Robert anker schrijver / ‘vrouwenzand’

‘OM EEN UUR of acht begin ik en ik werk door tot de energie weg is. Dat levert ongeveer vier bladzijden per dag op en als er wat meer dialoog in zit misschien zes. Een enkele keer, als ik veel moet uitzoeken of nadenken, is het maar één bladzijde of zelfs bijna niks.

Dit boek is het eerste boek dat ik niet met een pen heb geschreven en ik ben blij dat ik die beslissing heb genomen. Collega-schrijvers zeggen soms: een pen zit dicht bij het lichaam, een computer betekent afstand. Of ze denken dat je makkelijker verandert en slordiger wordt - dat soort bijgeloof. Het is mijn ervaring helemaal niet.
Maar één ding heb ik nooit gedaan: ik heb het nooit uitgeprint. Zo'n print geeft mij een definitief gevoel. Het staat allemaal mooi en helder op papier, dat vind ik geen prettige ervaring. Ik hou het dichtbij door alleen op het scherm te werken.
En rommeliger ben ik niet geworden. Ik schrijf zinnen en die zinnen moeten goed zijn. Pas dan ga ik verder. Ik heb ook heel weinig correcties achteraf, ik schrijf geen versies zoals sommige collega’s doen. Het gaat mij puur om de zinnen, daaruit ontstaat een boek. Ik denk ook nooit: dit zinnetje loopt nog niet maar later verbeter ik het wel. Bevlogen raak ik in de zinnen, niet in het verhaal. Lukken de zinnen, dan ontstaat uit hen een verhaal.
Soms gaat het lekker, maar dat betekent niet dat het erg veel sneller gaat. Er dient zich geen spurt aan, zo van: ineens daarheen. Alles gebeurt ín de zinnen. Ik moet zo precies mogelijk formuleren. Raadselachtig, ik kan het verder niet uitleggen.
Maar die paar bladzijden díe ik per dag typ, die héb ik - nou ja, tot ik ze met saven weer wegmaak.’
‘IK WAS NIET van plan een generatieroman te schrijven. Dat ontstond.
Paul Masereeuw is uit een veilige dorpse samenleving gegooid en in de grote, boze wereld terechtgekomen. Hij moet zich zien te handhaven. Dat gaat met schokken: in dienst, bij het corps, jaren zeventig, de kraakbeweging en het opportunisme van de jaren tachtig. In 1994 moet hij zijn jeugdvriend erbij lappen om een drugsdealer vrij te krijgen. Dat morele dilemma stopt zijn verhardingsproces. Tegelijk wordt hij verliefd op zijn twintig jaar jongere nichtje Anna. Hij vraagt zich af: wat ben ik eigenlijk aan het doen? Wat heeft mijn leven opgeleverd? Waar kom ik vandaan?
Hij besluit zijn memoires te schrijven en komt aldoende uiteindelijk in Vrouwenzand terecht. Het dorp van zijn jeugd blijkt het gebied van de directe ervaring. Alles is wat het is, er zit nog geen gedachte achter en er is nog geen filosofietje over. Een klein kind heeft nog direct toegang tot de dingen om zich heen. Er is nog geen ruis. De dingen zíjn er gewoon en alles is vanzelfsprekend. Die directe ervaring is Masereeuw in de loop van zijn leven kwijtgeraakt.
Hij zoekt steun bij Anna. Zij is veel meer ontspannen. Zij vindt de werkelijkheid niet iets waar zij bij kan komen, terwijl Masereeuw er juist zijn hele leven naar heeft gestreefd de werkelijkheid te kennen en vooral te beheersen. In een aantal opzichten vind ik haar een bewonderenswaardige figuur. Ik ken haar soort mensen ook wel. Anna en haar generatiegenoten zijn veel relaxter. Ze hebben geen heimwee of diepzinnige gedachten. Ze behoren tot een generatie die het allemaal wat ontspannener bekijkt, die nogal nú leeft: “Nú, en ik wil genieten!” Een beetje anything goes. Alles wat Masereeuw niet kan. Persoonlijk vind ik dat wel aardig.
In de jaren zestig werden alle bekende richtingaanwijzers en bakens aan de kant geschoven, want we konden het allemaal zelf wel. We stonden in een leeg veld, “toekomst” geheten, wat we helemaal zelf konden inrichten, en tja, wat moet je er dan mee? Terwijl als je ergens terecht bent gekomen waar alles “wel oké” is, dan kan je gewoon een beetje spelen en ervan genieten. Dat heeft wel wat.
Extreem links intellectualisme, de “maakbare samenleving”, het geloof dat je dingen kunt veranderen - het is allemaal onzin gebleken. Dat is de Werdegang van mijn generatie: we stonden op een gegeven moment met lege handen. Het idee van de maakbare samenleving moest worden opgegeven, terwijl de ellende toch met bakken over het televisiescherm rolt. Ik kan niks anders constateren dan een grote machteloosheid en ik weet niet hoe je daarop moet reageren, wie wel? Nou, zegt zo'n Anna dan, we maken er gewoon even een leuke party van en ik neem een Foster-Parentskind.’
'JE KENT de begrippen showing en telling? Ik weet dat ik een beetje de neiging tot telling heb. Maar ook dat je in een roman minder moet essayeren. Ik leg het veel - dat is dé oeroude truc - in de gesprekken. Blijkbaar vertrouwde ik nog niet helemaal op het verhalende en anekdotische deel van het boek en daarom heb ik het toch een beetje filosofisch, essayistisch cement gegeven, zo'n tien procent zeg maar.
Het moest heel erg van nu zijn. Dat zogenaamde realisme, ook maar een vorm hoor, wilde ik wel. Heel breed en dicht tegen de werkelijkheid aan. Het heeft iets leuks om Jan Schaefer op te voeren. Die echtheid geeft mij een grappige sensatie.
Daarom zit de IRT-affaire er ook in. En de bomaanslag lijkt natuurlijk op de aanslag op Rob Scholte, dat zal mijn hoofd daar vandaan hebben geplukt. De rest heeft niets met Scholte te maken. Ik lees natuurlijk wel de krant. Ik lees dat er sprake is van een loods in het havengebied en een oude schuur in Friesland. Dat kan ik dan mooi gebruiken, want zo gaat het blijkbaar. Maar ik gebruik het op een andere manier. Het gaat om andermans auto… maar dat is bij Scholte ook nog gedacht, hè? Dat hij het verkeerde doelwit was.
Als ik schrijf over een rapport van de commissie-Wieringa dan is dat ook het rapport van de commissie-Wieringa dat in april 1994 verscheen. De IRT-affaire, dat schimmige gebied waarin justitie de grens over gaat, fungeert tegelijk als een echo van wat Masereeuw aan het doen is. Je ziet niet alleen zijn persoonlijke Werdegang maar ook die van een justitieel apparaat dat regelmatig grenzen over gaat. Dat vind ik een grappige parallel.
Mijn telefoonnummer? Klopt. Heb ik op het laatst nog veranderd. Dat is gemakzucht. Ik moet even een nummer hebben en dan… Ja, raar is dat. Dat ik dat niet even verzin. Over de namen heb ik ook nauwelijks nagedacht, voor je het weet heb je speaking names. Nu gebeurde het dat ik later dacht: Mertens, o nee. Zo heet Anthony, mijn redacteur, al. Als ik schrijf denk ik daar niet bij na. Gevolg is wel dat opeens vijf personages Karel heten. Dan zei de correctrice: deze heet óók weer Karel.’
'DICHT BIJ de werkelijkheid blijven, net echt. Omdat het nét echt is, kan ik tijdens het schrijven heel erg aanwezig zijn in een wereld en die wereld ook heel hevig ervaren. Alleen: op een kunstmatige manier. Dat heeft te maken met het verschil tussen echte en kunstemoties. Ik her-ervaar iets via de omweg van de kunst. Het is raar, en hoe het nou precies werkt, is meer iets voor de psychologie.’