Robert wise (1914-2005) Vakman en rebel

Robert Wise (1914-2005)

Vakman en rebel

Begin jaren vijftig diende regisseur Robert Wise een script in bij het ministerie van Defensie in Washington met het verzoek tanks van het leger te mogen gebruiken voor zijn film The Day the Earth Stood Still. Bij het ministerie van Oorlog, zoals het toen heette, was men not amused. Deze Wise maakte het nu toch te bont: een verhaal waarin Amerika en zijn soldaten machteloos staan tegenover een «buitenlandse mogendheid», beter gezegd buitenaardse mogendheid, een mogendheid die ook nog niet wil vechten, maar die alleen maar het evangelie van vrede predikt? Nee, daar was het oorlogsministerie en al zijn materieel niet voor. En Robert Wise, die op dat moment een van de meest respectabele regisseurs in Hollywood was, kon fluiten naar zijn tanks.

Vorige week stierf Robert Wise op 91-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Los Angeles na een hartstilstand. Hij regisseerde zo’n veertig films en was een sleutelfiguur in de geschiedenis van de cinematografie. Zijn werk getuigt van vakmanschap vermengd met subtiele subversiviteit. Als kunstenaar kwam hij tot wasdom binnen het studiosysteem. Hij was een teamspeler, maar toch had Robert Wise iets rebels in zich. In één geval stak hij zijn neiging tot ondermijning niet onder stoelen of banken. Dat was met The Day the Earth Stood Still. Ondanks tegenwerking door het War Department kwam de film er, en wel met tanks van de Nationale Garde van Virginia.

De film werd gemaakt toen de Koude Oorlog erg koud was. Het conflict in Korea was nog in volle gang. Julius en Ethel Rosenberg werden veroordeeld wegens spionage voor de Sovjet-Unie. De contouren van de Red Scare en de heksenjacht van senator McCarthy begonnen zich af te tekenen. In deze context is Wise’ buitenaards wezen Klaatu letterlijk en figuurlijk een vreemde vogel vanaf het moment dat hij met zijn ruimteschip in Washington landt en eist dat hij alle regeringsleiders van de wereld meteen te spreken krijgt. Als dat niet mogelijk blijkt, neemt hij de gedaante van een gewone aardbewoner aan. Hij maakt contact met een wetenschapper die veel op Albert Einstein lijkt en die Klaatu belooft dat hij een vergadering van voorname academici zal mogen toespreken. Maar dan schieten soldaten Klaatu neer. Wanneer hij op christusachtige wijze uit de dood herrijst, richt hij zich tot de wereld: als de aarde doorgaat met het ontwikkelen van atoomwapens, zal hij, Klaatu, zorgen voor de vernietiging van de mensheid. Wat deze film nog steeds sterk maakt, is niet een overdreven gevoel voor moralisme, maar juist een sfeer van angst en paranoia. Dat Wise een «pulpvorm» gebruikte, tekende zijn artistieke durf.

Begin jaren zeventig focuste Wise opnieuw op verborgen angsten in The Andromeda Strain. Angst voor biologische oorlogvoering en het wantrouwen van de federale regering staan centraal in dit verhaal, waarin een team wetenschappers een levensgevaarlijke bacterie moet bestrijden. Zij doen dat in een ultra modern, ondergronds gebouw waar, zo blijkt, Washington jarenlang heeft gewerkt aan een eigen wapen voor het voeren van een biologische oorlog. Wise behandelt de materie met gevoel; ironie en kritiek zijn slechts bij implicatie aanwezig. Op een gegeven moment zegt een van de wetenschappers tegen een collega: «Sounds like you’re getting a little paranoid in this fun house.» Het «fun house» – het gekkenhuis – staat hier voor Amerika.

The Andromeda Strain is misschien wel zijn beste werk. Het is opnieuw een science fictionfilm, maar in werkelijkheid werkte Wise in alle genres. En het is typisch – en tragisch – dat hij het meest werd gelauwerd voor zijn mindere films. Voor de musical West Side Story (1961) kreeg hij twee Oscars, voor beste regisseur en beste producent. Vier jaar later won hij weer in dezelfde categorieën met The Sound of Music, een film die zo iconisch is dat hij niet kan ontsnappen aan de ketens van camp. Een van de hoofdrolspelers, Christopher Plummer, heeft dit door wanneer hij naar de film verwijst als «The Sound of Mucus». Dat is niet helemaal eerlijk, want deze musicals getuigen van degelijk vakwerk.

En dat was Wise ten voeten uit: een kunstenaar die zich niet te goed waande om ook een entertainer te zijn. Deze instelling had hij te danken aan het feit dat hij een product van het studiosysteem was. Hij begon zijn carrière als editor van Orson Welles’ Citizen Kane (1941). Over zijn aandeel in deze beroemde film is hij altijd bescheiden gebleven. Tegenover The New York Times zei Wise: «Iedere dag zag ik die prachtige opnamen van Welles, die camera hoeken en die grootse scènes met onervaren acteurs. En dan te bedenken dat Welles slechts 25 jaar oud was.» En, voegt The New York Times hieraan toe, Wise zelf was toen nauwelijks een jaar ouder dan Welles.

In 1942 ging het evenwel mis tussen Welles en Wise. Na het draaien van Welles’ tweede film, The Magnificent Ambersons, vertrok de regisseur naar het buitenland. De studio, RKO, kreeg koudwatervrees toen bleek dat Ambersons slecht scoorde bij het testpubliek. RKO vroeg Wise de film opnieuw te monteren. Hij deed dat zonder overleg met Welles. Welles was woedend. Bij zijn terugkeer zei hij honend dat het zeker de tuinman van de studio was die zijn film had verknipt. Welles en Wise zouden nooit weer samenwerken.

Dat was maar goed ook, want Wise was een cineast in eigen recht. Behalve The Day the Earth Stood Still en The Andromeda Strain maakte hij meer prachtige films. Zelfs ogenschijnlijk «foute» en zichtbaar gemankeerde films als The Sand Pebbles (1966), The Hindenburg (1975) en Star Trek: The Motion Picture (1979) hebben iets onvergetelijks: een gevoel voor drama en ritme in de montage, een bereidwilligheid het beeld groots vorm te geven, vaak in CinemaScope, terwijl het verhaal kort en krachtig wordt verteld. Juist deze werken tonen aan dat Wise degelijke films maakte, op zowel het niveau van maatschappelijk engagement als op dat van massa vermaak. In die zin was en is Robert Wise uniek.