Een linkse prins-gemaal

Rode Claus

Een Franse krant noemde hem volmondig een «linkse prins-gemaal». Begin jaren tachtig omschreef hij zichzelf weliswaar als «een politieke hybride», maar de politieke opvattingen van prins Claus waren overduidelijk niet rechts.

De Engelse prins-gemaal Philip zei ooit: «Ik heb geen enkel speciaal talent en geen enkele ambitie.» Al decennia lang ervaart Philip zijn baan en positie als «paradijselijk». Ook in het buitenland toont hij zich louter als ornament, dat soms schaamteloos onnozel uit de hoek komt. In Australië vroeg hij eens belangstellend aan enkele Aboriginals, in zijn uiterst keurige Britse accent: «En… gooien jullie nog altijd speren naar elkaar?»

Een groter contrast met prins Claus is niet denkbaar. De Nederlandse prins-gemaal van Duitse afkomst was een intellectueel die juist ijverde voor de erkenning van de waarde van andere culturen en voor de versterking van de culturele identiteit van landen die men rekent tot de Derde Wereld. Het beroemde afwerpen van de stropdas als een keten gebeurde niet toevallig in het kader van een prijsuitreiking aan Afrikaanse modeontwerpers. Claus was wat VVD-ideoloog Paul Cliteur een «cultuurrelativist» noemt, een «typisch product van de jaren zestig en zeventig», in Cliteurs verwijtende woorden.

Al vroeg in de jaren zeventig werd duidelijk dat het Claus vooral ging om de ontwikkelingen in de Derde Wereld. Tijdens een Unctad-symposium in 1972 verklaarde hij dat «radicale maatregelen» onontkoombaar waren. Claus: «Goede wil is de laatste jaren nu wel genoeg geuit.»

De Telegraaf maakte hem onmiddellijk uit voor «rode Claus», en schreef in een hoofdcommentaar: «In Den Haag is men van mening dat de adviseurs van de prins er ten onrechte van uitgaan dat hij zich populair zou maken door het verlenen van subsidies aan linkse actiegroepen.» Maar Claus liet zich vooralsnog niet uit het veld slaan. Twee jaar later gaf hij een interview aan Het Vrije Volk. Daarin hield hij een ongeremd pleidooi voor arbeidstijdverkorting, benadrukte de noodzaak van een verstandige bevolkingspolitiek («als die niet wordt gevoerd, dan kun je het wel vergeten») en zei over de bekende klacht dat ontwikkelingsgeld te vaak wordt verspild: «Als al het geld zo nauwkeurig werd besteed als ontwikkelingsgeld, was er weinig te klagen.»

In hetzelfde interview stelde Claus onomwonden: «…onaanvaardbaar dat we hier met voedseloverschotten zitten terwijl de mensen aan de andere kant van de wereld aan tekorten sterven. Dat is een absurde situatie…» De interviewer constateerde daarop: «Waar je natuurlijk weinig aan doet door een boterham minder te eten.» Claus stemde daar niet mee in: «Dat is niet helemaal waar. Ik vind dat een wezenlijk aspect van de opvoeding. Dat mijn kinderen eten weggooien komt niet voor. Ik wen ze er nu al aan dat ik niet accepteer dat in mijn huis brood wordt weggegooid. Ik vind dat een kwestie van morele hygiëne en geloof dat je dat je kinderen heel duidelijk bij moet brengen.»

Het beeld van de prins was daarna voor jaren gevormd. Het etiket «rood» zou hem blijven aankleven, niet in de laatste plaats omdat Avro’s Wibo van der Linde op dit aambeeld bleef hameren, in varianten als «rode Feldwebel» en zelfs «cryptocommunist». De onvermijdelijke Henk van der Meijden ging zelfs zo ver in zijn Privé-kolommen te vermelden dat cassis favoriet was bij de prins, «een rood drankje dat er bij Claus goed in lijkt te gaan». De Oranjespecialiste Schenk, die Claus in die tijd maandenlang volgde op kennismakingsreis door Nederland, concludeerde later: «Je had van die verhalen dat hij erg links was. Nou ja, die klopten ook!»

Zijn vriendschap met Jan Pronk stamt uit deze tijd. Toch was het juist deze PvdA-minister die de prins in 1974 met nadruk adviseerde terug te treden als voorzitter van de Nederlandse Commissie Ontwikkelingsstrategie. Deze «commissie-Claus» probeerde een draagvlak in de samenleving te creëren voor ontwikkelings samenwerking. Het voorzitterschap ervan was een serieuze baan, die het kabinet-De Jong in 1970 aan de prins schonk. In een persbericht dat maandagochtend na het overlijden van de prins werd verstuurd, vermeldt het ministerie van Buitenlandse Zaken foutief dat Claus voorzitter is gebleven tot 1980, wat natuurlijk ook de bedoeling was van een commissie met de ondertitel «Ontwikkelingsstrategie 1970-1980». In werkelijkheid gaf Claus in 1974 gehoor aan het advies van Pronk. Het werd de linkse regering te heet onder de voeten. Pronk, vijftien jaar later: «Zowel bij Claus als bij het kabinet speelde de wens dat hij een politiek minder gevoelige functie zou krijgen. Die verhalen in De Telegraaf speelden daarbij natuurlijk een rol. Maar ook het besef dat het NCO-werk, de bewustwording, een puur politieke zaak was.»

De prins kreeg het voorzitterschap van de veel minder politiek beladen Stichting Nederlandse Vrijwilligers. Bovendien werd hij in zijn publieke optreden voorzichtiger. P. Jeuken, die destijds in de NCO-commissie zat, kwam hem een paar jaar later tegen in die nieuwe functie, en herinnerde zich: «Het swingende dat-ie bij de NCO had, dat was weg.» Nu zegt Jeuken over zijn tijd met Claus in de commissie: «Hij was een vrije denker, met uitgesproken ideeën. Het treurige voor hem, maar ook voor ons, was dat zijn constitutionele positie het niet toestond tot het gaatje te gaan in de discussie. Na zijn vertrek, dat ik betreurde maar begreep, kon dat wel. Dat was prettig, natuurlijk, maar we misten hem ook, vanwege zijn persoon en om zijn gezag.»

Claus’ politieke houding werd onduidelijker. In 1982 hield hij in een opvallende speech ten overstaan van de buitenlandse persvereniging een interview met zichzelf. Hij memoreerde dat een keurige Franse krant hem een «linkse prins-gemaal» had genoemd en stelde zichzelf de vraag hoe dat zat. Hij verklaarde dat de begrippen rechts of links hem weinig aanspraken: «Ik ben een soort mengsel, een politieke hybride.»

Als iemand het zelf zegt, kun je niet veel anders dan het aannemen. Toch gaf Claus nog af en toe zijn mening, in een lezing of een interview, ook over politieke aangelegenheden, en zijn opvattingen bleken nog altijd «links», of de prins nu zelf van dat predikaat hield of niet. Binnenskamers gaf hij zijn mening onverbloemd. Zijn vrienden Pronk en de Duitse oud-ambassadeur Von der Gablenz geven in deze dagen na zijn dood toe dat Claus kritisch was over de Golfoorlog, dat hij tegen grootschalige bombardementen op Kosovo was en dat hij zich ergerde aan de unilaterale houding van Amerika.

Een van zijn meningen lekte uit na een bezoek van de zwarte dominee Jesse Jackson, in hetzelfde jaar als het eigenhandig afgenomen interview waarin Claus zichzelf een «politieke hybride» noemde. De zwarte presidentskandidaat bleek niet op de hoogte van het protocol en verklapte argeloos dat Beatrix en Claus, net als hij, gekant waren tegen plaatsing van kruisraketten op Nederlands grondgebied. Grote opschudding was het gevolg, zeker omdat de plaatsing van kruisraketten op dat moment het meest heikele politieke punt in Nederland was. En de regering was vóór. Jackson trok zijn verhaal weer in.

Ook in het openbaar bleef Claus zich uitspreken, al was het minder vaak dan in de jaren zeventig. Terwijl journalisten in deze dagen de «politieke prins» in beeld proberen te brengen, hoor je zelden of nooit meer van de opmerkelijke toespraak die Claus hield in mei 1991 voor de wereldconferentie van de Society for International Development en die hij De Groene Amsterdammer destijds toestond integraal af te drukken. Het waren de hoogtijdagen van het wereldwijde optimisme over de vrije markt en het geloof in een «Nieuwe Wereldorde». Maar Claus beweerde dat de jaren tachtig niet zo prachtig waren als wel werd voorgesteld. Zo was de ongelijkheid toegenomen. «Het was een decennium van een verlammende schuldenlast, van een netto overdracht van rijkdommen van Zuid naar Noord, van een recordlaagte in de prijzen van verbruiksartikelen, en van internationale monetaire wanorde. Terecht zijn deze jaren voor een deel van de wereldbevolking het ‹verloren decennium› genoemd.»

Claus voorspelde dat de kloof tussen arm en rijk in de jaren negentig wereldwijd nog groter zou worden. Achteraf gezien blijken het profetische woorden: «Zelfs als we uitgaan van relatief optimistische veronderstellingen, zal het aantal mensen dat in armoede leeft in sommige delen van de wereld rond de eeuwwisseling groter zijn dan vandaag. (…) Er zullen raciale en etnische conflicten optreden, evenals sociale en politieke botsingen. Alhoewel we in staat zijn te anticiperen op sommige van deze spanningen en conflicten, zullen andere ons verrassen, zoals ze dat in het verleden hebben gedaan (…) Milieuproblemen kunnen niet langer worden gescheiden van problemen als de aanhoudende armoede in sommige delen van de wereld en de roekeloze overconsumptie in andere delen.» En nog vóór de privatiseringsgolf van de paarse kabinetten wijst Claus de vrije markt als remedie van de hand: «De veel bepleite ‹vrije markt› kan (…) geen oplossing bieden voor het probleem van honger en armoede, de vernietiging van het milieu of de verspreiding van vernietigings wapens. Evenmin is de vrije markt alleen in staat te reageren op legitieme aanspraken op economische rechtvaardigheid, politieke vrijheid en gelijkheid van mogelijkheden.»

Dit is geen taal van een prins die zich zorgen maakt over het leerstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid. Maar is het ook links? Dat mag de lezer zelf uitmaken, maar de overeenkomsten zijn frappant met de politieke gedachtewereld van PvdA’er Jan Pronk, die zichzelf zonder enige aarzelingen links noemt. Pronk deze week tegen de Volkskrant: «Toen ik in 1989 weer minister werd, kon ik merken dat we niet uit elkaar waren gegroeid. Claus had zeer veel kritiek op de westerse dominantie in cultureel, politiek, economisch en militair opzicht.»

In meer dan alleen politiek opzicht was Claus’ denken typisch voor de jaren zeventig. In 1973 zei hij tegen een journalist van Het Parool: «Ik houd niet van een jeugd die klakkeloos wil overnemen wat de ouderen ontworpen hebben. Als mijn kinderen dat zouden doen, dan zou ik me niet prettig voelen.» Zijn kroost heeft naar hem geluisterd. De twee die zelf hun beroepskeuze mochten bepalen, hebben gekozen voor flitsende carrières, die noch op internationale samenwerking met de Derde Wereld, noch op behoud van de natuur zijn gericht: Friso is een investment banker in de Londense City geworden; de juridisch opgeleide Constantijn werkt als bedrijfsconsulent bij een chique firma die zich weinig gelegen laat liggen aan de «algehele wereldverbondenheid» waar Claus zo vaak van sprak. Friso en Constantijn vonden de strenge ethische houding van hun vader ook weleens vermoeiend, niet in de laatste plaats voor hemzelf. Op het dieptepunt van zijn depressie kon Claus, naar verluidt, «geen chocolaatje proeven zonder de sores rond de cacao-export te proeven».