Mijn telefoon was stuk en door de klantenservice van mijn provider werd ik verwezen naar hun filiaal in de Kalverstraat. Het was er drukker dan je zou verwachten in een winkelstraat waar je zo goed als niet kon winkelen. Men slenterde wat, likte aan een softijsje, gluurde binnen bij halfduistere etalages. Spookwinkelen; misschien verschilt het voor de consument uiteindelijk niet al te erg van het oude winkelen.

In de telefoonwinkel nam ik, drie minuten na aanvang van mijn gereserveerde tijdslot, plaats tegenover een verkoper. Hij zei: het is nu drie minuten over half vijf, u heeft mij tot drie minuten over vijf. Er is helaas geen mogelijkheid tot uitloop.

Even voelde het alsof ik een escort had ingehuurd. Ik mocht me een halfuur lang uitleven en daarna, hoogtepunt bereikt of niet, stond ik met mijn broek op halfzeven weer op straat. Er klonk een hoge pieptoon, en daarna nog eens. De toon bleek afkomstig uit een apparaatje dat tussen mij en de verkoper op tafel stond. Op het apparaatje stonden twee poppetjes afgebeeld. Tijdens het piepen kleurden de poppetjes van groen naar rood. Dit had ermee te maken dat ik niet geheel stil zat op mijn kruk, maar zo nu en dan mijn bovenlijf naar voren boog en handgebaren maakte tijdens het praten. Wanneer ik dat deed, kwam ik binnen een straal van anderhalve meter tot de verkoper.

Van achter mijn mondkapje probeerde ik iets met mijn ogen te doen wat duidde op een blik van verstandhouding

O jee, zei ik, het apparaat straft me. Van achter mijn mondkapje probeerde ik iets met mijn ogen te doen wat moest duiden op een blik van verstandhouding, maar de jongen staarde blanco naar zijn computerscherm. Iedere dag moest hij te maken hebben met wiebelende klanten zoals ikzelf. Hij was bijkans immuun geworden voor al die nerveuze, menselijke levendigheid; voor het gepiep van dat apparaat; voor interactie an sich. De rituelen van de nieuwe wereld hadden zijn ziel efficiënt uit zijn lijf getrokken, hem ongevoelig gemaakt voor alles wat niet paste binnen het plan. Welk plan precies ontglipt me steeds vaker, maar soms vermoed ik dat de ontzieling het doel op zich is. Om zes minuten over half vijf stond ik weer buiten. Ik ben niet immuun, en sommige dagen nog minder dan andere.

In bescheiden gezelschap vierde ik een paar dagen later voor het eerst in mijn leven sederavond, een rituele maaltijd waarbij de uittocht van de joden uit Egypte wordt herdacht. Normaal gesproken duurt het feest tot diep in de nacht, maar vanwege de avondklok moest een en ander in versneld tempo worden uitgevoerd. We braken en aten matzes, doopten radijsjes in zout water, proefden van het bittere kruid en de zoete charoset. Mij werd een Haggada voor dummies onder de neus geschoven zodat ik in noodtempo kon meelezen met het verhaal, de liederen en gebeden. Men spijkerde me bij over de symboliek van het eten: het zoute water voor de tranen, de mierikswortel voor het lijden, het zoete mengsel van appels, noten, kaneel en wijn voor het geluk na de bevrijding. Ik dronk de druivensap gretig als een kind en ik zong als een kind: de klanken nabootsend, geen idee hebbend waar het over ging.

Later, in bed, dacht ik terug aan het gesprek dat we die avond hadden over vrijheid. De tieners aan tafel waren in de ban geweest van het idee dat alles een illusie is: onze keuzevrijheid, de hele werkelijkheid; alles een kwestie van perceptie en consensus. Vrijheid, zei de vader van de tieners, is de dag waarop ik mijn hand door deze tafel kan laten glijden omdat ik niet meer in de tafel geloof.

Ik dacht aan de spoken in de Kalverstraat, het piepende apparaat in de telefoonwinkel, de roerloze verkooprobot. Hoe ik me uit de voeten had gemaakt, de winkel uit, de straat uit, totdat de wereld weer overeenkwam met mijn perceptie ervan. In Klara and the Sun, de nieuwe roman van Kazuo Ishiguro, gelooft robot Klara in de zon als almachtige en praktische godheid die, in ruil voor de juiste offers, mensenlevens redt. Ze is niet geprogrammeerd dit te geloven; haar geloof is een gevolg van observaties waaraan ze haar eigen conclusies heeft verbonden. Hoewel de roman heet te gaan over de geijkte kunstmatige-intelligentie-onderwerpen (wat is liefde, wat is menselijkheid), is het vooral een verhaal over hoe ervaringen opgetild worden boven de banale dagelijksheid waarin ze plaatsvinden, hoe handelingen ritueel worden en de wereld bezielen. Je zou kunnen concluderen dat Klara’s geloof primitief en misplaatst is, maar van alle mogelijke lezingen is dat wel de allersaaiste.