21 oktober 1930 - 13 februari 2010

Rob Hazelhoff

Hij was een bankier zoals je die tegenwoordig niet meer treft, een Herenkapitalist, uit de tijd dat een man nog een man en een woord nog een woord was. En een euro een gulden.

IN ‘MELTDOWN’ WEEFT Ben Elton - scenarist van Blackadder, The Young Ones en Mr. Bean - de 'coming of age’ van vijf universiteitsvrienden uit de provincie aaneen tot een vermakelijke jobstijding, gesitueerd in het Londen van de huidige crisis. De een schopt het tot minister in het kabinet van Brown, de ander werkt zich op tot succesvol architect, de derde beheert het Nigela Lawson-achtige imperium van zijn vrouw, in de vierde laat zich de bestuursvoorzitter van de Royal Bank of Scotland herkennen, terwijl de laatste, Jimmy Corby, het via de derivatendesk van een zakenbank schopt tot über-trader met jaloersmakende bonussen, een prijswinnend huis in Notting Hill, een 'trophee-wife’ en een ambitieus vastgoedproject. Meltdown is opgehangen aan de Werdegang van Jimmy Corby. Door de crisis verliest hij zijn baan, kan hij niet voldoen aan de financiële verplichtingen van zijn onzalige vastgoedplannen, moet zijn zoontje van de dure privé-school, wordt hij beschuldigd van 'insider trading’, raakt hij haard en huis kwijt, maar hervindt hij vrouw en kinderen, ontdekt hij wat er werkelijk toe doet (liefde, vriendschap, fysieke arbeid), en leert hij vertrouwen op zijn eigen morele kompas.
De ruggengraat van deze satire bestaat uit een confrontatie tussen twee generaties bankiers: Corby senior en junior. Jimmy’s vader representeert het oude Herenbankieren, toen bankiers goedbetaalde, ietwat truttige maar ook keurige notabelen waren, toen banken hun geld nog verdienden met het verstrekken van leningen in plaats van met handelen voor eigen rekening, toen een woord nog een woord en een man een man was, toen klanten en niet aandeelhouders centraal stonden, en toen aandelenkoersen nog iets over het bedrijf zeiden in plaats van over de marktverwachtingen van onderling handelende computers. Deze stijlfiguur klinkt ook door in de necrologieën van oud-bankier Rob Hazelhoff, die vorige week in de Nederlandse kranten stonden. In NRC Handelsblad benadrukte Menno Tamminga de degelijkheid van Hazelhoff door te melden dat hij zijn leven lang bij een bank werkte, dat hij wars was van nieuwlichterij, dat hij vertrouwde op de wijsheid van collectief leiderschap, dat hij hechtte aan een brede maatschappelijke verantwoordelijkheid en dat hij zich in zijn beroepspraktijk liet leiden door prudentiële vuistregels. De necrologieën in de Volkskrant en Het Financieele Dagblad deden daar niet voor onder.
Deze loftuitingen zeggen veel over de diepe val die het beroep van bankier sinds de crisis heeft gemaakt. Impliciet klinkt er zowel veroordeling als nostalgie in door. De veroordeling is aan het adres van de bankiers van vandaag. Waar Hazelhoff en de zijnen het belang van de bank lieten prevaleren, daar hebben Groenink en de zijnen onder het mom van aandeelhouderswaarde slechts aan de eigen portemonnee gedacht. De nostalgie betreft de onuitgesproken verwachting dat met bankiers als Hazelhoff aan het roer de deconfiture van 2008 niet zou hebben plaatsgevonden; dat ABN Amro nog een zelfstandig prachtbedrijf zou zijn geweest, dat Amsterdam nog een indrukwekkend financieel centrum zou hebben gehad, dat Nederlandse bankiers nog altijd toonbeelden van financiële deugdzaamheid zouden zijn geweest, en dat Nederland nog altijd financiële spelers van wereldformaat zou hebben geherbergd.
Er is veel veranderd sinds de jaren van Hazelhoff. Banken zijn grensoverschrijdende conglomeraten geworden met twee of drie thuismarkten. Verdienden zij ooit hun geld met het aannemen van goedkope spaargelden en het uitzetten van dure leningen, tegenwoordig komt bijna de helft van hun omzet uit commissies op ingewikkelde financiële producten. Was ooit de handel in opties zo ongeveer het spannendste wat een bank deed, tegenwoordig handelen banken in honderden derivaten en hebben zij duizenden wiskundigen rondlopen voor de financiële innovatie van morgen. Waren bankiers ooit redelijk betaalde notabelen die vooral uitblonken in relatiebeheer, tegenwoordig worden banken gedomineerd door sociaal onhandige nerds met uitmuntende rekenvaardigheden, wier enige loyaliteit de bonuspot geldt. En vormden topbankiers ooit een gezapig gezelschap van Nederlandse kakkers, tegenwoordig is het een kosmopolitische elite met sterrenstatus die zich verbeeldt 'Gods werk’ te verrichten.
Inderdaad bleek Groeninks kapitalisme een doodlopende weg: de Bank is niet meer. Maar terug naar toen is niet het antwoord. Wat ook de individuele merites van Hazelhoff waren, de jongens die destijds het Nederlandse bankwezen leidden, blonken niet uit in meritocratie, strategische brille of openheid. Wie eenmaal lid was, kon tot aan zijn dood op lucratieve commissariaten rekenen. Vrouwen, migranten en nieuwe rijken waren (en zijn) niet welkom. En wie De prooi heeft gelezen, weet dat de wortels van de teloorgang van de bank liggen in de 'zachte’ fusie onder leiding van heelmeester Zadelhoff.
In zijn informatieve geschiedenis van het Britse Herenkapitalisme, The Death of Gentlemanly Capitalism, schetst oud-bankier Philip Augar een ontluisterend beeld van de Britse financiële elite: lui, zelfgenoegzaam en benepen. Met een arbeidsdag van vijf uur, met drank overgoten lunches en selectie gebaseerd op Alma Mater, hobby’s, kleding en uitspraak, was bankieren de sector bij uitstek voor het minder getalenteerde kroost van de hogere middenklasse. Tot Thatchers Big Bang in 1986 de deur van de bankiersclub openbeukte en Londen werd overspoeld met workaholics uit de VS.
In Nederland was het niet veel anders. Drie Small Bangs - de fusies van ABN en Amro, van ING en Nationale Nederlanden en van de Amsterdamse effectenbeurs met die van Parijs en New York - hebben min of meer hetzelfde effect gehad. Net als in het Verenigd Koninkrijk is in Nederland het Herenkapitalisme uiteindelijk gesneefd, met twintig jaar van tomeloze groei en een diepe crisis als resultaat.