Robin linschoten

Dat hij arrogant was en er ongebruikelijke ideeen over sociale rechtvaardigheid op na hield, wisten ze in Den Haag al. Maar dat staatssecretaris Linschoten ook een afwijkende mening heeft over het parlementaire recht op informatie, is nieuw.
‘KOM MAAR NAAR beneden, Robin Linschoten! Ja, dames en heren, onze gast is vanavond een heel bijzondere: de staatssecretaris van Sociale Zaken. Het bonuswoord luidt “aftreden” en zoals altijd stellen wij weer de vraag: “Doet-ie het of doet-ie het niet?” In de coulissen staan Paul Rosenmoller en Jan Marijnissen al met hun strikvragen in de aanslag. Ben je d'r klaar voor, Robin? Mooi zo. Heren van de oppositie - interpelleert U maar!’

Als de CTSV-affaire een televisiequiz was, zou Robin Linschoten hem glansrijk winnen. Helaas komt de goedgebekte liberaal, die als aanstormend kamerlid de aandacht trok door in onnozele tv-programma’s op te treden, nogal laat tot de ontdekking dat hij zich als bewindsman geen spelletjes kan veroorloven. In de aanloop naar het ziektewetdebat van november vorig jaar hield hij drie rapporten van het College van Toezicht Sociale Verzekeringen achter, omdat ze ernstige kritiek op zijn privatiseringswet bevatten. Toen Rosenmoller en Marijnissen hem daar vorige week op aanspraken, debiteerde hij de ene smoes na de andere en maakte hij zich tenslotte in aller ogen ongeloofwaardig door ze weer stuk voor stuk te herroepen.
Menige waarnemer is hogelijk verbaasd dat Linschoten zich zo in de nesten werkt. Hij staat bekend als een arrogante maar gewiekste debater, die zich nooit in de hoek laat drijven. In de jaren zeventig voerde hij als rechtenstudent al het hoogste woord in de Universiteitsraad van de Vrije Universiteit, hoewel hij de envelop met vergaderstukken vaak pas opende als de vergadering al was begonnen. Hij was tevens internationaal secretaris van de JOVD en droeg volgens zijn mede-raadsleden steevast een Samsonite-koffertje en ‘zo'n raar horloge met een wekkertje. Tijdens een vergadering ging plotseling dat wekkertje af. Dan stond hij op en zei op zijn arrogante manier: “Wilt u mij excuseren. Over anderhalf uur vertrekt mijn vliegtuig naar Ierland.” ’
WANT ZOVEEL staat vast: Robin Lorenz Oscar Linschoten, op 17 oktober 1956 geboren uit Nederlands-Hervormde ouders, groeide in de belommerde dreven van kapitaalkrachtig Amersfoort op tot een onuitstaanbare blaaskaak. Typerend voor zijn optreden is een interview uit 1987 in De Tijd, waarin hij met zijn voeten op tafel en puttend uit een allerergerlijkst yuppen-jargon zijn briljante carriere schetste. Na een vervroegd eindexamen als gevolg van een weddenschap met vrienden - 'kwestie van doorbijten’ - veroverde hij stormenderhand de JOVD - 'werd ik voorzitter van’ - en maakte hij in 1978 zijn entree in Den Haag. Als persoonlijk medewerker van de VVD'er Broos van Erp - 'leuk bij gewerkt’ - had hij de politieke handgrepen geleerd - 'het circuit verkend’. In 1982 was hij onverwacht, als zesendertigste op de lijst, in de Tweede Kamer beland dank zij de verkiezingsoverwinning van de VVD onder Ed Nijpels. Met zijn 25 jaar was hij het jongste kamerlid aller tijden, wat hem beurtelings bijnamen als de 'bright Benjamin’ en 'die snotneus’ opleverde.
Omdat de ervaren fractiespecialisten van de VVD toetraden tot het kabinet-Lub- bers I, viel de positie van financieel-economisch woordvoerder hem praktisch in de schoot. Dank zij zijn rechtlijnigheid hield hij zich staande te midden van de bekvechtende pro- en contra-nijpelianen in de fractie. Op sociaal-economisch terrein was hij een overtuigd aanhanger van de harde lijn. In zijn liberale turbotaal was de vakbeweging 'een stukje particulier initiatief’ dat door de 'juiste prikkels’ moest worden overreed om een verregaande flexibilisering van de arbeidsmarkt te accepteren. Zonder blikken of blozen predikte hij zijn unieke opvatting van sociale rechtvaardigheid: 'Wij zijn niet van plan de minima buiten schot te houden. Dat zou onredelijk zijn voor de mensen die net boven het minimum zitten.’
Samen met die andere jonge hond, zijn JOVD-maatje Frank de Grave, schudde hij intussen het stoffige bed van de parlementaire mores hardhandig op. In 1991 diende hij namens de VVD een motie in tegen minister De Vries, die had nagelaten om de Kamer een wettelijk vereiste accountantsverklaring te overleggen. Het debat werd ronduit hilarisch toen Linschoten met zijn 'jongenssmoeltje’ (fractiegenoot Huib Jacobse) de twintig jaar oudere De Vries minzaam de les las. Zijn motie was niet bedoeld als een motie van wantrouwen, maar als een 'motie van opvoeding’. En nog altijd is Linschoten gesteld op zijn imago van de onbesuisde corpsbal met pijp, blauwe blazer en lollige vrienden, die tussen twee kamerdebatten door even een patatje trekt en in het weekend 'lekker’ gaat windsurfen, als hij tenminste niet in een verstrooide bui te Ommen (Ov.) zijn gepantserde dienstauto in de prak rijdt. Escapades die op zich vergeeflijk en niet van humor ontbloot zijn, ware het niet dat uitgerekend deze flierefluiter 'die nog nooit met zijn poten in de blubber heeft gestaan’ (FNV-voorzitter Stekelenburg) als staatssecretaris over het lot van miljoenen uitgerangeerde werknemers beschikt. Hij dankt die positie echter niet aan het toeval, maar aan zijn strategisch inzicht.
Na de desastreuze verkiezingsnederlaag van 1986, waaraan hij zelf had bijgedragen door het ontslag van tweehonderdduizend ambtenaren in het vooruitzicht te stellen, begreep Linschoten als een van de eersten in de VVD dat een ontmanteling van het sociale-zekerheidsstelsel onmogelijk was zolang de PvdA in de oppositie zat. Hij werd een van de dragers van het 'paarse’ Des Indes-beraad. Alleen als de PvdA in de regering deelnam en de sociale onrust kon intomen, zouden de noodzakelijk geachte monsterbezuinigingen op Sociale Zaken kunnen worden uitgevoerd.
In 1990 was de PvdA volgens Linschoten rijp voor deze judasrol: 'Als ik nu naar de PvdA kijk, dan is dat in ieder opzicht een andere club dan ten tijde van Joop den Uyl. Kijk eens met welk gemak ze de koppeling laten vallen. Hoe eenvoudig ze de sociale vernieuwing van tafel vegen. Om nog maar niet te spreken over de denivellering van de inkomens.’
Om een paarse coalitie mogelijk te maken moest de VVD zich in het openbaar minder hard opstellen - 'niet overvragen’, aldus Linschoten - maar des te harder onderhandelen achter de schermen. Hetgeen onder leiding van Bolkestein geschiedde: hij wist in het paarse regeerakkoord een bezuiniging van achttien miljard vast te leggen, die Linschoten nu volgens plan binnensleept.
Als kamerlid in de jaren tachtig werd hij er al op betrapt dat hij de standpunten van de Nederlandse verzekeraars en pensioenfondsen letterlijk tot de zijne maakte. Linschoten is de man die de versnelde herkeuring van WAO'ers, de nieuwe nabestaandenwet en de geprivatiseerde ziektewet door de Kamer joeg en die voor het einde van de paarse rit de premiedifferentiatie van de WAO en de 'herijking’ van de resterende sociale zekerheid wil afronden. Het einddoel van deze operatie, die zijn weerga in de parlementaire geschiedenis niet kent, is de integrale opheffing van het stelsel van volksverzekeringen en de invoering van het door de VVD beoogde 'ministelsel’. In dat stelsel garandeert de overheid een kleine basisuitkering en moet de burger elke gewenste aanvulling zelf bijverzekeren. Linschoten weet dat hij, meer nog dan vice- premier Dijkstal, voor de VVD een sleutelpositie in het kabinet bezet. Op zijn linschotiaans: hij heeft de 'gevoelige dossiers’ in zijn 'toko’.
DE STAATSSECRETARIS is dus niet door een ongelukkig toeval gestruikeld, en ook niet over een kwestie van ondergeschikt belang. Voor de VVD was de eerste echte privatisering in de sociale zekerheid, in de vorm van de nieuwe ziektewet, de hoeksteen van het paarse regeerakkoord. Op het kritieke moment dreigden de CTSV-rapporten, waarin de contraproduktieve gevolgen van deze wet werden aangetoond, de oppositie en de weigerachtige kamerleden en senatoren van de PvdA van krachtige nieuwe argumenten te voorzien. Linschoten moest wel liegen als hij de privatiseringsoperatie wilde redden.
Zijn bezuinigingsijver kan men hem niet verwijten. Helaas kan de ontmanteling van de sociale zekerheid rekenen op de steun van een democratisch gekozen kamermeerderheid. Maar dat Linschoten in zijn ijver diezelfde Kamer cruciale informatie heeft onthouden om de besluitvorming naar zijn hand te zetten, is een politieke doodzonde. Als de paarse coalitie enig zelfrespect heeft, zal zij de staatssecretaris met een welverdiende 'motie van billekoek’ naar huis sturen.