Hoogleraar economische geografie en planologie, Universiteit van Amsterdam

Robert Kloosterman

Gezellig in de stad

Steden worden belangrijker in Nederland en daarbuiten. Meer en meer mensen - zowel absoluut als relatief - wonen in een stedelijke omgeving zoals we ook kunnen lezen in de recente CPB publicatie Stad en land te lezen valt (Groot, et al. 2010). Een omgeving dus waar, in principe, om met Louis Wirth (1938) te spreken een relatief grote, heterogene bevolking dicht bij elkaar woont. In steden zijn de kansen op werk doorgaans groter. We treffen er meer voorzieningen aan - van vervoersinfrastructuur tot theaters en van hoogwaardige onderwijsvoorzieningen tot gespecialiseerde winkels. En, ook niet onbelangrijk, steden kunnen juist door hun combinatie van heterogeniteit en mogelijke anonimiteit, mensen de vrijheid geven om tot op zekere hoogte hun eigen leven telkens weer vorm te geven, als het ware te assembleren uit het brede stedelijke palet van identiteiten en levensstijlen.

Maar een succesvol of hoogwaardig stedelijk leven is niet vanzelfsprekend. Niet op het niveau van de stad, niet op het niveau van sociale groepen of wijken en zeker ook niet op dat van de individuen in de stad zelf. Steden mogen dan wel dynamische en zelforganiserende puzzels lijken waar de veelsoortige stukken steeds weer op andere wijzen al dan niet naadloos - bedoeld en onbedoeld - aan elkaar gepast worden, maar dat neemt niet weg dat steden en hun inwoners alleen kunnen gedijen als aan vier basisvoorwaarden wordt voldaan. Die voorwaarden golden voor de preïndustriële en de industriële stad en gaan evenzeer op voor de stad die we nu om ons heen zien ontstaan: de digitale stad (Kloosterman, 2010). Die voorwaarden komen niet zonder meer door zelforganisatie tot stand, maar zijn primair het gevolg van bewuste collectieve actie - in veel gevallen van de overheid. Veronachtzamen van deze basisvoorwaarden bedreigt niet alleen de huidige stedelijke renaissance, maar - gegeven het kwantitatieve en kwalitatieve belang van steden - het functioneren van de samenleving als geheel.

De eerste basisvoorwaarde betreft competitiviteit. Bedrijven moeten in staat zijn concurrerend te produceren en zo werkgelegenheid en welvaart te creëren. Voor veel Nederlandse bedrijven betekent dat concurreren op een bepaalde vorm van kwaliteit aangezien concurreren op prijs steeds moeilijker wordt gegeven het voortgaande proces van mondialisering. Kwaliteit kan alleen maar gerealiseerd worden door goed opgeleide, gemotiveerde werkers en dat houdt in dat het onderwijs op orde moet zijn. Concurreren op kwaliteit wordt in Nederland nog veel te vaak gekoppeld aan technologie. Dat is zeker een belangrijke dimensie in de concurrentiestrijd, maar zeker bedrijven in het westen van Nederland moeten het veel meer hebben van andere kwaliteiten: conceptuele vaardigheden in zakelijke diensten of cultural industries, goede service of een uitmuntende internationale inbedding mede op basis van een open kosmopolitische houding.

De tweede basisvoorwaarde behelst de sociale cohesie in een stad. Te grote sociale tegenstellingen tasten de legitimiteit van een samenleving aan. Dat vertaalt zich doorgaans eerst in een veiligheidsprobleem. Daarna ken het verder doorrotten en een voedingsbodem vormen voor verdergaande sociale onrust die niet alleen de stad sociaal en ruimtelijk diep doorklieft, maar ook het lokale economische klimaat kan ondermijnen.

De derde basisvoorwaarde is die van een adequate en breed toegankelijke sociale en fysieke infrastructuur. Die omvat het riool, maar ook de glasvezelkabel, de gezondheidszorg, het onderwijs, de vuilophaal en de politie. Essentiële voorzieningen voor het goed functioneren van een stad. Dat lijkt een open deur, maar Napels en wellicht sommige Waalse steden, niet eens zo ver hier vandaan gelegen en ook nog eens in rijke landen, laten zien dat deze allerminst gegarandeerd zijn.

De vierde basisvoorwaarde heeft te maken met duurzaamheid. Steden moeten leefbaar blijven en dat stelt eisen aan lucht, water en bodem. De gevolgen van milieuvervuilende productie mogen dan deels letterlijk overwaaien, maar daarmee is de kous allerminst af. Op termijn zijn de kosten van milieuvervuiling veel hoger dan de kosten van het voorkomen.

Om deze voorwaarden te realiseren is een krachtige, actieve overheid nodig. De neoliberale revolutie mag dan een begrijpelijke reactie zijn geweest op een verstarde en vermolmde samenleving waarin overheid, grote bedrijven en vakbeweging elkaar in de jaren zeventig in een wurggreep waren gaan houden, maar daarmee is niet gezegd dat een kleine overheid in zichzelf een groot goed is. De bovengenoemde voorwaarden zullen niet door de markt vervuld worden, daar is een actieve overheid voor nodig als regelgever en regelhandhaver, (her)verdeler, als organisator van onderwijs en als initiator van investeringen in sociale en fysieke infrastructuur. Dat moet op een andere wijze - veel minder top-down en veel meer rekening houdend met de toegenomen diversiteit in de samenleving - dan in de Gouden Jaren van vlak na de Tweede Wereldoorlog tot de eerste oliecrisis. Dat was overigens zoals de grote historicus Tony Judt (2010) in zijn Ill Fares the Land terecht constateerde een periode met hoge economische groei. Met hem ben ik van mening dat een sterke overheid juist noodzakelijk is voor het borgen van welvaart, sociale stabiliteit en een democratische open samenleving.

Het inzicht dat een actieve overheid belangrijk is voor het economisch leven is bijna tastbaar in het Verre Oosten. Singapore en ook China kennen vormen van een autoritair kapitalisme waar je in veel opzichten ook niet vrolijk van wordt, maar geïnvesteerd wordt er: in onderwijs, en in infrastructuur. Driemaal raden welke universiteiten het straks beter doen die bij ons of die daar.

De vooruitzichten voor een actieve overheid die inderdaad investeert in de basisvoorwaarden zijn hier te lande op dit moment niet gunstig. Investeren impliceert sparen ofwel uitgestelde consumptie en dat geldt ook voor overheidsinvesteringen. Die moeten uiteindelijk door de belastingbetaler worden opgebracht. We hebben hier en nu te maken met enerzijds achterhaalde neoliberale dogma’s en anderzijds een verlangen naar een gezellig Nederland dat (gelukkig) nooit bestaan heeft. Het huidige kabinet is de gevangene van een onzalige combinatie met de vrije markt ideologie van Margaret Thatcher en Milton Friedman enerzijds en de knusse overzichtelijke wereld van Anton Pieck en Swiebertje anderzijds. Goed onderwijs, sociale stabiliteit, een effectieve infrastructuur en een schoner milieu vergen grote investeringen. De bereidheid om die op te brengen lijkt bij veel politieke partijen die hun huik naar de wind van een deel van het electoraat laten hangen beperkt (dat is overigens niet typisch Nederlands). Verpakt in een holle en platte retoriek van “Nederland beter maken” worden de zeer noodzakelijke investeringen geofferd op het altaar van het ongebreidelde consumentisme in een waas van kortzichtig en nationalistisch egoïsme. Het gaat nog heel gezellig worden in de stad.


Verwijzingen

Groot, Henri de, Gerard Marlet, Coen Teulings en Wouter Vermeulen (2010), Stad en land. Centraal Planbureau: Den Haag

Judt, Tony (2010) Ill Fares the Land; A Treatise On Our Present Discontents, Londen: Allen Lane

Kloosterman, Robert (2010), ‘Die Lehre aus Amsterdam: Neue Urbanität in der alten Stadt, Geographische Zeitschrift (97: 2+3): 113-129.

Wirth, Louis (1938), 'Urbanism as a Way of Life’, The American Journal of Sociology (44: 1): 1-24


Bekijk ook de pagina van Robert Kloosterman bij de UvA