Eén keer heb ik mijn vader het woord ‘roeach’ horen gebruiken. ‘En maar roeach maken…’, mopperde hij, ik weet niet meer waarover. Wel weet ik dat ons gekibbel me prompt niet meer interesseerde. Roeach, dat kent iedereen na een paar eerste lessen Hebreeuws. Het is de geest Gods die over de wateren zweeft in de openingsverzen van Genesis. Adem dus, net als het Latijnse spiritus, want in de adem huist de geest. En daarom kon het letterlijk ‘ademtocht’ zijn: de lucht die in beweging gezet wordt bij het maken van ophef en kouwe drukte.

Die laatste zal ik in die tijd veel gemaakt hebben – maar ik weet nog dat ik prompt ben stilgevallen van verbazing en ontroering. Het was alsof er een soort wormgat geboord was die mijn meest directe omgeving verbond met het verre punt waar ik was aangeland. Studeren was in mijn familie niet normaal, Hebreeuws al helemaal niet. Maar onverwacht keerde dat laatste, vreemde, in mijn oorsprong terug: geen joodse maar wel de volks-Amsterdamse die daarvan ongemerkt was doortrokken.

Ik zoek het woord op in Koosjer Nederlands, de pas verschenen dictionaire van ‘joodse woorden in de Nederlandse taal’ van Justus van de Kamp en Jacob van der Wijk (uitg. Contact). Termen als deze zijn, met hun persoonlijke betekenis, de lakmoesproef van ieder woordenboek. Ik tref het aan als roeag, met een g die mijn klassiek-Hebreeuws geweten niet over zijn hart verkrijgen kan. Mét een citaat, zoals alle lemmata in deze dictionaire: ‘Die trekke an, de rebbes haarlie roeag…’ Het komt uit Israel Querido’s Mijn zwerftochten door Jordaan en donker Amsterdam. Gepubliceerd in 1931 is het al bijna niet meer te verstaan.

Zo groot is dus de afstand tussen toen en nu, al zijn lang niet alle tekstfragmenten in dit boek zo vreemd geraakt. ‘Jatten’, het schoolvoorbeeld van ingeburgerd Hebreeuws, krijgt citaten van Annie M.G. Schmidt en van Paul Biegel. ‘Kapsoneslijer’ echoot verrassend na in Marten Toonders Bommel-strip. En ‘mazzel’, nauwelijks minder warm omhelsd, niet alleen bij Ischa Meijer maar ook bij journalist Orkun Akinci: een inburgeringswonder op zich.

Op de pagina daartegenover vind ik ‘Maupoleum’, de mislukte Amsterdamse parkeergarage die, tot véél te lage collegezalen omgebouwd, studenten jarenlang hun levensvreugd ontnam. Genoemd was het naar ‘onroerendgoedmagnaat Maupie (Maurits) Caransa, bijgenaamd “de Portugees” of “de olieman”’, zo legt het lemma uit. Dan zou ook ‘Sarphatipark’ te vinden moeten zijn, maar nee: in taal heeft dat geen sporen nagelaten.

Op de plaats ervan staat ‘sappelen’, dat het in het gangbare Nederlands wél, en ‘zich te sappel maken’, dat het níet gehaald heeft. Opnieuw hoor ik in dat laatste alleen nog de stem van mijn vader, en voel de ergernis van toen – maar alles slijt. Op die half exotisch geworden uitdrukkingen betrap ik zelfs mijn eigen taalgebruik steeds vaker – en vraag me achterdochtig af hoe groot het aandeel schmieren daarin is.

Meer dan een dictionaire wordt Koosjer Nederlands zo een sentimental journey door een verleden dat nog steeds het heden is. Wellicht zijn woordenboeken altijd al geheime plaatsen van verbaasde omzwerving geweest. Terwijl het strenge alfabet een doelgerichte efficiëntie aanbiedt, maakt bladerende argeloosheid ieder pad tot dwaalweg. En meer dan elders mengt zich daarin hier een groeiende melancholie, die wonderwel harmonieert met de professionele zakelijkheid van Van de Kamp en Van der Wijk.

Het boek valt open bij het lemma ‘jodenman’: opnieuw een verre echo. ‘Als minder confronterend ervaren [dan “Jood”], vooral voor de oorlog en dan gewoonlijk door niet-Joden gebruikt’, legt Koosjer Nederlands uit. Het was een woord dat stoorde in zijn ouderwetsheid en iets onverlichts had in die jaren waarin mijn jeugd zich graag het licht der toekomst achtte. Totdat het plotseling weer klonk op onverdachte plek. In een liturgisch gebed liet Huub Oosterhuis ons plompverloren zingen over ‘Jezus van Nazareth, een jodenman’. Het schokte, want ook dat woord werd daarmee een wormgat: van Golgotha naar een recent verleden.

Nee, niet direct naar Auschwitz. Veeleer – en veel alledaagser – naar meneer Mopurgo die naast het volkstuintje van mijn ouders in de jaren vijftig ook een lapje grond had. Mijn oma kreeg van hem altijd een bloemkool of wat sperziebonen mee, want meneer Mopurgo was, zo wisten wij als kind, volstrekt alleen. Toch had hij niets dramatisch. Hij was niet opgevallen op de tramhalte, zelfs niet die van lijn 8 die voor de oorlog ‘het jodenlijntje’ werd genoemd. Dat laatste kon ik niet meer weten. Lijn 8 bestond niet meer, en evenmin de Jodenhoek waar hij doorheen reed. Het lemma dat dat uitlegt gaat in Koosjer Nederlands direct aan dat van ‘jodenman’ vooraf.