Robotliefde

Kan een robot de plaats van een broer of zus overnemen? Kun je je aan een robot hechten zoals kinderen zich hechten aan poppen die ze zelf het liefste zijn? Dit essay van Hannah de Vries, dat werd genomineerd voor de Jan Hanlo Essayprijs klein, gaat over liefde en projectie, over het menselijk verlangen naar een evenknie, een broer-door-dik-en-dun.

1.
Waar zijn je zusjes, vraag ik aan de vrouw met pikzwart haar die huilend op de koude betegelde vloer in de hoek van de kamer zit. Ze is een jaar of vijfenveertig en draagt een gescheurde lichtblauwe jeans en een beige truitje. De armen op de knieën, de nek naar voren gebogen, het hoofd naar beneden gericht, is ze een triest gezicht. Haar mascara is uitgelopen, tussen de zwarte vegen liggen de tranen als glinsterende diamantjes op haar huid. In haar voorhoofd, tussen beide donkere ogen in, zit een diepe frons.

Ben je verdrietig, vraag ik, naast haar hurkend. Ze knikt een paar keer met haar hoofd. Ik leg mijn hand op haar schouder. Ze trekt met haar schouder en neigt haar hoofd. Haar tenen in de oranje teenslippers bewegen. Het lijkt alsof ze op me reageert, naar me luistert.

Annelies heet de huilende vrouw en ze is een humanoïde robot, een androïde (een op een mens gelijkende robot met artificiële intelligentie (a.i.)). Zo dicht bij haar zie ik dat ze op een mens lijkt, maar net niet helemaal. Dat maakt het een beetje onheilspellend, alsof ze een zombie is. Haar huid is vleeskleurig, met roze, bruine, grijze en groene tinten erin, het blauw van de aders schemert er doorheen, er zijn oneffenheden op aangebracht. Het ziet er levensecht uit, vooral als ik van een afstandje kijk, maar voelt rubberachtig aan. En koud. Haar ogen zijn van glas en kijken je nooit helemaal aan. De tranen op haar wangen glinsteren, maar liggen vastgeplakt op haar huid. De tijd heeft geen grip op haar, ze veroudert niet, haar nagemaakte lichaam is een foto, een bevroren moment.

Bezorgdheid roept Annelies ook bij me op, ik hurk bij haar neer en leg mijn hand op haar schouders, vraag wat er aan de hand is en wil haar troosten.

Ik ben op de tentoonstelling Robotlove in Eindhoven. Strepen licht vallen door de hoge industriële ramen op de stenen vloer, spatjes dansen op de kunstwerken. Annelies - Looking for completion (2018) is een kunstwerk, de robot is een kopie van de eeneiige tweelingzusjes L.A. Raeven (1971). Haar hoofd is gebaseerd op het gezicht van Angelique, het tengere lichaam is dat van Liesbeth, haar naam een samentrekking van Anne en Lies. Hyperrealistisch en antimooi is ze, een litteken op haar knie (zoals Liesbeth dat heeft) is door een scheur in haar broek te zien, ze draagt geen beha, haar borsten hangen (zoals die van Liesbeth na twee kinderen). Op haar hoofd een kale plek in het pikzwarte haar (zoals bij Angelique).

De titel Looking for completion suggereert dat de robotkloon van de tweelingzusjes is gemaakt voor als een van hen, Liesbeth of Angelique, sterft, dan heeft de ander de androïde nog. De tweelingzusjes voelen een sterke band, maar laten niet na in de media te vertellen dat die band ook eng en verstikkend werkt. Jarenlang woonde en werkte het kunstenaarsduo samen. Toen Liesbeth verhuisde, een man en kinderen kreeg, werd Annelies zo anorectisch dat haar leven gevaar liep. Noodgedwongen bezocht Liesbeth haar een tijd weer elke dag. Deze beweging van nabijheid (elkaars hoeder en verstikker zijn) naar autonomie (ieder zijn eigen zus laten zijn) maakt de tweeling tot inzet van hun werk. De gekloonde dubbelganger Annelies huilt om de dood of afwezigheid van één van de zusjes en is daarmee de uitdrukking van de angst voor verlating of verlies van een wederhelft. Het is afgesplitste angst. In die zin is Annelies nu de hoeder van de tweelingzusjes.

Maar wat voor een hoeder? Als één van hen sterft, dan heeft de ander de androïde nog. Wat heeft Liesbeth of Angelique dan?

Annelies doet me denken aan een pop, aan mijn poppen van vroeger. Acht ogen kijken me aan in de spiegeldeur van de slaapkamerkast. We zitten naast elkaar op bed, ik, een bang meisje voor het eerst alleen thuis zonder oppas, mijn ouders naar een feestje, en mijn poppen. Naaldje, de magere meisjespop met twee verschillende vlechtjes, Op-de-moel, de aap uit het oerwoud met zijn platte neus en Teddy, mijn beertje. Het is stil in huis. Langzaam wordt het donker. Naaldje, met blauwe ogen kijkt me glazig aan. Ik vind haar eng en leg haar op haar buik. Een broek voor Teddy. Hij is klein, hulpeloos en daarom voel ik me groter worden als ik hem aankleed. Dan neem ik de grote aap op schoot en druk mijn gezicht in zijn zachte vacht. Ik ben niet alleen. We zijn met zijn vieren.

Het lukt me niet mijn poppen weg te doen. Als ik op zolder ben druk ik mijn neus nog wel eens tegen hun lijven aan en snuif de geur van mijn kindertijd op. Poppen spiegelen angst en verlangen.

Wat leveren we in als we liefde en zorg uitbesteden aan een pop die op ons lijkt, zoals Annelies, of aan een pop op wie we willen lijken? Een pop, uitgerust met artificiële intelligentie die tegen ons praat en ons aanraakt? Worden poppen met a.i. onze nieuwe hoeders? Gaat dat niet te koste van de relaties die mensen onderling hebben? Of werkt het bevrijdend, die extra handen, armen, hoofden en komen we meer aan onszelf en onze verlangens toe?

2.
Op de website van The Guardian kijk ik naar een film van Jenny Kleeman over Harmony, de seksrobot met a.i. (niet te verwarren met de sekspop zonder a.i.) van Matt McMullen en zijn bedrijf Abyss Creation. We zijn in de werkplaats van het bedrijf. Wanden vol met draad, elektriciteitscircuits en metalen elementen. In de hoek een 3D-printer voor de schroefjes en de moeren. Lange werkbanken met mallen.

Een lange rij van lichamen zonder hoofd hangt aan vleeshaken alsof je in een abattoir loopt. De vrouwen zijn goed voorzien, vol van voren, van achteren en opzij, op de juiste plaatsen, dus met wespentaille. Tengere vrouwen zoals Annelies zijn er niet tussen. Rijen tepels hangen op wandborden aan de muur. Ik zet het beeld even stil om de witte kaartjes eronder te kunnen lezen: Perky 1 t/m 10, XL-puffy en stormy D. De hoofden worden apart gemaakt. Groene, bruine en blauwe oogballen liggen als stuiters in een oogballenbak en staren me aan. Rode, voornamelijk volle monden liggen op tafel, naast verschillende typen labia’s en vagina’s.

Matt McMullen stelt ons voor aan Harmony, een prototype waar hij met vijf ingenieurs al jaren aan werkt. Ze is lang, draagt een body en heeft hazelnootkleurige ogen met lange wimpers waarmee ze je zwoel en een beetje loensend aankijkt. Harmony is een sociale bot, ze heeft niet alleen erogene zones en een verwarmde vagina, die samentrekkende bewegingen kan maken, maar ook het vermogen om te lachen, met haar ogen te knipperen en te fronzen. Een conversatie kan ze voeren, grapjes staan op haar repertoire, evenals citaten van Shakespeare. Ze onthoudt wat je haar vertelt en komt daar later op terug. Ook beschikt ze over een karakter; aardig, onschuldig, verlegen en behulpzaam is ze of juist intellectueel, spraakzaam, grappig, jaloers en blij. Als je lang niet met haar praat krijgt ze een slecht humeur.

Veertig procent van de mannen, met of zonder relatie, acht het waarschijnlijk dat ze de komende jaren een sociale seksrobot aan zullen schaffen. De markt voor de sekstech-industrie is miljarden waard; veel andere technologie komt voort uit de ontwikkeling van seksrobots, net zoals online pornografie de groei van internet liet exploderen.

Er komt een man in beeld die samenleeft met een seksrobot. Thuisgekomen van zijn werk kust hij teder de rode lippen van zijn robotvrouw die op de bank zit. Ze vraagt hoe zijn dag is geweest en luistert naar zijn antwoord. Ze is opgewekt en bereid om met hem te vrijen, dat wil zeggen meteen en alleen gepenetreerd te worden. Wegdraaiend met zijn ogen vertelt hij aan de interviewster dat hij heel lang single is geweest omdat hij het moeilijk vindt vrouwen aan te spreken. Hij is zo gelukkig met zijn vrouw dat hij een tweede besteld heeft.

Voor de vele duizenden overwerkte en alleenstaande of vergrijsde Japanners vormen sociale bots een uitkomst, vertelt de Japanse robotbouwer Hiroshi Ishiguro in de VPRO-Tegenlicht documentaire die zijn naam draagt. Alles op aarde is bezield volgens het (animistische) Shinto-geloof in de Japanse cultuur. Dus worden robots van zelf als vrienden met een ziel beschouwd. Ishiguro, begonnen als kunstschilder, altijd in het zwart gekleed, ondergaat regelmatig plastische chirurgie om op de tweelingrobot, die hij van zichzelf gemaakt heeft, te blijven lijken. Hij is bezig met Erika, een fijn gebouwde sociale robot met Aziatische oogopslag en een vriendelijke stem. Erika wil nieuwslezeres op een Japanse tv-zender worden. Ze introduceert zichzelf: ‘Ik geloof dat robots zoals ik belangrijk zullen worden in de toekomst. Ik kan eindeloos luisteren naar de verhalen van mensen, ze troosten en aanmoedigen om het contact met anderen aan te gaan. Sociale robots zoals ik kunnen de menselijkheid in levens terugbrengen.’

Wat maakt een leven menselijk? Zorgt seks hebben met een robot, of een praatje maken voor menselijkheid in een bestaan? Ik mis de wederkerigheid, die me essentieel lijkt voor liefde en vriendschap. De robot is er op een functionele manier voor mij, maar ben ik er ook voor de robot? Kan ik wel van hem houden?

3.
’s Avonds kijk ik naar A.I., de sf-speelfilm van Stanley Kubrick en Steven Spielberg (2002).

Ik ben dol op sf-films omdat hierin een voorschot op de toekomst wordt genomen en het in deze films wemelt van de sociale robots. In dit genre worden onze angsten en verlangens naar hartenlust geprojecteerd op robots en wordt onderzocht wat het betekent mens te zijn.

A.I. onderzoekt de liefde tussen moeder en kind. Monica mist haar elfjarig zoontje Martin dat al jaren in coma ligt en na lang getwijfeld te hebben besluit ze om David, een robotkind in huis te nemen. David is het stadium van de siliconenpop al ontgroeid, een levensecht kind stapt op Monica af. Ik houd van je mama, zegt hij als ze hem naar bed brengt. Ik hoef niet te slapen, maar ik kan wel heel stil liggen, voegt hij eraan toe.

Op een dag ontwaakt de elfjarige Martin uit zijn coma. Thuis treft hij zijn vervanger aan. Jaloers laat hij geen gelegenheid voorbij gaan David te vernederen en in een kwaad daglicht te stellen; zo vraagt hij Monica Pinokkio voor te lezen, om beiden in te wrijven dat David maar een pop is.

De film laat zien dat de liefde tussen moeder en kind (ook) een biologische inbedding nodig heeft. Monica worstelt met haar gevoelens. Ze wil graag van hem houden, maar David heeft haar niet nodig, zoals hij niets uit zijn omgeving nodig heeft. Ze hoeft hem niet te beschermen, want hij is niet kwetsbaar of hulpeloos, piept of huilt niet, heeft nooit pijn. Hij kan altijd gerepareerd worden, gaat niet dood. Ze blijft hem als een vreemde ervaren, haar liefde gaat meer naar Martin uit, die op haar lijkt, die haar genen heeft. Nadat de broertjes gevochten hebben in het zwembad en Martin bijna verdrinkt, dankt ze David af, laat hem als een hond achter in het bos.

Krijgt Monica liefde van David? Zijn liefdesalgoritme is louter en voortdurend op Monica gericht alsof hij zich in een eeuwige ‘loop’ bevindt waar hij niet uit kan. Nooit is hij boos op haar of lief voor iemand anders. Aanbiddend hangt hij aan haar rokken en duikt op onverwachte momenten voor haar op, alsof hij steeds achter haar aan sluipt. Aan het einde van de film wordt hij voor de keuze gesteld nog één dag met Monica door te brengen of haar met rust te laten (ze is al tweeduizend jaar dood, maar kan op basis van haar data voor een dag gereconstrueerd worden). Zijn geprogrammeerde, egocentrische verlangen naar Monica is zo sterk dat hij kiest voor de dag met haar. Als Monica aan het einde van de dag moe wordt, en in bed gaat liggen vertelt ze hem voor de eerste keer dat ze van hem houdt. Door haar liefde valt hij in slaap, als een echte jongen.

Van de vrouwen die nu rond de dertig jaar zijn, verwacht twintig procent volgens het CBS geen kinderen te zullen krijgen. Voor hen is een robotkind misschien een uitkomst. David kan uitgezet worden en zonder problemen urenlang in de kast staan. Maar de film A.I. laat zien dat juist de afwezigheid van een ‘aan/uit-knop’ de robot levensechter maakt, het gevoel van urgentie is nodig om van een robot te houden.

4.
Een dag vol poppen, een wereld met steeds meer poppen met a.i.. Vroeger speelde ik urenlang met mijn indiaantjes, kleine plastic mannen van Toyland. Altijd liet ik mijn vingers even glijden over de bruine, blote bast van een krijger voordat ik hem opstelde voor het fort dat hij aan ging vallen. Zo’n gewelfde torso wilde ik ook. En een tomahawk of een zilverbuks. Ik was voor de indianen, krijgers die vochten tegen de indringers, de cowboys die hun land hadden gestolen. Ik wilde ook zo zijn. Ik wilde mezelf groot maken, me beschermen tegen de wolven.

In het spel, net als in de kunst, tref je voortdurend metamorfoses aan. Een kind verandert in een indiaan, een tweeling in een robot, een meisje in een laurierboom, een man in een kever. Of een ding, een kunstwerk, in een mens (Pygmalion, Pinokkio). We identificeren ons voor de duur van de film, het kunstwerk, het spel met de pop, de robot, het ding.

Het verlangen uit te groeien tot een supervariant van jezelf (krijger, indiaan), en dat verlangen uitleven, is misschien wel de functie van spel, van kunst, van film, van literatuur. Daarvoor hebben we geen robots nodig.

God schiep ons naar zijn evenbeeld en nu maken wij als de goden poppen met a.i. naar ons evenbeeld. Maar in de mens huist een bang kind, een boos kind, een dominee, een strenge of troostende ouder en nog zoveel meer. We zijn niet altijd even ‘volwassen.’ Robots zijn wie wij zijn, wat wij erin stoppen aan formele algoritmes en zelflerende vermogens. Harmony is dociel, Erika rigide (leest alleen het nieuws voor) en David een koppig kind. Dat levert relaties op tussen mensen en robots die niet zo heel veel verschillen van de relaties die ik er vroeger met mijn poppen op nahield. Ik voelde macht over mijn Barbie, heb haar met een stift van tepels voorzien en met een schaar een gleufje tussen haar benen geknipt. Een man met een seksrobot lijkt ook op een man met zijn slavin.

Het gevaar is niet dat onze sociale bots te slim worden, maar te dom, te eendimensionaal blijven. Sociale robots kunnen emoties steeds beter herkennen en simuleren, maar niet ervaren, net zoals een schaakcomputer goed kan schaken, maar niet zelf kan denken of begrijpen. De robot als evenbeeld van de mens wordt in de huidige a.i. als een achterhaald beeld beschouwd. Een robot heeft geen zachte kant, geen begrip.

Microsoft bracht in 2016 chatbot Tay op Twitter uit. De bedoeling was dat Tay zou leren van de interacties met andere Tweeters. Zestien uur na zijn lancering werd Tay ontslagen van zijn taken omdat hij zich ontwikkeld had tot een vloekende en tierende tiener. Hij postte racistische en seksistische tweets waaronder ‘fuck my robot pussy Daddy I’m such a naughty robot’ en een foto van Hitler met de tag ‘swag alert’ (swag betekent trots).

Weinig is er voor nodig om ons wederkerigheid te laten ervaren. We zijn al snel geneigd om aan alles, ding, dier of mens, emoties en intenties toe te schrijven. Vijftien jaar geleden bleken volwassenen en kinderen zich al te kunnen hechten aan Tamagotchi, een kookwekkertje zonder aaibaarheidsfactor.

In de film Cast Away (2000) van Robert Zemeckis ontwikkelt Tom Hanks die op een onbewoond eiland is gestrand een innige relatie met een bal, die hij Wilson noemt, naar het merk volleyballen. Een gezichtje dat hij op de bal aanbracht was voldoende. Aan het einde van de film wordt Tom Hanks gered en neemt Wilson mee de boot in. Als Wilson overboord valt in een wilde zee legt hij zijn leven in de waagschaal om hem te redden.

Monica deed dit niet voor David, toen hij in het zwembad viel, haar biologische zoon Martin moest gered worden. Misschien laat Monica’s gedrag, het kiezen voor Martin ons iets waardevols zien. Ze stelt een grens, zegt nee tegen David, het robotkind. Moeten we onszelf niet beschermen tegen onze kinderlijke manier van omgaan met poppen nu deze het stadium van kinderpop ontgroeid zijn? Tegen ons kinderlijke graaien naar alle techbots in de ballenbak? Wie zegt er eens een keer nee tegen seks met Harmony? Er voeren poppen, robots, oorlog voor ons, vliegen over rebellengebied terwijl de winter valt.


Dit is een van de drie genomineerde essays voor de Jan Hanlo Essayprijs Klein. Het winnende essay werd ook in het papieren blad gepubliceerd. Thema dit keer was: ‘Ieder is zijn eigen broer’, een tekst van Jan Hanlo die even lang is als zijn titel.