Essay: Dicht John Kerry de kloof tussen de VS en Europa?

Rivaliserende wereldrijken

Velen zien een overwinning van John Kerry op 2 november als een noodzakelijke voorwaarde voor restauratie van wat vroeger eenvoudig «het Westen» heette. Maar is die transatlantische toenadering nog wel mogelijk?

Zal 2 november een keerpunt in de transatlantische betrekkingen betekenen? De meeste Europeanen denken dat. Zelden, misschien wel nooit, is een Amerikaanse president in Europa minder populair geweest dan George W. Bush. Hij belichaamt, zoals de cartoonisten onvermoeibaar illustreren, die Amerikaanse karakteristieken waar de Europeanen de grootste hekel aan hebben: trigger-happiness, milieuonvriendelijkheid en – wellicht het allerbelangrijkste – een volkomen onverschilligheid waar het gaat om de delicate gevoeligheden van de traditionele West-Europese bondgenoten. Volgens een vorige maand gepubliceerd onderzoek van het Marshall Fund is het aantal Europeanen dat het niet eens is met de buitenlandse politiek van de VS met twintig procent gestegen, tot ruim 76 procent. Een nog groter deel – tachtig procent – is van mening dat Bush’ invasie van Irak beter niet had kunnen plaatsvinden. En 73 procent denkt dat de invasie het gevaar van terrorisme eerder heeft vergroot dan verkleind.

John Kerry daarentegen wordt gezien als een ere-Europeaan. Een deel van zijn jeugd heeft hij doorgebracht in Europa, een periode waar hij op de Democratische Conventie in juli met veel warme gevoelens naar verwees. Zijn vrouw is geboren in Portugal en heeft in Zwitserland op school gezeten. Het paar heeft een huis in de meest Europese buurt van de gehele VS: Beacon Hill, het Notting Hill van Amerika. Dat is, in alle opzichten, ver verwijderd van Crawford, Texas. Het is misschien niet zo verbazingwekkend dat Europeanen Kerry zo graag in het Witte Huis willen zien. Volgens een recente opiniepeiling van Globescan en de Universiteit van Maryland hoopt 74 procent van de Duitsers dat hij in november Bush verslaat, tegen slechts tien procent die de voorkeur geeft aan de president. In Nederland is 63 procent voor Kerry, en zes procent voor Bush. Zelfs in het Verenigd Koninkrijk, dat de meest ferme medestander van de regering-Bush was, steunt 47 procent Kerry, terwijl zestien procent voor Bush is.

Het campagneteam van Kerry is er nogal trots op dat hun kandidaat in het buitenland zo populair is. De tijdschrifteneigenaar en gerenommeerde commentator Marty Peretz schreef vorige week in The Wall Street Journal dat hij de tel kwijt is waar het ging om «hoe vaak de mensen van Kerry me verteld hebben dat de Duitsers en de Fransen en de Zweden een hekel hebben aan Bush en willen dat Kerry wint». Hun trots heeft echter een politieke grond. Kerry’s vermogen het vertrouwen van Amerika’s traditionele bondgenoten terug te winnen, vormt de hoeksteen van het buitenlandse beleid dat hij uitdraagt aan het Amerikaanse electoraat. «Ik weet hoe ik (sterke) bondgenootschappen moet leiden», verklaarde hij afgelopen week in zijn openingstoespraak tijdens het presidentiële debat in Miami. «Deze president heeft ze over de gehele wereld in brokstukken achtergelaten.» Tijdens het debat beweerde Kerry meermalen dat als hij gekozen zou zijn hij niet nader gespecificeerde bondgenoten kan overhalen om de Verenigde Staten te komen helpen in Irak. «Wat wij nodig hebben», stelde hij, «is een president die het vertrouwen geniet om de bondgenoten weer om de tafel te krijgen en om te doen wat nodig is, zodat Amerika dit niet alleen hoeft te doen.»

Dit was een zin die de debattrainers van de president hadden moeten zien aankomen. Kerry had op de Democratische Conventie ongeveer hetzelfde gezegd. Hij beloofde toen dat hij, door het mobiliseren van nieuwe bondgenoten, in staat zou zijn «de kosten (van de aanwezigheid in Irak) voor de Amerikaanse belastingbetaler te verlagen, (…) het risico voor de Amerikaanse soldaten te verkleinen (…) en onze troepen naar huis te brengen». De lastige vraag die zijn opponent in het presidentiële debat verzuimde te stellen, was deze: wie zijn nu precies deze bond genoten, die als ridders zonder vrees of blaam staan te popelen om ten strijde te trekken en een meer internationaal gezinde president te redden? Omdat Bush het hem niet vroeg, hoefde Kerry niet te antwoorden. Daarmee had Kerry geluk, want als hij Frankrijk had genoemd (of Duitsland), zou waarschijnlijk twee derde van de Amerikaanse kijkers hebben weggezapt.

Gelooft John Kerry echt dat een door hem bijeengeroepen internationale top conferentie ervoor kan zorgen dat ook maar één van Europa’s belangrijke militaire mogendheden (of zelfs maar één van de kleinere) Amerika in Irak te hulp schiet? Als hij dat denkt zal hij, als hij gekozen wordt, nog heel wat teleurstellingen te verwerken krijgen. De leiders van de landen die tijdens het omverwerpen van Saddam aan de zijlijn stonden, hebben helemaal geen zin om in het binnenland dezelfde politieke prijs te betalen als de leiders die wél hun steun aan Bush hebben gegeven. Jacques Chirac en Gerhard Schröder zijn, om misverstanden te voorkomen, geen populaire politici, maar ze zijn nog wel aan de macht. Als ze de invasie hadden gesteund, waren ze dat misschien niet meer geweest. Verzet tegen de Spaanse steun aan de oorlog droeg in maart dit jaar bij aan de val van José Maria Aznar; zijn opvolger, José Luis Rodriguez Zapatero, verloor geen tijd bij het beëindigen van de Spaanse aanwezigheid in Irak. Leszek Miller, die Polen de oorlog in voerde, trad in mei af; zijn opvolger lijkt nu van plan de Poolse troepen nog voor het eind van het jaar terug te trekken.

Frappant is vooral het feit dat in de ogen van de Britse kiezers de reputatie van Tony Blair door Irak voorgoed is bezoedeld. De vroegere golden boy van de Europese politiek had deze zomer bijna zijn ontslag ingediend. Met het verstrijken van de dagen wordt het – voor iedereen, met uitzondering van Blair zelf – steeds moeilijker om zich voor te stellen dat hij als minister-president nog een regerings termijn zal uitdienen. Als Italië een echte democratie was, in plaats van een dociele dochteronderneming van het media- imperium van zijn premier, zou ook Silvio Berlusconi wellicht onder druk staan.

Om kort te gaan, de ironie is dat als Kerry in november gekozen zou worden, hij waarschijnlijk snel zou ontdekken dat hij diplomatiek zelfs meer geïsoleerd staat dan Bush, en niet minder. In plaats van het tot stand brengen van transatlantische verzoening ligt het meer voor de hand dat hij geconfronteerd wordt met een breder wordende kloof tussen Amerika en Europa.

Dit is geen populaire visie, en al helemaal niet in academische kringen. Van degenen die hun brood verdienen met het denken, schrijven en praten over internationale betrekkingen is een duidelijke meerderheid van mening dat het transatlantische stelsel van bond genootschappen – wat vroeger eenvoudig «het Westen» heette – kan en moet worden hersteld. En de meesten zien een overwinning van Kerry als een noodzakelijke voorwaarde voor een dergelijke restauratie.

De Oxford-historicus en journalist Timothy Garton Ash stelt in zijn nieuwe boek Free World dat de Verenigde Staten en de Europese Unie te veel gemeenschappelijke belangen hebben om permanent van elkaar vervreemd te raken. Hij ziet «geen onverbiddelijk uiteendrijven van twee solide continentale platen», maar eerder «elkaar overlappende continentale lagen». Garton Ash wijst erop dat de recente transatlantische verwijdering veel complexer is dan wat Robert Kagan suggereerde in zijn vermaarde essay Of Paradise and Power. Daarin werden de strijdlustige (van Mars afkomstige) Amerikanen tegenover de lafhartige (van Venus afkomstige) Europeanen gesteld. Om te beginnen waren de Europese regeringen niet eensgezind in hun afwijzing van de oorlog tegen Saddam Hoessein. Een meerderheid ondertekende brieven waarin het Amerikaanse beleid werd ondersteund. Ten tweede waren de Amerikanen niet eensgezind in hun steun aan de oorlog. De opiniepeilingen van het afgelopen jaar laten zien dat alleen de Republikeinen «van Mars» komen. De Democraten zijn in hun weerzin tegen het voeren van oorlog even «venusiaans» als de Europeanen. Zelfs conservatieve Amerikanen hebben minder imperialistische neigingen dan men in het buitenland meestal denkt. Een boer uit Kansas vertelde Garton Ash vorig jaar: «Ik denk dat we te veel proberen de zaakjes van de hele wereld te regelen (…) net als de Romeinen deden.» Deze republiek is een zeer onwillig imperium. Garton Ash concludeert dat de Amerikanen en Europeanen nog altijd veel te veel gemeenschappelijk hebben om toe te staan dat er een permanente verwijdering ontstaat.

Dit is een door velen onderschreven visie. Robert E. Hunter, een vooraanstaand adviseur van de Rand Corporation en voormalig Navo-ambassadeur van de VS, pleitte in een recent artikel in Foreign Affairs voor de restauratie van het Atlantische bondgenootschap. Hij schreef dat het «experiment in unilateralisme» van de regering-Bush slechts had laten zien wat «de grenzen zijn van een dergelijke benadering», juist omdat «de Verenigde Staten (…) geen zin hebben een wereldrijk te worden». Niettemin zijn er drie belangrijke redenen om te betwijfelen dat een presidentschap van Kerry (of van een plotseling boetvaardige Bush) kan zorgen voor een echte transatlantische toenadering.

Die redenen hebben niets te maken met de reductionistische verklaringen waarmee politieke wetenschappers soms komen, en die Amerikaanse en Europese cijfers met betrekking tot het bruto nationaal product of de export naast elkaar zetten en een of andere economisch bepaalde aanvaring voorspellen. Het is waar dat gemeten naar het bruto nationaal product de Europese Unie na de Verenigde Staten de tweede economische grootmacht is. Maar het is ook waar dat in termen van handel en kapitaalstromen de twee economieën evenzeer met elkaar verbonden zijn als dat ze met elkaar concurreren.

Het is wellicht meer verhelderend om de EU en de VS te zien als twee zeer van elkaar verschillende imperia. Het ene breidt zijn macht uit door middel van militaire acties overzee, het andere breidt zijn macht uit door middel van vreedzame onderhandelingen met aangrenzende landen. Gedurende de afgelopen drie jaar zijn de VS twee soevereine staten binnengevallen en hebben daar de regering omvergeworpen. In dezelfde periode heeft de EU daarentegen niet minder dan tien soevereine staten opgenomen, waardoor de omvang van haar grondgebied met bijna een kwart toenam. Daar komt nog bij dat het Amerikaanse imperium waarschijnlijk slechts korte tijd zijn nieuwe bezittingen zal blijven besturen, terwijl het Europese imperium er op uit lijkt te zijn om in de nabije toekomst nog verder uit te breiden. De Amerikanen praten onophoudelijk over het beëindigen van hun aanwezigheid in Irak en Afghanistan. Er zijn echter maar weinig Europeanen die denken dat de uitbreiding van de EU is terug te draaien.

Deze twee soorten imperia – en elk van de twee is een imperium in die zin dat het systematisch bezig is zijn eigen vormen van economische en politieke organisatie te verbreiden tot voorbij de eigen grenzen – zijn het product van wat inmiddels behoorlijk verschillende politieke culturen zijn. Vooral de ontwikkeling van het Europese imperium model weerspiegelt diepgaande veranderingen in de politieke cultuur van Europa, die de Amerikanen (misschien zelfs John Kerry) grotendeels zijn ontgaan.

Laten we allereerst even stilstaan bij John Kerry’s jeugdherinneringen aan Europa. Waar bevonden zich nu exact die Britse, Franse en Amerikaanse troepen waar hij als jongen zo graag naar keek? Waarom waren zij, in Berlijn, bezig «met het bewaken van hun eigen sector van de stad, terwijl de Russen wachtliepen op de grimmige grens die Oost en West van elkaar scheidde»? Want dat was natuurlijk de reden waarom er in de jaren vijftig een transatlantisch bondgenootschap was: om de Sovjet-Unie achter het IJzeren Gordijn te houden.

We moeten onszelf niet voor de gek houden en denken dat de Fransen en Duitsers – of zelfs de Britten – tijdens de Koude Oorlog zo hartstochtelijk pro-Amerikaans waren. Integendeel, Amerikaanse deskundigen piekerden steeds over de mate waarin de Europese bevolking, zowel ter rechter- als ter linkerzijde, anti-Amerikaans was. Maar zolang de Sovjet-Unie ons bedreigde met een enorm arsenaal aan raketten, troepen en spoken was er één overweldigend praktische reden voor de eenheid van «het Westen».

Met verbijsterende snelheid (en verbijsterend weinig bloedvergieten) kwam daar vijftien jaar geleden verandering in, toen de hervormingen van Michail Gorbatsjov ervoor zorgden dat het sovjetimperium ineenstortte. Sinds 1989 zijn de prikkels voor transatlantische eensgezindheid steeds zwakker geworden. President Poetin is heel duidelijk geen erg liberale man, maar zelfs zijn felste critici verwachten niet dat hij in de nabije toekomst de Russische troepen over de vlakten van Midden-Europa laat denderen.

De tweede reden waarom het niet waarschijnlijk is dat «het Westen» zich zal hergroeperen, is de zeer verschillende wijze waarop beide continenten het gevaar van het islamitisch extremisme taxeren. Voor de Amerikanen heeft het islamisme feitelijk de plaats ingenomen van het communisme als dodelijk gevaar. Europeanen denken daar anders over. Zij zien islamistische terroristen eenvoudig niet als een even grote bedreiging als het Rode Leger van twintig jaar geleden – dat wil zeggen, ze denken dat de dreiging niet zo groot is dat het noodzakelijk is om de transatlantische solidariteit te herstellen. Integendeel, sinds de Spaanse verkiezingen in maart dit jaar gedragen veel Europeanen zich alsof de toenemende dreiging van het islamistische terrorisme het best kan worden beantwoord met het zich distantiëren van de Verenigde Staten.

Waarom? Het antwoord ligt voor de hand. Als gevolg van toenemende immigratie uit het zuiden en oosten leven er momenteel in de Europese Unie naar schatting twaalf miljoen moslims. Dat is gemiddeld net iets meer dan drie procent van de bevolking, maar in sommige landen ligt dat veel hoger. Geschat wordt dat de Franse bevolking voor bijna acht procent uit moslims bestaat, en één op de zestien inwoners van Nederland is moslim. En aangezien de autochtone Europese bevolking vergrijst en de immigratie doorgaat, zullen deze percentages verder oplopen.

Het is nog te vroeg om, met de Egyptische geleerde Bat Ye’, te spreken van «Eurabië», maar niettemin manifesteren zich diepgaande demografische krachten. Bovendien kunnen deze demografische krachten binnenkort een extra politieke stimulans krijgen, wanneer Turkijes verzoek tot toetreding tot de EU wordt gehonoreerd. Terwijl de formele onderhandelingen over Turkijes toetreding beginnen, dringen de consequenties ervan echter heel langzaam door. Wanneer Turkije, laten we zeggen in 2015, lid van de EU wordt, is het wat betreft bevolkings omvang even belangrijk als Duitsland (volgens de huidige prognoses hebben beide landen dan een aandeel van 14,5 procent van de totale EU-bevolking). In dit nieuwe Europa leven dan meer moslims dan protestanten. «Dat zou het einde zijn van de Europese Unie», verklaarde de voormalige Franse president Giscard d’Estaing onlangs. «Willen we dat de rivier van de islam de rivierbedding van het secularisme binnenstroomt?» vroeg de Franse premier Jean-Pierre Raffarin vorige maand. De vertrekkende eurocommissaris voor Mededinging, Frits Bolkestein, waarschuwde vorige maand dat de EU, als zij te snel uitbreidt, misschien zal «imploderen». Enkele dagen later werd bekend dat de voormalige eurocommissaris voor Landbouw, de Oostenrijker Franz Fischler, zijn collega’s had gewaarschuwd dat Turkije nog altijd «veel meer oriëntaals dan Europees» was, en dat hij zijn twijfels had over de «seculiere en democratische geloofsbrieven van Turkije op langere termijn».

Andere politieke kopstukken die hun bedenkingen hebben geuit, zijn de voormalige Duitse bondskanseliers Helmut Schmidt en Helmut Kohl. Het woord waar het hier om gaat is echter dat «voormalige». De huidige politieke leiders in Duitsland zijn als de dood om met betrekking tot het Turkse vraagstuk de verkeerde mening te verkondigen, uit angst voor vervreemding van de reeds omvangrijke Turks-Duitse gemeenschap. Volgens een recente opiniepeiling is 41 procent van de Duitse kiezers tegen het Turkse lidmaatschap van de EU, terwijl 55 procent voorstander is.

Het is gemakkelijk om de draak te steken met de voorspelling die de aan Princeton docerende historicus Bernard Lewis deze zomer deed in een interview met Die Welt, namelijk dat voor het einde van de eeuw Europa islamitisch zal zijn (letterlijk zei hij: «Europa zal onderdeel zijn van het Arabische westen, van de Maghreb»). Niettemin is het zo dat als de recente demografische prognoses juist zijn de enige manier om te voorkomen dat Europa geïslamiseerd wordt bestaat uit het verwerpen van Turkijes aanvraag van het EU-lidmaatschap, en het stopzetten van de immigratie uit islamitische landen. Zelfs als Lewis de zaak enigszins overdrijft valt één ding niet te ontkennen: hoe meer moslims er in de EU leven, hoe minder sympathie Europese leiders zullen opbrengen voor een agressieve Amerikaanse «oorlog tegen het terrorisme» in het Midden-Oosten en elders.

Eén ding staat vast – en dat brengt ons bij de derde en laatste reden voor scepsis inzake een transatlantische toenadering – en dat is dat Europa’s traditionele religieuze cultuur niet in staat is de opmars van de islam te weerstaan. Europa’s veel geroemde «secularisatie» is immers niets anders dan het verval van het christelijk geloof.

Volgens de in 1999 gehouden Gallup Millennium Survey naar religieuze overtuiging en gewoontes gaat tegenwoordig 48 procent van de West-Europeanen nooit naar de kerk; voor Oost-Europa ligt dat aantal met 44 procent maar nauwelijks lager. In Nederland, Groot-Brittannië, Duitsland, Zweden en Denemarken gaat minder dan één op de tien personen minstens één keer per maand naar de kerk. Slechts in katholieke landen als Italië en Ierland gaat meer dan een derde minimaal één keer in de maand naar de eredienst.

Het christelijk geloof is in Europa de afgelopen jaren dus dramatisch in omvang afgenomen. Volgens het Gallup-onderzoek beschouwt 49 procent van de Denen, 52 procent van de Noren en 55 procent van de Zweden God als irrelevant voor hun leven. Het aantal Tsjechen dat deze mening is toegedaan is zelfs nog groter (bijna twee derde). Om de een of andere reden hebben de Europeanen die leven onder christen-democratische en sociaal-democratische regeringen bijna even snel afscheid genomen van het christendom als de Oost-Europeanen die onder het «reëel bestaande socialisme» leefden. In de onvergetelijke woorden van de nieuwe Spaanse premier willen zelfs traditionele katholieke Spanjaarden «meer sport en minder religie».

Wat de ontkerstening van Europa zo intrigerend maakt, is dat zij niet simpelweg kan worden verklaard door te wijzen op het stijgen van de levensstandaard. Dan zou het immers onmogelijk zijn om te verklaren waarom zich momenteel in Amerika een «herkerstening» voltrekt. Het kerkbezoek in Noord-Amerika is significant hoger, wat ook geldt voor de Noord-Amerikaanse religiositeit. Meer dan twee keer zo veel Noord-Amerikanen als Europeanen gaat eens per week naar de kerk. Van de Noord-Amerikanen gelooft 62 procent in het bestaan van een persoonlijke god, terwijl dit voor Europa nauwelijks een derde is. Er zijn maar weinig Amerikanen die beschouwd kunnen worden als atheïst, terwijl dat in Europa voor vijftien procent van de bevolking geldt. Kunt u zich voorstellen dat George W. Bush een pleidooi houdt voor «meer sport en minder religie»?

Het is niet zo dat de Amerikanen van Mars komen en de Europeanen van Venus. Het zou juister zijn om te zeggen dat, vanuit een bijbels standpunt, de Amerikanen zijn voorbestemd voor de hemel en de Europeanen voor de hel. In ieder geval helpt het pijlsnelle verval van het Europese christendom bij de verklaring van het feit dat het Europese conservatisme tegenwoordig weinig gemeen heeft met het Amerikaanse conservatisme. Om een eenvoudig voorbeeld te geven: Europese conservatieven benaderen het Israëlisch-Palestijnse conflict vanuit een geheel andere visie dan hun Amerikaanse tegenhangers. De ophanden zijnde wederkomst van Christus is in Brussel zelden onderwerp van gesprek.

Dit alles verklaart mede waarom uit zo veel recente opiniepeilingen blijkt dat Europeanen verlangen naar een buitenlandse politiek die minder afhankelijk is van de Verenigde Staten. Bij afwezigheid van de Sovjet-Unie, bij de aanwezigheid van zoveel moslims en tijdens de nasleep van de secularisatie voelt de Europese samenleving zich minder verbonden met de Verenigde Staten dan sinds 1940 ooit het geval is geweest. Met andere woorden, de transatlantische verwijdering heeft te maken met fundamentele veranderingen in Europa, in ieder geval meer dan met veranderingen in de Amerikaanse houding of politiek.

Uit een recente Gallup-peiling blijkt dat 61 procent van de Euro peanen van mening is dat de Europese Unie met betrekking tot «de vrede in de wereld» een positieve rol speelt (slechts acht procent vindt dat die rol negatief is). Opmerkelijk is echter dat vijftig procent vindt dat de Verenigde Staten momenteel een negatieve rol spelen. Vergelijk dat eens met de Amerikaanse opinie. Van de Amerikanen is 59 procent van mening dat de Verenigde Staten een positieve bijdrage aan de wereldvrede leveren. Slechts vijftien procent vindt dat de Europese Unie een negatieve rol speelt.

Geconfronteerd met een dergelijke asymmetrie is het zelfs voor de meest eurofiele president zo goed als onmogelijk de klok terug te draaien en terug te keren naar die gelukzalige tijd toen er slechts één onverdeeld Westen was. In plaats daarvan zijn er nu twee imperia – om het derde en langstlevende rijk van het Oosten, China, buiten beschouwing te laten. En of we het nu leuk vinden of niet, elke dag gaan het westelijke rijk dat Amerika heet en het middenrijk dat we Europa noemen, minder op elkaar lijken.

Vertaling: Rob Hartmans