Rock me Amadeus

Rik Launspach, Man meisje dood, € 19,90
Rik Launspach, Man meisje dood, € 15,95 (e-book)

In 2009 debuteerde acteur en regisseur Rik Launspach met 1953, een dikke pil over de Zeeuwse watersnoodramp, waarvan er honderdduizend exemplaren over de toonbank gingen en de verfilming, De storm, bijna een half miljoen bezoekers trok. Launspach schreef het scenario, waardoor je je afvraagt wat de volgorde eigenlijk was: was De storm de verfilming van 1953, of was 1953 de verromantisering van De storm?

Medium 9789023464198

Bij het lezen van Launspachs tweede roman, Man meisje dood, dringt die vraag zich nog eens op. Schrijft Launspach boeken of films? De roman begint in ieder geval als een film. Eerste scène, twee pagina’s lang: een jongen en twee meisjes rijden keihard over een donkere provinciale weg. Ze hebben ruzie, ze hebben gedronken. Woedend stuurt hij de onheilspellende duisternis in, recht op het gevaar af.
Misschien een goed essayonderwerp: steeds meer schrijvers lijken hun boek te beginnen met zo'n losse scène waarin de lezer een flash forward krijgt naar iets Groots of Engs dat later in het boek moet komen. Het is niet iets literairs, er worden geen thema’s aangekaart, of personages geïntroduceerd. Het is afgekeken van films en tv-series, waarin je kort iets spannends te zien krijgt, voordat het intromuziekje komt. Niet wegzappen.
Cut scene. Zoveel jaar later. De jongen achter het stuur is nu een man en zit in een sollicitatiegesprek bij de Navo. De man heet Deus, kort van Amadeus, en heeft een academische carrière opgebouwd in de linguïstiek. Een soort ‘Noam Chomsky van de Lage landen’, merkt een militair op ('Deus knikte. Hij voelde zich oud. Hij was een lemma op Wikipedia geworden’), die blij is dat hij bereid is in Afghanistan te helpen als een veredelde tolk: 'We lopen tegen de grenzen op van wat we kunnen, op taalgebied.’
Deus is eerder in Afghanistan geweest. Betekenisvolle blik opzij. 'Hij wilde er niet over praten. Ze zouden er toch niets van begrijpen.’
Het beeld wordt zwart, er komt een plaatsnaam en een tijd. In flashbacks wordt dan het voorafgaande verhaal verteld, van Deus als student in Amsterdam, begin jaren negentig. Als 'gelegenheidsdealer’ levert hij - onhandig, verlegen - coke aan de twee mooiste meisjes van zijn studentenvereniging: Puck en Tatja, een 'ongenaakbaar duo, een pikzwarte en kastanjebruine seksdroom van elke jongen’. Drie keer raden of Deus verliefd op ze wordt. Cinematografisch zou het mooi werken: het volle, vrolijke Amsterdam tegenover het kale, harde landschap van Afghanistan. Daarna een avondvullende film die bomvol zou moeten zijn. Er is een moeizame driehoeksrelatie, er wordt vreemdgegaan, gesnoven, gejankt, gescholden, gemanipuleerd, er zijn bermbommen, vliegtuigongelukken, Afghanen gaan elkaar met raketwerpers te lijf, er is de auto-crash uit de openingsscène, gedoe met een huurachterstand en een onderneming die Deus probeert uit te kopen.
Maar het boek is niet bomvol. Het boek is leeg en licht, omdat Launspach niet in staat blijkt ook maar één moment de diepte in te gaan. De driehoeksrelatie tussen Puck, Tatja en Deus is niets meer dan een langdradige soap. Het meest ronduit irritante is dat iedereen maar blijft opmerken dat Deus zo intelligent is, zoveel weet. Hij zegt namelijk dingen als: 'We hebben, dacht hij, een uniek strottenhoofd dat we kunnen inzetten om elke denkbare nuance mee uit te drukken, en we gebruiken het slechts voor het wereldkundig maken van platitudes.’ Het is ongelooflijk dat de ironie Launspach ontgaat. Dat niemand hem erop gewezen heeft: hij is een groothandelaar in platitudes. Ik kan me niet herinneren ooit een boek van meer dan vijfhonderd bladzijden gelezen te hebben waarin niet één rake zin of slimme observatie staat. Afghaanse dorpelingen worden omschreven als 'profeten uit het Oude Testament’. Werkelijk waar. Probeer eens een reportage uit Uruzgan te vinden waarin dorpshoofden niet als 'profeten uit het Oude Testament’ worden beschreven.
Het zou niet zo gênant zijn als Launspach niet zo vreselijk pretentieus zijn personages de ene na de andere holle kreet of pseudo-diepzinnige discussie laat voeren. Bijvoorbeeld over de literatuur van de jaren negentig, waarin ze zich afvragen of er nog wel 'grote dingen’ geschreven worden, of de literatuur nog wel relevantie heeft (Launspach kan zich niet inhouden en laat Deus opmerken dat Hella Haasse nog steeds relevant is, 'Oeroeg wordt immers verfilmd’ - een opmerking die alleen voor de auteur leuk is: hij won een Gouden Kalf voor zijn rol in Oeroeg), terwijl Launspach zelf zo'n beetje alle problematiek op wereld- en persoonlijk niveau vol pretentie bij elkaar veegt en niets heeft te melden. Het is gênant als Launspach weer eens zogenaamd wijs oreert, maar niet verder komt dan opmerkingen als: 'Europa zal nooit een eenheid worden. Staatkundig misschien, in de verre toekomst en wellicht ooit met dezelfde munt, maar verder niet. Kijk naar de Friezen. Juist in een groter geheel ontstaat er behoefte aan een eigen identiteit.’
Poe poe, Noam Chomsky mag wel heel erg gaan oppassen, zou Hennie Huisman zeggen. Maar dit, uiteindelijk, is niet de Mini Playbackshow. In de literatuur is er geen doen alsof.

RIK LAUNSPACH
MAN MEISJE DOOD
De Bezige Bij, 528 blz., € 19,90