Rock ‘n’ roll-tekenaar

HET IS FEEST op het grote schilderij. Opgefokt lachende mensen verdringen zich voor een tv-camera op de voorgrond. Een vrouw met een zwartleren kap over het hoofd bedrijft seks met een hoog Goedele-gehalte. Niemand let op de dode kinderen die, soms nog wat nabloedend, her en der verspreid liggen. Dat hoort kennelijk zo. Op de voorgrond maakt trouwens een van een commercieel tv-station bekende kindervriend zijn glorieuze entree, met een lading verse, nog levende exemplaren onder zijn jas. Slechts één persoon probeert gruwend weg te vluchten uit het pandemonium: schilder Peter Pontiac zelf.

Medium pontiac

‘Als ik teken dan ga ik loos.’ Peter Pontiac zegt het met de ondertonen van aarzeling en onzekerheid die zijn stem vaak kleuren. Hij maakte zijn schilderij, een parafrase op De kindermoord van Bethlehem van de zeventiende-eeuwse schilder Cornelis van Haarlem, voor een tentoonstelling over modern geweld, vorig jaar tijdens de Haarlemse Stripdagen.
'Bij het tekenen gaat er een soort gespierde versie van mij aan het werk.’ Pontiac wijst op de tekentafel in zijn atelier, op de zolder van een hem hiertoe ter beschikking gesteld Bussums tuinhuis. 'Er neemt een bepaald gevoel bezit van mij, als ik aan deze tafel aanschuif. Ik doe de lichtjes aan en de radio en dan heb ik het gevoel dat ik in een cockpit stap en een Starfighter op koers gooi.’
Traag daalt de schemering over Het Gooi. Vredig getsjirp van mussen en mezen waait door het open dakraam het atelier binnen en overstemt vaak Pontiacs zachte en bescheiden stemgeluid. Het is niet de stem die je zou verwachten van iemand wiens werk de grafische vorm van seks & drugs & rock 'n’ roll wordt genoemd; iemand wiens tekeningen nu al bijna dertig jaar net zo makkelijk de woede wekken van klein rechts als van politiek correct links.
'Het is een zeker gevoel van macht, dat zal ik niet verhullen. Want je bent aan het manipuleren, als tekenaar. Je kunt natuurlijk ook nobel spreken van communiceren, maar communiceren kent twee richtingen. Zo lang iemand naar jouw tekening kijkt, manipuleer je hem, al is het maar een paar seconden.’

AUTODIDACT PETER Pontiac (pseudonym van Peter Pollmann, Beverwijk, 1951) is illustrator, stripmaker en schilder. Hij ontwerpt posters, pamfletten en platen- en cd-hoezen en publiceert strips en tekeningen in vele kranten en tijdschriften, waaronder Oor, Vrij Nederland, Hitweek/Aloha en NRC Handelsblad, en internationale tijdschriften als El Vibora. Sinds 1992 wordt zijn verzameld werk gebundeld in de reeks The Pontiac Review, waarvan deze zomer met De pen en het zwaard het zesde deel verscheen.
Pontiac begon in de tweede helft van de jaren zestig te tekenen. Belangrijke invloeden in die begintijd waren Amerikaanse underground-tekenaars als Robert Crumb en Rick Griffin.
Pontiac: 'Die geperverteerde tekenfilmstijl van Crumb, zoals op zijn hoes van Janis Joplins plaat Cheap Thrills eind jaren zestig, maakte me duidelijk dat je ook met een tekenpen rock 'n’ roll kunt bedrijven. Dat was voor mij een openbaring.’
Na deze ervaring zette Pontiac zich aan het tekenen van een omslag voor een illegale bundel songteksten van de Rolling Stones. Bij verschijnen, in 1971, werd deze tekening door Joost Swarte uitgeroepen tot meesterwerk. Ook Willem de Ridder, destijds de maker van het legendarische tijdschrift Hitweek/Aloha, merkte de tekening op. Hij nodigde Pontiac per brief uit om aan zijn blad mee te werken.
'Peter’, vertelde Willem de Ridder enkele jaren geleden in een Onrust-documentaire over Pontiac voor de VPRO-tv, 'bleek een junkie te zijn die nooit iets zei en die in een commune in Leiden in een kelder zonder ramen zat opgesloten. Op mijn brief heb ik nooit iets gehoord, tot er een jaar later ineens een figuur bij mij binnen kwam die een tekening op de tafel legde. Maar er was nog steeds geen woord uit hem te krijgen.’
Pontiacs zwijgzaamheid destijds was een bijwerking van de LSD die in de Leidse commune het dagelijks brood vormde. Later ging hij ook opium, cocaïne en heroïne gebruiken. Waar een leven aan de zelfkant van flower-power, kraakpanden, anarchisme en punkbeweging iemand in de jaren zestig, zeventig en tachtig ook kon brengen, Pontiac is er geweest.
In zijn fascinerende, vaak sterk autobiografische werk uit die periode brengt Pontiac dit leven en lijden in beeld met een obsessieve, koortsige intensiteit die je direct en onbarmhartig raakt. Het is alsof zijn tekeningen verder gaan dan het netvlies en zich meteen langs geheime poorten en kanalen een weg naar binnen banen, je systeem in, naar de diep verborgen en normaliter moeilijk toegankelijke plaatsen van het onderbewustzijn waar zich de meest elementaire emoties bevinden.
Dertien jaar geleden, toen zijn dochter werd geboren, is Pontiac gestopt met de drugs. Zijn uit die tijd daterende strip Requiem fortissimo is te lezen als een metafoor voor die periode in zijn leven. Twee punks, Gaga en Gigi, komen terecht in een ondergronds lustoord voor verslaafden. Gaga, de jongen, wil er blijven - en blijft er dan ook in. Gigi, het zwangere meisje, vecht zich een weg terug naar boven, waar ze vervolgens in een paradijselijk decor een kind baart.
Over het achter hem liggende drugsverleden wil Pontiac niet meer praten. 'Dat is al zo lang geleden. Het is ook niet meer van belang voor het werk dat ik nu maak. Toen gebruikte ik omdat ik dacht dat ik drugs nodig had om mijn fantasie te prikkelen. Maar zo werkte het natuurlijk niet. Ik ging onder invloed hoogstens wat langer door met een tekening, om hem steeds verder dicht te plamuren met details, totdat het één grote modderknoop werd. Verder zijn die drugs gewoon een ramp. Je bent voortdurend bezig met je helemaal uit de naad te lopen, alleen maar om je voor veel geld net zo te kunnen voelen als al die andere mensen zich de hele dag door gewoon gratis en voor niks al voelen.’
Pontiac gebruikt alleen nog maar de, zoals hij ze zelf omschrijft, burgermansdrugs koffie, tabak en alcohol. De thematiek van zijn werk is ook veranderd en zijn tekeningen zijn vaak wat lichter van toets, zonder dat dit overigens afbreuk doet aan het engagement en de intensiteit van zijn huidige werk.

'BEHAGEN EN belagen tegelijk, daar gaat het me nu vooral om. Ik probeer te behagen door de vorm en grafische uitwerking van mijn tekeningen. Maar ik kan het niet laten om de kijker ook te belagen, door een paard van Troje in de tekening te brengen. Zo heb ik aan het eind van een strip over een groep punks die een bomaanslag wil plegen, ineens een goede fee laten verschijnen die de punks, op rijm, vertelt dat geweld niets oplost.’
Toen een steendrukker hem onlangs vroeg om een ontwerp voor een serie serviesgoed, tekende Pontiac voor op de ontbijtbordjes en mueslischaaltjes de uitgeteerde lijken van een moeder en een kind in een Sahel-achtig landschap. Eerder al had hij voor de Elvis-tentoonstelling van de Amsterdamse galerie Torch een portret van de King geschilderd waarop diens mollige gelaatstrekken de vorm hadden van een hongerende Sahel-bewoner die op het punt staat zelfmoord te plegen.
'Honger is de uiterste consequentie van de manier waarop de wereld wordt gerund in het kapitalistische systeem. Alles moet voor de mensen beschikbaar zijn. Maar als in China iedereen eens in de week kip zou willen eten, dan zouden er drie extra planeten nodig zijn om het voer voor die kippen te leveren. Dus ja, ik had een viering van het goede der aarde kunnen tekenen op die borden, en mee kunnen doen aan de heiligverklaring van Elvis waar het die tentoonstelling toen om begonnen was. Maar ik mag soms graag een spelbreker zijn door te wijzen op dingen die ik relevanter vind.’
Zijn grootste bekendheid dankt Pontiac aan zijn tekeningen en strips over rock-muziek, die vaak met grote zeggingskracht de essentie ervan raken. Hiermee reikt zijn faam tot voorbij zijn eigen generatie. Op popfestivals lopen de jonge bezoekers met tatoeages naar ontwerpen van Pontiac. Vorig jaar bezocht hij het Lowlands Festival. Hierover maakte hij de strip Lost in the Lowlands, die vorige week in beperkte oplaag is uitgebracht.
Pontiac: 'Goeie rock 'n’ roll maakt van je hart een vuist, zoals Roel Bentz van den Berg schreef. Voor mij was het ooit begonnen als bevrijdingsfront tegen de strakke stropdas. Maar ook de rock 'n’ roll is, zoals wel meer gebeurt met bevrijdingsbewegingen die aan de macht komen, verworden tot een vadsig hedonisme dat de halve globe beheerst ten koste van de andere helft. Ik sta nu cynisch tegenover de romantiek van seks & drugs & rock 'n’ roll, waar ik vroeger een adept van was.’
De seks, de drugs en de rock & roll vormen respectievelijk de delen 3, 4 en 5 van de Pontiac Review, de bundelingen van Pontiacs thematisch geordende verzamelde werk. Het deze zomer verschenen deel De pen en het zwaard omvat Pontiacs politiek getinte werk. Pontiac: 'Die titel is ontleend aan een kort verhaal van Rilke. Ik hou van tekeningen die met het zwaard zijn gemaakt. Toen ik voor het eerst tekeningen zag van Bernard Holtrop, die tekent onder het pseudoniem Willem, of van oudere politieke tekenaars als Hahn en Jordaan, wist ik meteen dat ik zulk soort tekeningen ook wilde maken.
Verder ben ik natuurlijk ook beïnvloed door de opgeschoren Kick Wilstra-lulligheid van de jaren vijftig. Op het Lowlands Festival voelde ik me soms ineens een oud krom mannetje, tussen al die gespierde jeugd. Stiekem zag ik dan allemaal kleuters om me heen. In mijn werk steek ik trouwens niet onder stoelen of banken dat ik een ouwe lul ben - en een gefnuikt gymnasiast natuurlijk, met alle bijbehorende Latijnse citaten van dien. Die haal ik overigens vaak uit de Essais van Montaigne. Zijn boeken zijn fantastisch om te lezen. Het is dan net of je op bezoek bent bij een vriendelijke, erudiete oude heer. Tijdens het praten springt hij voortdurend op en grijpt weer een boek uit zijn onuitputtelijke bibliotheek, om je iets te laten zien, of om je er iets uit voor te lezen.
Ik had vroeger een vriend, die sprak in dit verband altijd van “herenclub houden”. Hij had een dokterstas vol Rimbaud, Slauerhoff, Bilderdijk, verf, schetsboeken, grammofoonplaten, een oude trompet, jenever van Van Wees en ander roesgif. Daarmee stond hij, meestal diep in de nacht, ineens bij je voor de deur, voor een beschaafd gesprek. Die tas had hij thuis permanent klaar staan, met nieuwe boeken, bijgevulde jenever en al. Hij leeft nu niet meer, hij is al jaren geleden gestorven aan de leverkwaal die hij aan het roesgif had overgehouden.“

OP 11 OKTOBER krijgt Pontiac tijdens de Stripdagen in Breda de Stripschapsprijs uitgereikt. Ondanks de haast onoverkomelijke naam is de Stripschapsprijs de belangrijkste Nederlandse oeuvreprijs op dit gebied. Eerdere winnaars waren onder meer Marten Toonder, Hans Kresse en Kamagurka.
Pontiac: 'Ik moet nu natuurlijk zeggen dat ik aangenaam verrast ben en zo is het ook wel. Maar eerlijk gezegd ben ik er niet echt met mijn hoofd bij. Mijn moeder ligt op sterven. Het is een griezelige yin-en-yang-ervaring dat ik nu die prijs krijg. Aan de ene kant het wereldlijke succes en aan de andere kant de doodsstrijd van mijn moeder, waardoor ik meteen ook word gewezen op de betrekkelijkheid en de nietswaardigheid van dat succes.’
Pontiac voelt zich geen striptekenaar pur sang. 'Ik ben meer een tekenaar en schilder die zich af en toe aan een strip waagt. De stripwereld is me wel dierbaar. Vergeleken met wat ik weet van de wereld van de echte beeldende kunst, vormen stripmakers een veel prettiger genootschap. Dat komt misschien ook doordat strips nooit serieus worden genomen. Er zijn wel mensen die proberen strips uit het verdomhoekje te halen, maar daar heb ik niet per se behoefte aan.
Toch moet ik zeggen dat ik wel gevoelig was voor wat een kunstmevrouw vorig jaar in de Volkskrant schreef over mijn schilderij De kindermoord. Aart Clerkx, een bevriende tekenaar, wees me erop. Hij zei: "Nou, dat is echt een bekende kunstmevrouw.” Ze schreef dat mijn schilderij (geaffecteerd:) “alleszins virtuoos” was. Dan zit ik me stiekem wel te verkneukelen. Ze schreef niet: een modderige amateurpoging of zoiets. Dat had voor mij net zo goed gekund; ik loop niet over van gevoelens van eigenwaarde. Bij elke tekening van mezelf die ik terugzie denk ik: “Oei, daar heb ik de grens van mijn kunnen weer te vroeg bereikt.” Ik zie dus bij mezelf eigenlijk overal falen. Falen, falen…’

BUITEN IS HET inmiddels helemaal donker. De vogels zijn stil geworden. 'Als ik aan zo'n Review werk, zijn er ook heel veel dingen die ik eigenlijk zou willen veranderen, nog stiekem even. Net als Manet - met wie ik me verder natuurlijk absoluut niet wil vergelijken. Die had altijd een klein zakpaletje bij zich waarmee hij, tot in musea toe, voortdurend dingetjes op zijn schilderijen probeerde bij te werken.
Zo heb ik, als ik aan het werk ben, ook altijd het gevoel dat er iets of iemand meekijkt. De Grafische Inquisitie. Die alles wat ik doe, ziet en het minacht. Die zegt: “Moet je nou toch kijken, die Pontiac weer, wat een gepruts.” Die me op die manier als een roedel wolven voortjaagt… Zo heeft hij ook zijn nut natuurlijk, maar ik kan hem wel wurgen, soms. Het is niet aan een persoon gekoppeld; ik ken zijn naam niet. Het is een vormeloze entiteit, maar soms kan ik hem bijna zien… Dan kan ik hem bijna tekenen.’