Rodaan Al Galidi, De maat van de eenzaamheid

Rodaan de denker, de voeler

ze wisten niet dat ik deze winter niet haalZe wisten niet dat ik deze winter niet haalen dat mijn dagen zijn geteld.Ze praten over hun dagelijks levenen zien niet dat de kleur van mijn huid valten dat ik de adem nauwelijkskan overtuigen in mij te komen.‘Ik sterf’, fluister ik moeizaam.‘Wij ook’, babbelen ze.Als Rodaan genoeg was,had ik ze allang ingeruildvoor de eenzaamheid.

Poëzie komt voort uit de diepste zielenroerselen van de dichter en de geconcentreerde taal stelt hem ertoe in staat zijn gevoelens op zodanige wijze te uiten dat het hart van de lezer geraakt wordt. Zie hier een poëzieopvatting die onder avant-gardistische dichters en literatuurvorsers al ruim een eeuw geleden in diskrediet is geraakt. Het gedicht werd een ding dat los zou staan van de maker, een constructie die de geldigheid van de taal onderzocht of een gereedschap om ideologische concepten te ondermijnen, en in alle gevallen werd het gedicht geacht bij de lectuur krachtig weerstand te bieden. Het was zeker niet de bedoeling dat de lezer zich met tranen in de ogen aan de voeten van de dichter wierp.

Bloed kruipt waar het niet gaan kan. Naast de hardcore modernisten en postmodernisten bleven vele dichters romantische poëzie schrijven, voor een publiek dat er nog steeds hartstochtelijk naar verlangt ontroerd te worden. Sentimenteel gedoe? Mogelijk, maar er is een markt voor, en er zijn slechtere bezigheden dan zwijmelen bij toegankelijke poëzie.

Rodaan Al Galidi (Irak, 1971), die nu bijna vijftien jaar in Nederland woont, debuteerde in 2000 als dichter, waarna hij zich heeft ontwikkeld tot publiekslieveling. Hij kreeg diverse prijzen, werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs, is een graag geziene gast op festivals en blijft productief als dichter en prozaïst. Zijn poëzie onderscheidt zich in zoverre van die van de meeste van zijn collega’s dat ze meteen bij eerste lezing (of voordracht) begrijpelijk is, schaamteloos emoties benoemt en geenszins terugdeinst voor autobiografische details. Typisch poëzie zoals ze beoefend wordt door duizenden amateurs, zou men zeggen, ware het niet dat Al Galidi opvalt door zijn ongebruikelijke achtergrond. Heeft hij zijn literaire reputatie soms daaraan te danken?

Wanneer je De maat van de eenzaamheid – je moet het maar durven, zo’n titel – doorbladert is het niet moeilijk het ene cliché na het andere aan te wijzen:

’s Avonds kijk ik naar de hemel,

zie de sterren

en besef hoe rijk ik ben.

In een ander gedicht zegt de spreker dat ‘niet wakker worden uit een droom/ minder erg is dan niet kunnen slapen/ in een nachtmerrie’. Larmoyant is een lijkzang, om dat oude woord maar eens te gebruiken, die er geen doekjes om windt:

Ik zal een gedicht over je schrijven van lang, lang huilen.

Ik zal, gestoken door het onbarmhartige mes van het bestaan, kruipen over zinnen

en een gedicht schrijven dat tranen en ogen bloedt.

Diepe treurnis ongetwijfeld, maar enige stilering of metaforische inventiviteit had geen kwaad gekund. Ik heb er geen behoefte aan mee te snotteren om het verlies van een vrouw die ik niet heb gekend.

Toch is er iets in Al Galidi’s poëzie dat intrigeert en zich pas bij herhaalde lezing blootgeeft. De dichter heeft een voorkeur voor de allegorie, de oeroude kunstgreep waarbij men een verhaal op verschillende niveaus kan lezen doordat de erin optredende figuren gepersonifieerde abstracties zijn of doordat een centrale metafoor de gehele tekst beheerst. Dichters als Toon Tellegen en Mark Boog bedienen zich graag van dit middel. Zo ook Al Galidi, die aan de lopende band allegorieën construeert. Typerend is een gedicht over een hond waarvan de eigenschappen worden opgesomd, totdat het dier blijkt te staan voor ’s dichters hart. De hond ‘bijt niet,/ is gehoorzaam’. Ik kan hem niet zomaar alleen thuislaten, aldus het baasje, maar vaak vraagt hij zich af ‘wat ik met een hond moet/ in een harde, haastige wereld als deze’. Hij biedt het dier gratis aan en besluit het gedicht als volgt:

Maar zeg alsjeblieft niet

dat deze hond

het hart van Rodaan was.

Dit is een vervelend, want gemakzuchtig en eenduidig, gedicht. Het wordt pas interessant als de allegorie ontspoort en een eigen leven gaat leiden, waardoor het beeld en het verbeelde niet meer helemaal op elkaar passen. Zodra er iets gaat wringen, wordt er spanning opgebouwd. Een aardig voorbeeld is een gedicht over een ui in de keuken van een verlaten huis. Het bol­gewas ‘voelde de lente in de lucht/ en herhaalde de enige drie woorden die hij kent:/ “Ik, ik, ik.”’ Hij ziet zichzelf aan voor het water en de grond en ‘groeide uit het verdwijnen van zijn binnenkant’. Verrassend genoeg constateert de dichter:

Hij kan mij meer overtuigen

om verder te gaan in mijn leven

dan een professor aan de universiteit van Leiden.

De eenzame, maar ook narcistische ui die zichzelf uitholt om tot bloei te komen, is een vreemd en navrant beeld voor de ontheemde dichter op zoek naar de mogelijkheden tot ontplooiing van zijn persoonlijkheid. Wat valt er nog te ontplooien als er geen kern meer is?

Daarin schuilt de voornaamste thematiek van Al Galidi, die zichzelf in een aantal gedichten als ‘Rodaan’ aanspreekt. Hij neemt afstand van zichzelf, objectiveert zijn identiteit tot er niets van overblijft. De psychologische term daarvoor is dissociatie. In de bundel worden emoties verwoord, maar het is niet duidelijk aan wie die eigenlijk toebehoren. ‘Ik vermoord ze allemaal’, zegt de dichter, ‘als een bliksemschicht grijp ik ze’, want ze ‘hebben mij duizenden keren vermoord’. Wie zijn ‘ze’? ‘Ik begin met Rodaan de mens,/ dan Rodaan de denker, de voeler,/ de twijfelaar, de laffe, de stille’. Maar wie is dan die ‘ik’? Om die vraag draait deze bundel.


Rodaan Al Galidi, De maat van de eenzaamheid, De Bezige Bij Antwerpen, 64 blz., € 19,95