FILM

Roem in de ring

The Fighter

Vele uitstekende boksfilms zijn er al gemaakt, schrijft Joe Queenan recent in The Guardian, maar in de meeste gevallen gaat het om witte kampioenen, wat vreemd is, want daar zijn er niet zo veel van in de echte wereld.
Queenan lijkt een punt te hebben. Ook in David O. Russells schitterende The Fighter gaat het er op het oog lelieblank aan toe: Christian Bale speelt de rol van Dicky Eklund, een aan lager wal geraakte bokser uit Lowell, Massachusetts, die zijn halfbroer ‘Irish’ Micky Ward (Mark Wahlberg) traint. Dicky’s huidige leven is saai en armoedig. In het verleden was er nog hoop. Ooit stond hij oog in oog met kampioen Sugar Ray Leonard. En voor een paar seconden lagen roem en succes voor het oprapen toen het erop leek dat hij Sugar Ray had neergeslagen (in werkelijkheid gleed Sugar Ray even uit). Daarna ging het snel de verkeerde kant op met Dicky. Hij raakte verslaafd aan crack. En toch: de dromen over roem in de ring bleven altijd.
De beste boksfilms, bijna altijd Amerikaans, laten zich vaak bekijken als een soort kitchen sink-drama. Net als een scherp politieke en maatschappelijke discours de basis van Britse kitchen sink-films als die van Lindsay Anderson of Ken Loach vormt, zo bevat de Amerikaanse boksfilm verhalen over het onbeantwoorde verlangen naar rijkdom en beroemdheid en het dromen over een gelukkiger leven door personages uit de onderklasse. Geen betere illustratie hiervan dan de beroemde tekst van Marlon Brando uit Elia Kazans On the Waterfront (1954): 'You don’t understand. I coulda had class. I coulda been a contender. I coulda been somebody, instead of a bum, which is what I am, let’s face it.’ Alles in dit citaat is belangrijk: gebrek aan begrip, de hunkering naar een betere plaats in de samenleving, verlangen naar het sportieve, naar roem en de bittere constatering van de harde werkelijkheid, namelijk dat hij gewoon moet accepteren dat het nooit wat met hem wordt in dit leven.
Wie On the Waterfront dus niet heeft gezien, is Dicky Eklund in The Fighter. Of het moet de crack zijn. Want Dicky blijft erbij: geluk en succes zijn slechts een kwestie van tijd. En, het zal niet verbazen (Dicky leeft nog steeds), zo denkt hij al decennialang. Prachtig is hoe Bale het voor elkaar krijgt Dicky’s onderdrukte wanhoop invoelbaar te maken; die Oscar voor beste bijrol was volkomen terecht.
Terug naar Joe Queenan in The Guardian en zijn vraag waarom al deze dromerige boksers toch zo wit zijn. Immers, als iemand in de Amerikaanse samenleving het recht op een beter leven heeft, dan zou je kunnen zeggen: de zwarte bevolking in de verarmde stadswijken en voorsteden. Een film over een zwarte bokser die alles doet om de top te halen zou vervolgens een betere reflectie van de echte wereld zijn.
Tegenargument: deze verhalen over zwarte kampioenen zijn in de loop der jaren juist in overvloed verteld, niet in cinema maar waargebeurd op televisie. In de echte bokswereld zijn alle kampioenen vrijwel zonder uitzondering zwart. Die kwalificatie 'echte’ in die echte bokswereld heeft inmiddels een vloeibaar karakter gekregen, met schokkende, dramatische verhalen zoals de opkomst en ondergang van Mike Tyson. Het is mogelijk zijn echte leven als een film te zien, zodat een film over Mike Tyson volstrekt overbodig zou zijn.
Queenans wens (meer 'zwarte’ boksfilms) is dus niet echt legitiem. Bovendien, wat The Fighter zo uitstekend laat zien is dat de beste boksfilms over losers gaan. En Ali of Frazier of Louis of de twee Sugar Rays of zelfs Tyson zijn zeker geen losers. Ze zijn veel te goed, sportief gezien. Een goede boksfilm vraagt juist tragiek.

Te zien vanaf 24 maart