Kunst: Nieuwe Kunst Boekbanden

Rode kool

Het is een beknopt overzicht, met een paar bekende ontwerpen – de omslagen van Couperus’ Metamorfoze door Toorop, uit 1897, en De stille kracht door Lebeau, uit 1900 – en er wordt een snelle indruk gegeven van het voorspel, de inspiratie van de Britse ontwerpers Morris en Crane.

Titelhoofd ‘Pauwen’ bij de inleiding van Walter Crane, Kunst en samenleving (1894), met door G.W.J. Dijsselhof ingekleurde versiering. Het betreft hier een uniek ingekleurd exemplaar © Frank Jansen / Collectie Museum Meermanno | Huis van het boek

De Nederlandse ‘Nieuwe Kunst’ werd tot grote bloei gebracht door jonge kunstenaars als Joseph Mendes da Costa, Lambertus Zijl, Gerrit Dijsselhof, Theo Nieuwenhuis en Carel de Lion Cachet. De meesten van hen waren opgeleid aan de Academie in Amsterdam in de toegepaste kunsten, en allemaal bewogen ze zich in de kringen van de Beweging van Tachtig. De laatste drie – Dijsselhof, Nieuwenhuis en Cachet – werden in 1894 vlot bij elkaar geportretteerd door Isaac Israëls. Zijn rappe impressie van die jongens met hun pluizige baarden en hun kekke bolhoedjes doet niet vermoeden hoe buitengewoon getalenteerd ze waren: schilders, ontwerpers van meubels, interieurs, textiel, behang, glas-in-lood en boekomslagen in enorme productie en variatie, met een fantastische beheersing van de meest uiteenlopende materialen.

Het portretje van Israëls neemt een ereplaats in bij de tentoonstelling De Bijzondere Band in Huis van het boek | Museum Meermanno, die een fragment van die gevarieerde praktijk laat zien: het ontwerpen van boekbanden. Het is een beknopt overzicht, met een paar bekende ontwerpen – de omslagen van Couperus’ Metamorfoze door Toorop, uit 1897, en De stille kracht door Lebeau, uit 1900 – en er wordt een snelle indruk gegeven van het voorspel, de inspiratie van de Britse ontwerpers Morris en Crane. Uitzonderlijk is de aanwezigheid van een paar unieke albums die als ‘huldeblijk’ of geschenk voor het koningshuis werden vervaardigd (en kennelijk niet achter de rododendrons zijn gegooid).

In die ‘Nieuwe Kunst’ zit verscholen dat de belangstelling gericht was op de ‘oude’ kunst van de Middeleeuwen, toen de levende natuur als uitgangspunt van het ornament werd genomen. Dat bood houvast in ‘de draaikolk der neo-stijlen in de decoratie’. Men maakte zich daar zorgen over; het Maandblad van het Teekenonderwijs schreef in augustus 1885 met enige zorg ‘dat het met de kennis van de theorie van het ornament zeer treurig gesteld is. Goede definitiën, eene heldere indeeling der stof, een juist begrip van de elementaire beginselen van de hoofdwetten, welke op het gebied der decoratieve kunst te eerbiedigen zijn, al hetgeen van aanstaande leeraren zou behooren gevorderd te worden, – daarnaar werd (…) vergeefs gezocht.’ De middeleeuwse natuurvormen, de gestileerde plantaardige motieven voorop, waren bruikbaar. In de tentoonstelling is een exemplaar van het boek van A.A. Tekelenburg (Handleiding bij het Ontwerpen van Motieven naar Plantvormen ten dienste van het Onderwijs) te zien, met sierlijke instructies voor het gebruik van de bladeren van de heggewinde, de haagwinde of de oostindische kers. Lion Cachet ging een stap verder: zijn patronen voor de grote banden voor de Catalogus Oranje-Nassau (1898) hebben het vlammend donkerrood-en-wit van een doorgesneden rode kool. De Nieuwe Kunst van Cachet, Dijsselhof en Nieuwenhuis was extreem kostbaar. De albums die ze maakten zijn werkelijk middeleeuws in hun rijke materiaal – batik, perkament, messing, hout, goud –, hun verfijnde versiering en in het gevoel dat zij in het gewijde handwerk iets werkelijk unieks en nieuws tot stand brachten.


De Bijzondere Band: Art Nouveau-boeken van Dijsselhof, Lion Cachet en Nieuwenhuis. Museum Meermanno, Den Haag, t/m 23 juni, meermanno.nl