Rivale, beste vriendin en zus

Terri Apter
The Sister Knot
Norton, 304 blz., $ 25. 00

Toen mijn zusje geboren werd, sliep ik al. In een kinderbed met houten hekjes waar oma met linten speelgoedbeestjes aan had bevestigd. ‘Ze heeft schouderlang bruin haar en krullen’, vertelde mijn vader. Ik keek naar mijn poppen en bedacht dat ze dan op Anica moest lijken, de andere waren allemaal kaal, blond of negerin.
Mijn moeder moest nog een paar dagen in het ziekenhuis blijven. ‘Als ze thuis komen, dan ga jij in een echt bed slapen’, zei mijn vader.

Een enorme doos werd thuis bezorgd, opa zette het bed in elkaar. Zonder hekjes. Die hebben grote mensen niet nodig, volgens opa.

Toen ik een paar dagen later tussen de houten spijlen van mijn oude bed naar dat krijsende schepsel keek dat in niets op Anica leek – mijn zusje had een kale schedel waar aan de onderkant een paar lange krulharen uit staken – had ik behoorlijk spijt dat ik de speelgoedbeestjes voor haar had laten hangen.

Terri Apter onderzoekt in The Sister Knot de ‘frictie en liefde’ tussen zusjes. Why We Fight, Why We’re Jealous, and Why We’ll Love Each Other No Matter What staat in rode letters op de kaft geschreven. Daarnaast de foto: de oudere zus (keurig gekamd lang haar) lacht beleefd in de camera, terwijl de jongere (slordig opgestoken haar) met een blik schuin omhoog, de oudere in zowat alles ondermijnt.

Om de kaft alleen al wil ik het boek kopen. Mijn zusje is jarig, een boek over zusjes is een perfect cadeau.

Als ik het boek opensla blijken mijn kindergevoelens bij de houten bedspijlen niet alleen de relatie met mijn zus te hebben bepaald, maar ook mijn relaties met anderen: ‘Women’s relationships… are often defined by a rocky mix of emotions – devotion and disregard, affection and loathing, admiration and envy – leading to anguish and confusion on the playground, in the home and in the boardroom.’

Vooral dat ‘boardroom’ bevalt me. Mijn zusje, dat het vreselijk vond voor ‘de leuke’ te worden aangezien, terwijl ik ‘de slimme’ was, maakte haar studie vijf jaar eerder af dan ik de mijne en is nu een geslaagde zakenvrouw. Topcadeau.

Apter begint het boek met een geheim: ze hield van haar zus meer dan van wie ook, maar ze voelde ook een ‘raar soort jaloezie’ die uit ‘leegte en paniek’ bestond. Deze ‘ambivalentie’ heeft volgens Apter zelfs gevolgen voor mijn liefdesrelatie. Was ik een jongen geweest, dan zou ik me veel minder verbonden voelen en makkelijker afstand nemen van (schuld)gevoelens. Oeps, ben ik daarom met mijn Liefste in crisis? Misschien moet ik maar meteen twee exemplaren aanschaffen.

Terwijl ik het boek doorblader, klimt Apter achter het katheder van een enorme collegezaal. De lichten worden gedimd, het publiek is stil. Ambivalentie, dat is waar het bij zussen om draait, begint Apter. Op haar spreadsheet verschijnen er verscheidene: tussen ‘op elkaar lijken’ en ‘helemaal anders zijn’, ‘rivale’ en ‘beste vriendin’, ‘trots op je zus zijn’ en ‘je zus als concurrent zien’.

Alle vrouwen die Apter heeft geïnterviewd (hoeveel dat er zijn zegt ze niet, wel dat ze tussen vijf en 71 jaar oud zijn) herinneren zich vijandelijkheden ten opzichte van hun zus. Terwijl ik op zoek ga naar beelden uit mijn jeugd doemt in plaats daarvan de droom op die me jarenlang zwetend deed ontwaken: we zitten in een roeiboot, mijn zusje valt eruit en is aan het verdrinken.

Als ik een jongen was (gemakshalve stel ik me een gespierde John Travolta voor als mijn mannelijke variant) zou ik met de roeispaan als polsstok mezelf het water in slingeren en – na een tijdje moeiteloos onder water te zijn gebleven – haar als een Franse baguette op mijn schouder torsend naar de boot terug zwemmen en (in nog steeds perfect zittende spijkerbroek), vlak langs het passagiersschip dat ons dreigt te rammen, haar in no time naar de kant roeien.

Of heeft achteraf ‘meer afstand nemen’ van ambivalente gevoelens geen zin? Hoe zijn de ambivalenties op te lossen? Ik steek mijn vinger een paar keer op, maar Apter is onverstoorbaar: alle vrouwelijke patiënten van Freud hebben er wel eens van gedroomd hun kind te vermoorden! vermeldt ze op pagina 52. ‘Hadden al die patiënten zusjes?’ wil ik vragen. Deze agressie (bij zusjes? bij moeders?) is volgens Apter te verklaren door… ambivalentie! Dit keer tussen ‘wie we vrezen te zijn’ en ‘wie we willen zijn’. Ik bedenk dat ik voor mijn moeder ook maar een exemplaar moet kopen.

Op pagina 149 is Apter nog niet door alle ambivalenties heen. Het schoolfeest moeten verlaten net als het leuk wordt, omdat zusje eerder naar huis moet, natuurlijk herinner ik me dat. Maar (vinger): zou deze ambivalentie ook op mijn zusje van toepassing zijn? Ik weet zeker dat zij nooit heeft gedroomd dat ik verdrink. En (vinger): mijn Liefste droomde hetzelfde over zijn jongere broer! En (vinger): over de gevolgen van ‘zorgen voor’ en je ‘eigen weg gaan’ kunnen de kinderen van mijn Liefste inmiddels ook meepraten. Tien exemplaren dan maar?

Het licht wordt steeds zachter, de stem monotoner, de collegezaal loopt leeg. Ik scheur stiekem de foto van de kaft, met We Love Each Other No Matter What erbij, en spring op de fiets. Eindelijk weet ik het perfecte cadeau. De ambivalentie tussen ‘veilige kinderbedden met hekjes’ en ‘grote mensen bedden’ bepaalt immers alle relaties in het leven.

Op pagina 272 staan negen vragen van mensen die wel tot het einde in de collegezaal zijn blijven zitten. faq noemt Apter dat.