Rockefellers honger

DE VERSCHIJNING van een boek dat in de pers geprezen wordt als ‘de definitieve biografie van John D. Rockefeller’ is op zich al opmerkelijk. ‘JDR’, zoals hij kortweg genoemd werd, was immers de eerste dollarmiljardair, de patriarch van de beroemdste Amerikaanse dynastie en misschien wel de meest controversiële zakenman aller tijden. Maar dat het boek verschijnt net nu het debat over de monopolistische praktijken van Bill Gates’ Microsoft naar een climax gaat, maakt de auteur van het boek, Bill Chernow, dolgelukkig. De Microsoft-controverse heeft de verkoop van zijn boek boven alle verwachtingen getild. ‘De gelijkenis tussen Gates en Rockefeller is opvallend’, zegt hij stralend. ‘Ze zijn beiden prototypes van de boy wonder, de self-made man. Ze verwierven beiden controle over negentig procent van hun sector en werden beiden beschuldigd van monopolievorming en oneerlijke concurrentie. Maar olie en software zijn wel totaal verschillende producten. En Rockefeller bewoog zich in een heel ander zakenklimaat dan Gates. Er waren geen regels. Rockefeller was veel brutaler.’

CHERNOWS KANJER is lang niet het eerste dat over JDR werd geschreven. Maar in eerdere biografieën werd de man volgens Chernow gereduceerd tot een stereotype. Sommige verheerlijken hem als een product van de protestantse arbeidsethiek, andere karikaturiseren hem als een vraatzuchtig monster. Het werk van eerdere biografen werd ook bemoeilijkt doordat JDR zo graag in de schaduw opereerde en zo weinig mogelijk aan de openbaarheid prijsgaf. In heel zijn leven gaf hij slechts twee interviews.
Maar Chernow, die eerder faam verwierf met een biografie over de financier J.P. Morgan, kreeg ongelimiteerde toegang tot alle privé-documenten van de Rockefeller-familie. ‘JDR’s zoon David was zo behulpzaam dat ik er achterdochtig van werd’, vertelt hij.
In zijn boek probeert hij de mens achter de stereotypen te ontdekken en zowel de bewonderswaardige als de verachtelijke kanten van zijn karakter in de verf te zetten. Heeft hij na zijn jarenlange research sympathie gekregen voor de koudbloedige JDR? 'Ja’, antwoordt hij. 'Het is een haat-liefdeverhouding. Hij had het beste en het slechtste van de menselijke natuur in zich.’
Geld speelt vanzelfsprekend een hoofdrol in het verhaal van Rockefeller. 'Toen hij een kind was’, schrijft Chernow, 'kocht hij snoep per pond, verdeelde hij het in kleine porties en verkocht hij die met een flinke winst aan andere kinderen.’ Als opgroeiende jongen zag hij zijn moeder voortdurend piekeren over geld. En zijn vader kende maar één manier om zijn affectie te tonen: met bankbriefjes wuiven. Zijn moeders angst voor geldtekort werd ook de zijne; zijn honger naar de liefde van zijn vader werd geldhonger. Geld kreeg nog meer emotioneel gewicht voor hem toen hij verliefd werd op Laura Spelman. Haar vader, een rijke handelaar, weigerde hem haar hand omdat hij niet genoeg verdiende. Negen jaar lang maakte hij Laura het hof terwijl hij intussen het fortuin vergaarde dat hem een waardige schoonzoon maakte. Geen wonder dat zijn geldlust nooit bevredigd raakte en dat respect voor hem een koopwaar werd.
Chernow zoekt de sleutel van Rockefellers karakter in zijn jeugd. Zijn moeder, Eliza, was een strenge, diepreligieuze vrouw. Orde, zuinigheid en voorzichtigheid waren de deugden die ze haar zoon inprentte. Van zijn vader leerde hij vooral hoe hij niet wilde zijn, al erfde hij wel zijn eigenzinnigheid en paternalisme.
'Big Bill’, zoals zijn pa genoemd werd, is een boek op zich waard. Hij was een bon vivant die aan de kost kwam als kwakzalver of 'botanische genezer’, zoals hij zichzelf noemde. Hij schuimde het platteland af met een groot vat zelfgemaakt 'medicijn’ dat hij aan goedgelovigen verpatste als een wondermiddel tegen alle kwalen, van zweetvoeten tot kanker.
Hoewel Big Bill een aardige duit verdiende met zijn handeltje, kende het gezin bittere armoede. Terwijl pa maandenlang de hort op was, raakte het geld in zijn gezin telkens op. En dan kwam Big Bill thuis en was het feest. Hij had nieuwe paarden en nieuwe kleren en hij smeet met geld. Hij bedroog zijn vrouw, soms in het geniep, soms openlijk. Op zeker ogenblik moest er in het al veel te kleine huis van de Rockefellers plaats worden gemaakt voor de bijzit van pa, die hij even regelmatig zwanger maakte als zijn eigen vrouw. Na veel verhuizen liet Big Bill een mooi huis voor zijn gezin bouwen in Cleveland. Daarna vertrok hij naar Philadelphia waar hij opnieuw huwde en een nieuw gezin begon. Maar nog tientallen jaren bleef hij onverwacht opduiken in Cleveland.
Voor zijn zoon was die situatie diep vernederend. Volgens Chernow hield hij er een neiging tot geheimdoenerij aan over die hij zijn leven lang bewaarde, zowel in zijn privé-leven als in zijn zakenpraktijken.
De vrouw die John Rockefeller huwde, was in vele opzichten een kopie van zijn moeder. Laura Spelman, 'Cettie’, was net als Eliza Rockefeller vroom (John leerde haar kennen in de kerk), sober en deugdzaam. Als echtgenoot en vader was John de tegenpool van zijn vader. Hij was trouw (pas als bejaarde man had hij moeite om zijn handen van de vrouwen te houden) en zorgzaam en hij bracht zo veel mogelijk tijd door bij zijn vrouw en vier kinderen. Chernow reconstrueert de sfeer in het Rockefeller-gezin tot in detail. Ondanks hun rijkdom vonden John en Cettie dat hun kinderen ontbering nodig hadden, want dat staalt het karakter. De kinderen moesten een fietsje delen. 'Ik ben zo blij dat mijn zoon me verteld heeft wat hij voor zijn kerstdag wil’, vertelde Cettie aan een buur, 'want nu kan ik het hem ontzeggen.’
HET GROOTSTE deel van het boek gaat natuurlijk over JDR’s zakencarrière. Het begin daarvan is interessant maar niet ongewoon. Echt boeiend wordt het wanneer hij zich op de pas ontloken oliesector werpt. Dat gebeurde in 1862, drie jaar na de ontdekking van olie in Pennsylvania. Olie werd gezuiverd tot kerosine of lampolie. De vraag ernaar was gestegen door de burgeroorlog, de industriële expansie die erop volgde en de uitputting van walvisolie, tot dan de brandstof voor lampen. Maar het aanbod steeg nog sneller dan de vraag doordat op vele plaatsen olie werd ontdekt en er veel te veel raffinaderijen werden gebouwd. De olieprijs zakte in enkele jaren van twaalf dollar naar 2,40 dollar per vat. Toch bleef het aantal producenten groeien.
Rockefeller, die vreesde dat hij al zijn oliewinsten zou verliezen, begon te twijfelen aan Adam Smiths 'onzichtbare hand’ en vervloekte het 'moordende concurrentiesysteem’. 'Zoals Karl Marx’ - dixit Chernow - 'droomde hij ervan om het te vervangen door coöperatie’ - onder zijn verlichte leiding, wel te verstaan.
Hij had zich toen al opgewerkt tot de grootste en efficiëntste raffinadeur in Cleveland. Hij probeerde niet simpelweg zo veel mogelijk olie op de markt te gooien; hij was de eerste die investeerde in tankwagens, die hij verhuurde aan de spoorwegmaatschappijen waardoor deze afhankelijk van hem werden. Hij was de eerste die aan de oostkust olietanks liet bouwen voor de uitvoer van kerosine naar Europa. Hij was de eerste in zijn sector die zijn kapitaalbasis vergrootte door een aandelenmaatschappij te vormen. Hij was de eerste die constant technologische vernieuwing nastreefde om de kosten te drukken. Hij was de eerste die verticale integratie in zijn sector doorvoerde - van ontginning tot afgewerkt product. Hij was de eerste die zijn olie verkocht onder een merknaam die consumenten een constante kwaliteit garandeerde (vandaar de naam van zijn firma: Standard Oil). Hij was de eerste die korting van de spoorwegmaatschappijen afdwong in ruil voor een regelmatige vracht.
Zijn grootste coup was een geheim akkoord dat hij in 1872 afsloot met de drie grote spoorwegmaatschappijen. Het akkoord bepaalde dat de spoorwegen hun tarieven voor olietransport scherp zouden verhogen maar Standard Oil een enorme korting zouden geven. Standard Oil kreeg bovendien een premie voor elk vat olie dat zijn concurrenten via de spoorwegen transporteerden. De bedoeling was duidelijk: Rockefellers concurrenten de grond in boren. Wat de spoorwegen daarbij wonnen, was een ordelijke markt met een grote, voorspelbare klant die hen beschermde tegen interne concurrentie.
Rockefellers concurrenten waren natuurlijk woedend. Hun protest werd een regelrechte revolte die de oliestreken in rep en roer zette. De politieke druk werd zo groot dat het akkoord na enkele maanden al werd opgedoekt. Maar intussen had Rockefeller zijn slag geslagen. Onder zijn concurrenten in Cleveland was de angst het onderspit te delven zo groot dat hij 22 van de 26 kon opkopen, de meeste voor een appel en een ei. In hun verkoopcontracten moesten ze bovendien beloven dat ze voor altijd uit de oliebusiness zouden blijven.
Deze episode, die de geschiedenis in ging als 'het bloedbad van Cleveland’, maakte van Standard Oil zo'n mastodont dat JDR een wurgende greep op de oliesector kreeg. Hij gebruikte daartoe allerlei middelen. Zo kregen winkels die andere olie dan Standard Oil verkochten, plots een door Standard Oil gefinancierde concurrent naast de deur, wiens koopwaar lager geprijsd was.
IN 1877, VIJFTIEN jaar nadat hij zijn eerste raffinaderijtje kocht, had JDR negentig procent van de oliemarkt onder controle. Hij dwong de meeste van zijn resterende concurrenten deel te nemen aan een oliekartel waarin hij het voor het zeggen had. Het was een voorloper van de Opec en legde productiequota op om de prijs te beschermen.
Daarna groeide Standard Oil min of meer op de automatische piloot. JDR breidde zijn imperium uit naar andere sectoren zoals staal, spoorwegen en banken. Hij werd steeds rijker, maar begon zich te vervelen. In 1896 trok hij zich terug uit het actieve zakenleven, net toen de auto-industrie van start ging. Dankzij de vraag naar olie die de auto meebracht, groeide zijn fortuin nog sneller. Toen hij op zijn lauweren ging rusten, bezat hij tweehonderd miljoen dollar (3,5 miljard in huidige dollars), in 1913 bezat hij een miljard dollar - 285 miljoen meer dan de Amerikaanse begroting in dat jaar.
Rockefeller had geen schuldgevoelens over de brutale methoden waarmee hij zijn fortuin had verdiend. Hij noemde zichzelf een door God gezonden redder van de olie-industrie. De meeste Amerikanen dachten daar anders over. Sinds het 'bloedbad van Cleveland’ had hij de reputatie van een roofdier en zijn latere succes maakte dat nog erger. Rond de eeuwwisseling was hij de meest gehate man in Amerika. De druk om zijn imperium op te breken werd steeds groter. In 1911 werd Standard Oil op last van het Hooggerechtshof opgebroken. JDR leed daar geen schade door. Hij behield een kwart van de aandelen van Mobil, Chevron, Exxon en de 31 andere bedrijven waarin zijn imperium werd opgesplitst. Zijn fortuin bleef groeien. Maar zijn kwalijke reputatie knaagde aan hem. Hij was een der eersten die public relations-specialisten in dienst nam om zijn imago op te poetsen. En hij wijdde zich met hart en ziel aan goede werken. Ook dat deed hij zoals niemand het voor hem had gedaan. Niet alleen gaf hij enorm veel weg, hij was ook de eerste die filantropie op een zakenleest schoeide.
Een nieuwe deuk liep de Rockefeller-reputatie op door het 'Ludlow-bloedbad’. Deze keer vloeide er echt bloed. In 1913 brak een staking uit bij CFI, een kolenmijn in Colorado waarvan JDR de hoofdaandeelhouder was. Meer dan 11.000 mijnwerkers eisten betere werkomstandigheden - dat jaar alleen al waren 464 mijnwerkers gedood of verminkt door mijnongevallen - en erkenning van hun vakbond. De bedrijfsleiding weigerde te onderhandelen en zond een privé-leger, die de stakers uit hun huizen zette. De stakers trokken zich terug in een tentenkamp en hielden vol, ondanks sneeuwstormen en beschietingen door CFI’s privé-leger. Op een ochtend overviel dat leger het kamp. Eerst beschoten ze het met machinegeweren, daarna staken ze het in brand. Er vielen vele doden, waaronder twee vrouwen en elf kinderen. JDR speelde hier geen rechtstreekse rol in maar hij haatte vakbonden en minachtte arbeiders, die volgens hem hun lonen verkwanselden aan whisky en sigaretten. Voor zijn zoon John junior, die het bloedbad verdedigde, had hij niets dan lof.
De storm van protest die in heel het land opstak, maakte echter grote indruk op John junior, die geleidelijk omboog naar een gematigder koers. Maar daar had JDR niets meer mee te maken. De patriach trok zich terug en overleed in 1937.
IS BILL GATES te vergelijken met de meedogenloze DR? De woorden van een concurrent van JDR tijdens het 'bloedbad van Cleveland’ - 'we moesten verkopen of we zouden verpletterd worden’ - krijgen een echo in wat Harvard-professor Andrew Shapiro zei over de software-industrie: 'Het basispatroon is opgekocht worden door Microsoft of bankroet gaan.’ En zoals JDR een premie afdwong voor alle olie die de spoorwegen transporteerden, dwong Microsoft een premie af voor elke verkochte PC. Moet Microsoft net als Standard Oil worden opgebroken? Chernow is er niet zo zeker van. 'De eenheid die Microsoft oplegt in software vergemakkelijkt de communicatie’, zegt hij, 'Rockefeller had niet helemaal ongelijk. Concurrentie is niet altijd voordelig voor de consument.’