KUNST

Rode kamer

Matisse-Malevich

De eerste kunsttentoonstelling in de Hermitage Amsterdam is the proof of the pudding, een antwoord op de vraag wat de relatie met de Hermitage in Petersburg nou echt gaat betekenen. Die vraag is niet of de Russische instelling ook echt bereid is de topstukken uit de collectie van de muur te halen en uit te lenen, want die bereidheid is er - aan de tentoonstelling wordt zelfs, tijdelijk, Matisse’s Dans toegevoegd, en dat schilderij alleen al is een reis naar Petersburg waard. De vraag is meer of je met alleen de collectie van de Hermitage tot je beschikking ook wezenlijk interessante tentoonstellingen kunt maken. Dat lijkt een arrogante vraag, want de collectie is ongelooflijk groot, maar in al haar grootte is ze ook onevenwichtig. Een tentoonstelling van de Petersburgse schilderijen van Caspar David Friedrich, bijvoorbeeld, is niet meteen een Caspar David Friedrich-tentoonstelling met enige breedte of diepgang. Daar zou je meer stukken voor moeten hebben, of elders moeten lenen. Past dat in de samenwerking? In de toekomst zal een bredere oriëntatie voor Hermitage Amsterdam onvermijdelijk worden, als het op kwaliteit wil concurreren met andere musea.
Voor een tentoonstelling over kubisme en fauvisme ‘Van Matisse tot Malevich’ zijn er echter geen restricties. Gastconservator Henk van Os schrijft in zijn inleiding dat de samenstelling 'kat in ’t bakkie’ leek, maar hij voegt eraan toe dat het toch geen opgelegd pandoer van topstukken was. Voor een afgewogen discours over wat Van Os ziet als 'het cruciale moment’ in de kunstgeschiedenis, waarop kunstenaars inzagen 'dat schilderen een eigen, autonome betekenis had en niet alleen maar bestond uit het afbeelden van een al bestaande werkelijkheid’, had hij de juiste stukken voorhanden. Maar toch niet alle: de Hermitage heeft bijvoorbeeld geen Mondriaan, en die had er best bij gekund.
Van Os’ keuze is vernuftig, eigenzinnig, en zeker niet gemakzuchtig. Hij geeft tussen de Picasso’s en de Matisses de mindere goden uit de periode flink de ruimte, schilders die niet zo vaak te zien zijn, als Jean Puy, Henri Manguin, Albert Marquet en Othon Friesz, gekoppeld aan meer marginale figuren als Rouault en Soutine, en in dat overzicht is 'het cruciale moment’ op allerlei manieren terug te vinden. Sommige kunstenaars raken er alleen aan - zoals Marquet, die zeer mooie vereenvoudigde strand- en havengezichten maakte, zonder de connectie met de werkelijkheid los te laten - sommigen raken erdoor in verwarring, zoals Derain, anderen nemen de sprong, zoals Kandinsky. De Van Dongens passen er prachtig in, sterk verschillend als ze zijn; ik bleef lang staan voor zijn weergaloze Lentebloesem, een vederlichte, bijna Japanse afbeelding, waarin de kleuren bijna toevallig bij elkaar in de buurt komen, het doek overal zichtbaar blijft, en het beeld voor je ogen oplost en weer terugkeert.
Maar dan die Matisses, zestien stuks maar liefst. Hadden Van Os en de Hermitage alléén de Rode kamer meegekregen, dan nog was de tentoonstelling geslaagd: het is een briljant en overrompelend schilderij, vriendelijk en toegankelijk enerzijds, raadselachtig en over-de-kunst-zelf gaand, anderzijds. Je vóelt je ogen scherpstellen tussen 2D en 3D. Je ziet en begrijpt dat de oranje zitting van die rieten stoel, linksonder, zowel de illusie is van een zitting van een rieten stoel, als een plat oranje trapezium met wat lijntjes erin - je hebt dat 'cruciale moment’ voor ogen. En aan het eind van alles klinkt de paukenslag van het magische Zwarte vierkant van Malevich - een versie uit 1932, vooruit, kniesoor die daar wat van zegt. Die uit 1913 hangt in het Tretyakov, in Moskou.

Matisse tot Malevich. Hermitage Amsterdam, t/m 17 september. www.hermitage.nl