POPMUZIEK: Soundgarden

Robuuste terugblik

Seattleband Soundgarden staat bekend als een van de vier grote grungebands, maar is eigenlijk altijd een buitenbeentje geweest. De band tekende in 1988 als eerste groep uit de scene voor een groot label, maar werd in 1994 pas echt bekend met vierde plaat Superunknown.

Pas bij dat album ontdeed de band zich van het eerder opgelegde stempel van hardrock- of metalband. Ze speelden begin jaren negentig ook met Faith No More als voorprogramma van Guns n’ Roses, op dat moment met Metallica de grootste gitaarband ter wereld. Karakteristiek bleef daarna het betere riffwerk, met een link naar Led Zeppelin en Black Sabbath, dat goed paste bij de granieten loeistem van frontman Chris Cornell. De grote populariteitsgolf die Nirvana’s Nevermind destijds veroorzaakte bij de hele grungescene heeft Soundgarden uiteindelijk de minste schade bezorgd. Geen zelfmoorden, geen drugs- en drankexcessen, geen bandcrises. Na album nummer vijf, Down On the Upside uit 1996, hield de band ermee op. Gewoon bijna, vanwege artistieke meningsverschillen.

Don’t know where I’m going, I just keep on rowing, I just keep on pulling that rope’ is de openingszin van het laatste nummer op de nieuwe Soundgarden-plaat King Animal. Die lijkt ook echt van toepassing op de loopbaan van Cornell. Na Soundgarden viel hij wel op als muzikant die niet op de makkelijkste manier zijn eigen weg probeerde te vinden (op zich altijd te prijzen), maar zijn platen werden er niet beter op. Het nog redelijk geslaagde project Audioslave met gitarist Tom Morello kreeg navolging van drie soloplaten, waarvan vooral de laatste (Scream uit 2009) voor nogal wat gefronste wenkbrauwen zorgde. Niet alleen vanwege de keuze voor producer (Timbaland), genre (elektropop en r) en nummers (zwak), maar ook door de zware make-uplaag die de voormalige rockzanger op zijn gezicht had aangebracht voor de hoesfoto’s. Cornell en bling bling, het bleek geen gelukkige combinatie.

Een stijgende lijn kent zijn carrière dus niet, maar de nieuwe plaat van Soundgarden maakt voor nu wel een einde aan de dalende trend. Het songmateriaal op King Animal is verrassend sterk en met het juiste pit gebracht. De groep gaat eigenlijk gewoon verder waar ze eindigden en dat kan ook best, zo blijkt. Traag slepende rockers als Blood on the Valley Floor en Rowing en stevige rockers als Non-State Actor of Attrition doen het nog steeds erg goed. Iedereen lijkt in zijn element en Cornells stem als een misthoorn heeft aan kracht en volume niets ingeboet. Wanneer de band op z’n lichtst klinkt, zoals op Black Saturday of Halfway There, lijkt hij ook het minst geïnspireerd. Verder is de halfslachtige Black Hole Sun-_kopie _Bones of Birds niet al te overtuigend, maar daaromheen blijft genoeg kwaliteit over. Soundgarden blikt niet terug met een film (Pearl Jam) of een luxe albumheruitgave (Nirvana), maar met een robuuste plaat die klinkt alsof het weer 1996 is.

Soundgarden, King Animal, Label: Universal