Opera: Peter Grimes

Roddels rond de dorpspomp

De prachtige opera «Peter Grimes» van Benjamin Britten beklijft uiteindelijk niet. Debet is een al te plat realisme en een gebrek aan verbeeldingskracht.

Wat een verademing als een operazanger kan acteren. Kim Begley, die de hoofdrol vertolkt in Peter Grimes van Benjamin Britten, werkte ruim tien jaar als acteur bij onder meer de Royal Shakespeare Company. Gezien zijn prachtige tenor is het een gelukkige beslissing geweest zich tot zanger om te scholen. En alles bij elkaar heeft Begley dus de perfectie combinatie van talenten in huis voor een interessante operacarrière.

Het toeval wil dat Begley in Peter Grimes juist een knoertige zeebonk moet spelen. Zo'n boom van een kerel die zich met zijn figuur geen raad weet, niet weet waar hij zijn handen moet laten en al helemaal niet waar hij heen moet kijken. Maar warempel, Begley blijkt zijn hoofd op zijn romp te kunnen draaien en zijn armen te kunnen bewegen. Zo zet Begley op het scherp van de snede een fascinerende Peter Grimes neer. Een stijve hark met subtiele trekjes.

Peter Grimes is een dorpsdrama, vergelijkbaar met Janáceks Kátja Kabanová, waarin een enkeling de vijandige gemeenschap tegenover zich vindt. Waar deze massa in Kátja Kabanová vaak een grimmige en angstaanjagende gedaante aanneemt, is Peter Grimes veel oubolliger. Roddels rond een dickensiaanse dorpspomp. De muziek is ronduit schitterend. Met ingetogen grijstinten schetst Britten de sfeer in een dorp aan de Engelse kust. Zijn muziek is beweeglijk en verfijnd terwijl ook in de tutti’s de orkes tratie glashelder blijft. Als minpuntje moet worden aangevoerd dat Britten op de meest dramatische momenten geen eigen idioom ter beschikking heeft en wel erg sterk op Verdi en Puccini leunt. En hoe mooi dat ook is, als je beseft dat deze opera in 1945 in première ging, wekt dat ook enige bevreemding.

De muziek volgt zo nauwgezet de handeling dat er af en toe sprake is van een al te letterlijke illustratie van de tekst. Met het risico dat, zoals tijdens de première in het Amster damse Muziektheater gebeurde, iemand een klap in het gezicht krijgt die asynchroon is met de oplawaai die in de orkestbak wordt uitgedeeld. Het is typerend voor het hyperrealisme van veel Engelse kunst — of het nu theater, film of beeldende kunst betreft.

Ook de Amerikaanse regisseur Francesca Zambello houdt in haar enscenering vast aan een zeer waarheidsgetrouwe benadering. In ietwat onhandige choreografieën zien we mannen de boten binnenslepen, terwijl de vrouwen de netten boeten. Ook de decors zijn getrouwe kopieën van de plaatselijke entourage — zij het met een hoog bordkartongehalte. Gerafelde doeken verbeelden de woeste wolkenlucht, een expressionistisch achterdoek de dreigende zee. Bij Zam bello geen rondtollende vloeren of kantelende pilaren. In een haast aandoenlijk eenvoudige setting probeert ze tot de kern van het drama door te dringen.

Slaagt ze daar ook in? Ja en nee. De dramatische hoogtepunten zijn buitengewoon ontroerend. Of het nu gaat om Ellen, die beseft dat Grimes tegen beter weten in zijn hulpje weer slaat of om Grimes zelf, die het naakte jongenslijkje wanhopig tegen zich aandrukt — Zambello heeft een onopgesmukte aanpak die de emoties zo puur mogelijk wil tonen. Het probleem is dat tussen deze aangrijpende confrontaties steeds erg lange koorscènes, recitatieven en tussenspelen zitten die een ernstige aanslag plegen op de dramatische spanning.

Toegegeven, de muziek is mooi. Edo de Waart haalt met het Nederlands Philhar mo nisch Orkest het onderste uit de kan. La ve rend tussen fijnzinnige miniatuurtjes en opzwepende klankerupties zet hij een uitstekende uitvoering neer. Toch beklijft het niet. Debet is dat al te platte realisme. Iets meer verbeeldingskracht zou wonderen doen.

De Nederlandse opera, Peter Grimes. Muziektheater Amsterdam, t/m 29 december