Roden en joden

De SDAP ging niet in het verzet. De NVV werkte door. De AJC, symbool voor een klimaat van grote saamhorigheid tussen joden en niet-joden, deed wel iets voor de joden. Maar dat was toch te weinig. Een bewerking van een hoofdstuk uit Evelien Gans’ proefschrift ‘De kleine verschillen die het leven uitmaken’.

TERWIJL IN DE ZOMER van 1940 de Communistische Partij Nederland (CPN) en de Revolutionair-Socialistische Arbeiderspartij (RSAP) werden verboden, stelde de bezetter de SDAP onder het commissariaat van de NSB'er Rost van Tonningen en het NVV onder dat van de NSB'er H.J. Woudenberg. Op die manier hoopten de nationaal-socialistische autoriteiten de Nederlandse sociaal-democratische arbeidersbeweging voor hun eigen karretje te spannen.
Dat zou hen maar gedeeltelijk lukken. Nadat het SDAP-partijbestuur aanvankelijk had besloten in beperkte mate door te werken, weigerde het op Rosts voorstel tot samenwerking in te gaan. Daarmee verklaarde het bestuur zichzelf in feite illegaal, al zou de SDAP pas in juli 1941 officieel door de bezetter worden opgeheven. Op instigatie van het partijbestuur vond er in de gewestelijke besturen en plaatselijke partijafdelingen een ware leegloop plaats. Bovendien bleek de door Rost opgerichte ‘socialistische’ organisatie, de Nederlandsche Socialistische Werk-Gemeenschap, van aanvang af een 'doodgeboren kind’: er zouden zich nooit meer dan vijfentwintigduizend leden aansluiten.
Het partijbestuur zette zijn werk onder deels legale, deels illegale omstandigheden voort, onder meer door contacten met partijgenoten in de regio te onderhouden. Maar als partij ging de SDAP, in tegenstelling tot de CPN en RSAP, niet in verzet, hoewel de gewezen partijvoorzitter Koos Vorrink hier een groot voorstander van was. Zijn tegenspelers vonden dit onverantwoord. De Duitsers, zo redeneerden zij, kenden het partijapparaat van haver tot gort. Bovendien dienden illegaal partijwerk en andersoortig verzetswerk gescheiden te blijven. Vorrinks prestige had zwaar geleden onder zowel zijn (mislukte) poging omnaar Engeland te ontkomen als zijn verkennende gesprekken met het Nationaal Front. Hij zou echter al snel zijn eigen weg gaan en werd onder meer een der hoofdrolspelers bij het verzetsblad Het Parool. In de netwerken rond dit illegale blad vonden veel individuele sociaal-democraten hun plaats. Daarbij speelden de oude partijverbindingen natuurlijk een grote rol. Datzelfde gold voor tal van andere verzetskernen waarin SDAP'ers, en ook AJC'ers en NVV'ers participeerden. Of het streven van Vorrink, hoe gepassioneerd en strijdbaar ook, om als partij in verzet te gaan veel vruchten zou hebben afgeworpen, is twijfelachtig. Niet alleen was de SDAP onvergelijkbaar veel groter en logger dan kleine partijen als de CPH en RSAP, zij had in vergelijking met haar links-radicale tegenvoeters ook nauwelijks enige ervaring met illegaliteit.
De keuze al dan niet als partij in verzet te gaan was niet de enige kwestie die de sociaal-democratische gelederen verdeelde. Gesteund door de oude, prominente partijrot W.H. Vliegen - deze riep op om het culturele werk van de partij voort te zetten - kozen tal van bestuurders van sociaal-democratische nevenorganisaties ervoor om door te werken. Voor hen stond, anders dan voor veel leden, 'apparaat boven beginsel’. Zij voelden zich niet aangesproken door het ethisch-politieke standpunt van Willem Drees die van mening was dat het (na de oorlog) opnieuw moeten opbouwen van een apparaat een kleiner kwaad was dan 'geestelijke verwarring, herstel van morele inzinking en herwinning van teloorgegane eer’. De Bond van Sociaal-Democratische Vrouwenpropagandaclubs hief zichzelf op. Maar het merendeel van de culturele organisaties werkte kortere of langere tijd door. Het Instituut voor Arbeidersontwikkeling en de Nederlandsche Arbeiders Sportbond voelden zich al snel, in de herfst van 1940, gedwongen hun activiteiten te staken. De Vara daarentegen bleef het als haar taak zien ook tijdens de bezetting te blijven functioneren. Omroepsecretaris A. Pleysier toonde zich daarbij niet gevoelig voor de heftige kritiek vanuit de SDAP. In maart 1941 ging de Arbeidersomroep op in de genazificeerde Nederlandsche Omroep. Ook de Arbeiders-Muziekverenigingen bleven doorwerken, terwijl de twee Amsterdamse zangverenigingen Stem des Volks en Kunst en Strijd zichzelf ophieven, nadat hun te kennen was gegeven dat de joodse leden moesten opstappen. De Arbeiderspers werd onder curatele van de NSB gesteld; Het Volk zou tot het einde van de oorlog verschijnen. Al in mei 1940 hadden velen hun abonnement opgezegd uit angst om als socialist te boek te staan. Voor het merendeel der resterende lezers en ook voor de meeste redactieleden werd de inhoud daarna al snel onverteerbaar.
Van het NVV, met 319.000 leden in 1940 de grootste Nederlandse vakbond, wist de bezetter aanzienlijk meer gedaan te krijgen dan van de SDAP. Direct na de aanstelling, in juli 1940, van de NSB'er H.J. Woudenberg (de broer van SDAP-secretaris C. Woudenberg) tot 'commissaris’ van het NVV, werden voorzitter E. Kupers en de joodse vice-voorzitter S. de la Bella als eersten ontslagen. Kupers dook na een waarschuwing onmiddellijk onder, maar De la Bella wilde een avond bedenktijd. Dat werd hem fataal: hij werd gearresteerd en verdween via de gevangenis naar het concentratiekamp Dachau, waar hij werd vermoord. Ondanks de nationaal-socialistische reorganisatie, de ontslagen en De la Bella’s arrestatie (en deportatie) vond bij de sociaal-democratische vakbeweging allesbehalve een uittocht plaats. Slechts in een paar bonden gingen stemmen op om tot opheffing over te gaan. Al met al vormden de paar duizend mensen die in 1940 hun NVV-lidmaatschap opzegden maar een kleine minderheid van alle leden.
Ten aanzien van de materiële belangenbehartiging golden, aanvankelijk overigens ook voor Vorrink, duidelijk andere nor men dan ten opzichte van het politieke werk. Vakbondsbestuurders en -personeel hadden legio motieven om het werk voort te zetten. Niet alleen het behoud van eigen banen was verleidelijk, ook aan de continuïteit in de personele bezetting werd groot belang gehecht. Als fundamenteel argument gold ook hier de noodzaak van het behoud van de instellingen die zulke cruciale diensten aan de arbeidersbeweging bewezen hadden en dit, zo was de hoop, ook onder de nieuwe omstandigheden zouden kunnen blijven doen. Datgene uit handen geven waarin zo lang bloed, zweet en tranen waren geïnvesteerd, was menig vakbondsbestuurder een gruwel. Het ging erom de verworvenheden zo veel mogelijk intact door de oorlog heen te slepen. Dat in de tussentijd de nationaal-socialistische invloed zijn tol zou eisen en dat afstand gedaan moest worden van democratische grondrechten en eigen autonomie, woog blijkbaar minder zwaar. In zijn studie Bezetting en collaboratie (1991) noemt Gerhard Hirschfeld de houding van NVV-bestuurders en meerderheid der bondsvertegenwoordigers dan ook 'een toonbeeld van radeloosheid, gelatenheid en ijdele hoop’.
In mei 1942 zou het Verbond gedwongen opgaan in het Nederlands Arbeidsfront (NAF), dat net als de meeste andere door de nazi’s in het leven geroepen eenheidsorganisaties min of meer een 'lege huls’ zou blijven. Na het keer op keer verleggen van de eigen grenzen, volgend op tal van conflicten met de bezettingsautoriteiten, was voor de meeste bestuurders en vakbondsleden nu het moment aangebroken om een definitief 'nee’ te laten horen. Op 1 januari 1942 telde het NVV nog ongeveer driehonderdduizend leden; dat waren er nauwelijks minder dan in 1940. Daar bleven er nu minder dan honderdduizend van over. Onder hen waren per definitie geen joden: voor hen bleef het NAF van aanvang af gesloten.
GEERTJE NAARDEN, auteur van Onze jeugd behoort de morgen (1989), een studie over de AJC, heeft vastgesteld dat Amsterdam ruim vijfhonderd en de mediene zo'n honderd joodse AJC'ers telden. Meer dan driehonderdvijftig joodse AJC-leden hebben de oorlog niet overleefd. Als deze gegevens kloppen, betekent dit dat circa zestig procent van alle joodse AJC'ers vermoord is. Van de joodse bevolking in Nederland in haar geheel bedroeg dit percentage ongeveer vijfenzeventig. Toch is het de vraag of men op grond hiervan kan concluderen dat joodse AJC'ers een grotere overlevingskans hadden dan veel andere joden vanwege het socialistische netwerk waarin zij waren opgenomen. Ook hun leeftijd kan een rol van betekenis hebben gespeeld.
Onderzoek heeft uitgewezen dat binnen de groep onderduikers, waartoe drievijfde van de joodse overlevenden behoorde, de leeftijdsgroep tussen eenentwintig en veertig jaar oververtegenwoordigd was. Dit hoeft er niet alleen mee te maken te hebben dat deze joden in de kracht van hun leven waren. De historicus Johannes Houwink ten Cate heeft erop gewezen dat juist 'het jongere deel’ van de joodse bevolkingsgroep aanvankelijk zoveel mogelijk door de Joodsche Raad met vrijstellingen beschermd werd, omdat de eerste oproepen voor 'tewerkstelling’ zich vooral richtten op jonge gezinnen met kinderen en ongehuwden onder de veertig jaar. Deze groep beschikte dan ook in verhouding over de meeste sperren, en had dientenge volge ook langer de tijd om een onderduik voor te bereiden. Waarschijnlijk heeft zowel de leeftijd als de mate van organisatie een belangrijke rol in de overlevingskansen van (oud-)AJC'ers gespeeld. Vanaf mei 1940 werden namelijk op relatief grote schaal zogeheten vriendenkringen opgericht, waarin ook (oud-)AJC'ers participeerden en de gemiddelde leeftijd vijfentwintig jaar was. Tot slot zijn lang niet alle joodse (oud-)AJC'ers die de oorlog doorgekomen zijn, geholpen door niet-joodse (oud-)AJC'ers. Sommigen kwamen aan een onderduikadres via communistische contacten of bekenden uit de OSP, of doken onder bij 'gemengd’ gehuwde familieleden. Anderen waren relatief beschermd omdat zij zélf getrouwd waren met een niet-joodse partner.
Overigens hing ook de veiligheid van die laatsten aan een zijden draadje. De nazi’s volgden immers een 'labyrinthisch kronkelpaadje’ ten opzichte van de 'gemengd’ gehuwden. Net als alle andere joden werden dezen onderverdeeld in steeds wisselende categorieën, zodat de situatie voor de betrokkenen ongrijpbaar en zenuwslopend was. Vanaf december 1943 werden bijvoorbeeld joodse 'gemengd’ gehuwde mannen opgeroepen voor werkkampen. Voor een aantal (oud-)AJC'ers was dit het signaal om alsnog onder te duiken. Een paar van hen zaten toen al, relatief beschermd door hun 'gemengde’ huwelijk, in een door AJC'ers gesponnen 'web van illegaliteit’, en zetten in de onderduik hun illegale werk voort. Zo ook de voormalige AJC'er Dolf Stork (1916). Aanvankelijk, vertelt Stork in 1993, had hij gehoor gegeven aan de oproep voor een werkkamp voor 'gemengd’ gehuwden. Een tijdlang werkte hij in de Westhaven, een 'project’ van de Heidemaatschappij. Op de noodlottige dag dat alle werkers achter het Centraal Station werden opgewacht om vandaar naar Westerbork gevoerd te worden, was hij ziek en daarom thuis gebleven. Daarna dook hij thuis onder. De Duitsers kwamen minstens drie keer langs om hem te halen. Twee keer was hij niet thuis; een keer vluchtte hij weg over het dak: 'Ik ben geen dág in de macht van de Duitsers geweest.’ Hij en zijn vrouw hadden bijna de hele oorlog door joodse onderduikers in huis. De voedselbonnen kwamen van de Illegale) AJC. Ook Naarden vermeldt het bestaan van illegale groepen waarin zowel joodse als niet-joodse AJC'ers participeerden. Daarbij liepen de joden natuurlijk een dubbel risico.
Hoeveel joodse (oud-)AJC'ers onderdoken bij niet-joodse AJC'ers, is onbekend. Naarden schetst een beeld van zeer uiteenlopende ervaringen. Een niet gering aantal vond een schuilplaats in het hun zo vertrouwde milieu. Sommigen weigerden op het aanbod van AJC-vrienden in te gaan - onder meer omdat zij hen niet in gevaar wilden brengen - weer anderen deden tevergeefs een beroep op hun oude kameraden.
Dit, overwegend positieve, beeld wordt door verschillende respondenten bevestigd. Hetty Sammes (1918) werkte voor de oorlog eerst vijf jaar op het AJC-kantoor en daarna nog anderhalf jaar als secretaresse bij de International Federation of General Factory Workers, ondergebracht bij de Nederlandse Vereniging voor Fabrieksarbeiders(sters). Toen deze internationale organisatie na de inval van de Duitsers werd opgeheven, kwam Sammes in dienst bij de Bedrijfsraad voor het Bouwbedrijf. Haar toenmalige vriend (en latere echtgenoot) zat in een werkkamp, maar wist te ontsnappen en regelde een onderduikadres voor haar in Drenthe. In juni 1942 dook ze onder. L.M. van Waasdijk, haar voormalige chef bij de International Federation, bracht haar in Amsterdam naar de trein. Omdat ze de situatie op haar onderduikadres bij een boer in Tiendeveen In een hut met andere onderduikers) gevaarlijk vond, schreef ze een brief aan Jan Peters, voor malig hoofdbestuurder van de AJC met wie ze altijd contact had gehouden. Peters organiseerde een onderduikadres voor haar in Friesland. Na de bevrijding zou blijken dat zowel de Vereniging als de AJC wat geld voor haar had geregeld.
'Ik ben echt door (oud-)AJC'ers of door AJC'ers ontzettend geholpen. (…) Ik ben aldoor geholpen door mensen die het eigenlijk belangeloos deden. (…) Dus daarom heb ik ook niet het vertrouwen in de mensheid toen zo verloren.’
NATUURLIJK IS DE eigen persoonlijke ervaring een belangrijke factor in de beeldvorming over de AJC. Sem Bonn en Dolf Stork verzetten zich tegen een negatieve interpretatie: zij hadden de steun van niet-joodse AJC'ers aan den lijve ondervonden. Kenmerkend voor de ook na de oorlog hechte relaties tussen joodse en niet-joodse AJC'ers zijn de Israel-reizen, waarvan de eerste door Wim Polak, (oud-)AJC'er, na de oorlog wethouder in Amsterdam en actief lid van Poale Zion, in 1973 werd georganiseerd. Gedurende deze reizen die ontzettend populair en drukbezocht waren - en zelfs zijn - worden onder meer kibboetsen bezocht waar joodse (oud-)AJC'ers zich na de oorlog gevestigd hebben.
Feit blijft dat zij die tijdens de bezetting nul op het rekest kregen of zelf niet om hulp durfden te vragen - en die ook niet aangeboden kregen - dit over het algemeen niet meer na kunnen óf willen vertellen. Voor de overlevenden rust er een zwaar taboe op een beschuldigende vinger richting AJC. Er staat immers veel op het spel: een gedeeld verleden dat paradijselijk lijkt vergeleken bij wat volgde, en oude, dierbare banden die vaak na de oorlog opnieuw werden aangeknoopt. Mieke Polak-Polak, dochter van wethouder Ed. Polak en jarenlang lid van de AJC, was in 1939 met de arts Mozes Polak getrouwd. In de oorlog vroeg ze verschillende niet-joodse vrienden om onderdak: 'Ze durfden wel mij, maar niet mijn man te nemen. Hij zag er zeer joods uit.’ Uiteindelijk zou het echtpaar toch een onderduikadres aangeboden krijgen - door Miekes 'gemengd’ gehuwde zuster, Lida Polak. Maar hoewel Polak haar ervaring met de angstig-afwijzende houding van niet-joodse AJC-vrienden op uiterst neutrale wijze verwoordde, was ze naar haar eigen gevoel tóch te ver gegaan. Kort na het interview belde ze op om te onderstrepen dat zij geen enkele rancune koesterde. 'Ik heb het ze nooit kwalijk genomen, want God, die mensen riskeerden toch ook ontzettend veel.’
HET BOEK VAN Naarden heeft waarschijnlijk bij een aantal joodse voormalige AJC'ers de oude, onderdrukte pijn naar boven gehaald. Leni Doof, die als jonge naaister Alida de Jong had bewonderd, had zich kort voor de oorlog bij Poale Zion aangesloten. Zij is van mening dat de AJC wel íets, maar veel te weinig voor de joden heeft gedaan. Naardens boek liet ze ongelezen in de kast staan. Ze verdraagt het niet de namen van haar broer en schoonzuster tegen te komen. Eén keer na de oorlog ging ze naar de Paasheuvel. 'Toen stond er een grote zuil en de eerste naam die ik zag, was van mijn broer.’ Ze wil er nooit meer naar terug.
Joop Voet, die naar aanleiding van het boek van Naarden een bezoek bracht aan het monument op de Paasheuvel, berekende dat ongeveer tachtig procent van de 410 namen van omgekomen AJC'ers joden zijn. Toch heeft de AJC, als het gaat om verzet en hulp aan joodse medeburgers niet minder, eerder meer gedaan dan veel andere Nederlandse organisaties. Reacties als van Joop Voet en Leni Doof zijn dan ook ongetwijfeld mede een uitdrukking van de desillusie ten opzichte van de Nederlandse niet-joodse bevolking als geheel.
Daarnaast heeft het boek van Naarden echter ook een andere specifieke schok teweeggebracht, of liever gezegd de schok die tijdens en kort na de oorlog ook al was opgetreden, herhaald. Juist de AJC stond symbool voor een klimaat waarin, in naam van het socialisme, een grote saamhorigheid tussen joden en niet-joden was beleefd. Die saamhorigheid heeft tijdens de oorlog maar zeer ten dele haar beslag gekregen. Er was, schrijft Naarden, in de jaren dertig met nazi-Duitsland voor de deur, geen plan ontwikkeld om zonodig zeshonderd joodse leden bij zesduizend AJC'ers te laten onderduiken. Het 'beter’ van de AJC, met andere woorden, was voor sommigen niet goed genoeg: Naardens studie maakte voor hen de muur die er in de bezettingsjaren binnen de AJC tussen joden en niet-joden was opgetrokken, opnieuw zichtbaar.
HET IS OPVALLEND dat met name een aantal vrouwelijke respondenten geneigd was in de huid van 'de ander’ te kruipen en relativeringen aan te brengen. Mieke Polak-Polak staat hierin niet alleen.
Zo keert Leni Doof na haar uitspraak dat de AJC te weinig heeft gedaan, de blik naar binnen: 'Maar ik zeg altijd: “Ik weet niet wat ík gedaan zou hebben, zou ík het gedaan hebben.” ’t Was wél gevaarlijk natuurlijk…’
Ook Bea Polak-Biet (1917) beweegt zich tussen de twee polen van enerzijds teleurstelling en anderzijds begrip en identificatie. Een groot aantal AJC'ers heeft geholpen, zegt ze, maar in het algemeen leefde men toch vrij gewoon door.
'Ik vind het altijd zo moeilijk. Hoe zouden wij, joden, gereageerd hebben, denk ik altijd omgekeerd. Al die joden die nu een grote mond hebben… zouden niets gedaan hebben om een katholiek te redden. Dat zou óók precies hetzelfde deel zijn dat nu in de AJC geholpen heeft, of in Nederland. (…) Je kunt het teleurstellend vinden, je had gehoopt op méér… maar kwalijk nemen kun je het ze niet.’
Deze voormalige AJC'sters onderwerpen zichzelf vijftig jaar na de oorlog nog steeds aan een gewetensonderzoek. Zij springen uiterst behoedzaam om met de zogenaamde schuldvraag en vertalen deze in de existentiële vraag wie bereid is zijn of haar leven voor een ander in de waagschaal te stellen. Maar het vooroorlogs universeel-socialistische erfgoed van de AJC heeft afgedaan. Ook Sem en Jacoba Bonn bezagen na de oorlog het credo van hun organisatie met andere ogen.
'Je hebt altijd in de AJC gezongen “de mens is goed” en we hebben in de oorlog gemerkt dat er heel veel mensen níet goed waren, (…) dat de mens niet goed ís. Maar er zijn wel goede mensen.’
TOT EEN SOORTGELIJKE conclusie kwam Jules Davidson (1905). Davidson was de zoon van een diamantbewerker, en voor de oorlog bijna twintig jaar een actief lid van de Centrale Nederlandse Ambtenarenbond; hij was daar onder meer een tijdlang voorzitter van de propagandacommissie. Omstreeks 1932 werd hij lid van de SDAP, in de hoop dat deze partij wat minder 'gezapig’ zou worden. Een lidmaatschap van de OSP was voor hem als rijksambtenaar niet weggelegd. Tijdens de oorlog gaf Davidson zich op zijn zwerftocht langs maar liefst 34 onderduikadressen uit voor een ondergedoken ambtenaar van Rijkswaterstaat, die in conflict was gekomen met de nazi’s. De meeste onderduikgevers wisten niet dat hij jood was en een enkele keer was dat hoogst confronterend. Zo had een van zijn gastheren gezegd, toen er aan de overkant een joodse militair uit zijn huis werd gehaald: 'Denk je dat ik mijn leven voor een jood waag?!’
Dat Davidson de oorlog overleefde, zo benadrukt hij, lag niet aan zijn oud-collega’s bij de overheidsdienst waar hij werkte: 'Het gros keek niet naar je om.’ De laatste anderhalf jaar van de oorlog bracht hij door op een zolderkamer in Amsterdam bij een hervormd gezin - 'heel aardige mensen’.
Na de bevrijding had hij geen zin meer om lid te worden van een politieke partij: 'Onder alle groeperingen had je mensen die mens waren en die géén mens waren. Ik kon niet zo juichen over (…) de sociaal-democratische beweging, de arbeidersbeweging ten opzichte van hun joden hoor. Individueel hebben mensen hulp geboden maar (…) als organisatie hebben ze de bonden eigenlijk zonder slag of stoot door het Arbeidsfront van de nazi’s in beslag laten nemen. Ik was erg teleurgesteld over hun houding.’