres, om maar te zorgen dat die norm een procent blijft.
Op dit moment botsen we regelmatig met de PvdA over de nieuwe Algemene Bijstandswet. Wallage werd na het aftreden van Elske ter Veld verantwoordelijk voor de herziening van de Algemene-Bijstandswetgeving. Die herziening kwam voort uit de tussenbalans, het enorme bezuinigingspakket van het PvdA/CDA-kabinet. Voor het uitkeringenbeleid, de sociale zekerheid dus eigenlijk, betekende dat dat er een bezuinigingstaakstelling van 380 miljoen gulden kwam te liggen. Die kwam ter verantwoording van de minister en de staatssecretaris van Sociale Zaken, Bert de Vries en toentertijd nog Ter Veld. Ter Veld heeft toen in eerste instantie geprobeerd de uitkeringen voor jongeren te verlagen. Dat is haar niet gelukt, niet alleen vanwege de gigantische ophef die er ontstond in Den Haag, maar ook door de enorme druk die door jongeren op dat beleid is uitgeoefend.
Na het aantreden van Wallage is er binnen het kabinet afgesproken dat er dus een herziening van het nieuwe Algemene Bijstandswet moest plaatsvinden. Die herziening behelsde dat gemeenten veel meer vrijheid kregen bij het uitbetalen van de uitkeringen. In Den Haag werd bepaald dat in het vervolg iedereen vijftig procent van het minimumloon krijgt. Normaal is een uitkering zeventig procent van het minimumloon. Die twintig procent verschil moest men dan maar via toeslagen krijgen van de gemeenten. Uitkeringsgerechtigden moesten aantonen dat ze alleen wonen, geen fraude plegen, fatsoenlijke huurcontracten hebben en dergelijke. Door dat toeslagenbeleid kregen bepaalde groepen wel die zeventig procent en andere niet.
Die wet is dit jaar per 1 januari ingevoerd. Nu blijkt dat die 380 miljoen aan bezuinigingen ook nog steeds de basis vormt voor de herziening van de Algemene Bijstandswet. De gemeenten zijn verantwoordelijk geworden voor een bepaald bezuinigingsbedrag. In Groningen is dat vier miljoen. Daar had de raad bedacht dat de uitkeringen voor kamerbewoners verlaagd moesten worden om dat bedrag binnen te halen. Gemeenten, en vooral PvdA-bestuurders op lokaal niveau, zijn er dus vreselijk mee aan de haal gegaan. Ze bezuinigen gewoon op bepaalde categorieen uitkeringsgerechtigden. Met name jonge kamerbewoners zijn de klos. In sommige gevallen worden hun uitkeringen met 25 procent verlaagd. Er wordt van uitgegaan dat kamerbewoners een deel van hun kosten met anderen delen. Dat is soms inderdaad zo, maar dan moet van tevoren wel precies worden uitgezocht om welke bedragen het gaat. Over deze kwestie botsen wij heel erg met de PvdA op dit moment. Wallage - vooral hij - presenteert die nieuwe Algemene Bijstandswet als een succes van de PvdA. Daar hebben wij vreselijk de smoor over in, dit heeft niets meer met sociale politiek te maken.’
'SOMS LIJKT HET alsof de JS deel uitmaakt van de nomenklatoera. Maar we zijn er juist om de heersende elite flink aan te pakken. Dat doen we met passie. Wij zijn de luis in de pels. Wij hebben behoorlijk veel invloed, we praten regelmatig met politici. Men neemt ons serieus. Er wordt wel eens gedacht dat politieke jongerenorganisaties vrije debatteerclubjes zijn. Dat geldt misschien voor de JOVD, de jongerenorganisatie van de VVD, maar wij bedrijven echte politiek, parlementair en actiegericht.
We lobbyen ook heel ordinair, we gebruiken politieke trucs als het moet. Wij weten heel goed hoe de partijpolitiek werkt. Dat is winst als je opkomt voor de belangen van bepaalde groepen jongeren. We hebben het recht op motie en het recht op amendement. We krijgen mensen in de Tweede Kamer als dat echt nodig is. Op lokaal niveau realiseren we voorzieningen voor jongeren. De JS heeft al met al heel veel invloed op de PvdA, wij zijn geen papieren tijger, en ook geen debatteerclub zoals je die in Wassenaar wel vindt. We beheersen het politieke handwerk, al doen we soms alsof dat niet zo is. Dan gedragen we ons uitermate naief, maken gebruik van ons jong zijn, als onderdeel van de strategie. Dat wekt wel eens sympathie en ook wel eens irritatie. Dan heeft de PvdA zoiets van: Ach, kijk ze nou, laten we maar een motie aannemen over de studiefinanciering en laten we maar zeggen dat er geen verdere verlaging van de basisbeurs mag plaatsvinden, dan hebben de Jonge Socialisten ook een zoethoudertje. Maar zo'n zoethoudertje kan enorme politieke consequenties hebben voor de PvdA-onderwijsminister.
Ik vind 28 wel de ultieme leeftijd voor een Jonge Socialist. Dat betekent dat ik aan het einde van het jaar eigenlijk wil stoppen. Ik bemoei me nu tussen de veertig en zestig uur per week met de Jonge Socialisten, in dat opzicht ben ik een politieke diehard. Ik houd me vooral bezig met politiek jongerenwerk. We hebben zo'n gigantische doelgroep, dat is fantastisch. Maar tijdens het congres zie je vrijwel geen jongeren en ik raad ze ook af naar een dergelijk congres te gaan. Hun eventuele engagement zou onmiddellijk verdwijnen. Je moet ze niet doodslaan met amendementen.
Ik ga niet naar de Tweede Kamer, ik denk dat die cultuur niets voor mij is. Als kamerlid zou ik mij compleet ongemakkelijk voelen, ik houd niet van de Haagse cultuur en de fractiediscipline. Dat wil niet zeggen dat mijn engagement en mijn passie voor de politiek verdwijnen. Ik ben gekandideerd voor het PvdA-voorzitterschap van het gewest Groningen, wie weet. Dan word ik een baron van 28.’