‘roem is een gevaarlijke maîtresse’

HENNY VRIENTEN (50): ‘Roem is een te krappe jas, maar die kun je uittrekken, als je wilt.

Je hebt het zelf in de hand, dat wordt wel eens vergeten. Als je plotseling en kort vlamt, en vervolgens besluit om in de vergetelheid te verdwijnen, dan houdt het op. Je kunt eruitstappen zoals wij gedaan hebben, doordat niemand van ons daarna in spelletjesprogramma’s ging zitten of meteen een nieuw bandje oprichtte met “doe maar” in de naam. Dat is iets waar ik een bescheiden trots over voel. Dat we het niet hebben uitgemolken.
Je kunt het ook aanwakkeren, door bij elk wissewasje waarvoor ze je vragen je hoofd op tv te laten zien. Ik word nog dagelijks gebeld. Voor het Nationaal Dictee, voor een gastrolletje in een film. Voor een reactie op het uiteengaan van een bandje, of op een leerstoel voor een popprofessor. Ik houd het vrijwel altijd af, geef ook bijna nooit interviews.
Ik denk dat geen man of vrouw het vervelend vindt om over zichzelf te praten, maar daar ligt nu juist het gevaar. Die ijdelheid. Die zit ook in mij, maar ik vecht ertegen. Roem of faam is iets hoerigs. Niets ten nadele van hoeren, maar het trekt aan je. Je wordt uitgenodigd voor Villa Felderhof, niet eens zo'n onaardig programma. Voor de opnamen mag je drie dagen naar een heerlijke villa in Zuid-Frankrijk, waar je in de watten wordt gelegd en alleen maar over jezelf mag praten. Dat trekt, it sucks. Even denk je: jezus, wat lekker. Maar de volgende gedachte is: nee, wat een onzin, waar praten we dan over, en met wie zit ik daar dan? Je zal er met Rob de Nijs zitten. Samen in een ochtendjas aan het ontbijt op televisie, voor het oog van Nederland. Dat gaat me net iets te ver.
Ik wil daar niet op afgeven, het gaat me om de vraag in hoeverre een normaal denkend mens zich dat kan laten aanleunen. Op het hoogtepunt van de eh… nou, zeg maar roem van ons bandje, liet ik me echt dingen aanleunen. Begon ik het normaal te vinden dat mensen je gitaar voor je dragen, en dat je vóór mag bij de slager. “Zullen we u eerst even helpen, meneer Vrienten?” Dan heb je het druk, en voor je het weet laat je je met voorrang behandelen. Maar het is niet normaal dat je ergens binnenkomt en meteen het middelpunt bent - dat kan niet goed zijn voor een mens. Als levenswijze is het abject.’
‘HET ARTIESTENDOM bestaat bij de gratie van roem. Dus is roem eerst een felbegeerd iets - het lukt alleen maar goed als mensen naar je komen kijken. Maar het is nooit een motief voor mij geweest, voor geen van ons. Ik weet nog goed wat het doel was: dansmuziek maken, mensen de hele avond laten swingen. Een dansbandje. En daarvan eten, want je kon niks anders.
Doe Maar was een bandje van vier oude hippies. We stonden calypso’s en reggae’s te spelen omdat we zelf op die muziek kickten. En daar gebeurde ineens iets. Maar waarom? De liedjes waarmee het begonnen is, “32 Jaar” en “Is dit alles”, zijn in een dag geschreven. In één dag! Daarvóór had Ernst Jansz wel drie jaar met demo’s lopen leuren, maar niemand wilde ze hebben. Een wat hebzuchtige marktkoopman, Johnnie Hoes, heeft ze toen genomen omdat hij alles nam. En hij had beet. Niet uit visie, hoor. Niet omdat hij dacht: goh, wat een goede band en wat een goede teksten. Maar als je met een groot net vist, vang je wel eens wat.
Langzaam voelden we dat we waardering begonnen te krijgen en erkenning en bekendheid. Dat is dan nog een jongensdroom. Je eerste nummer 1-hit, een stuk in de krant, een interview op tv. Allemaal kleine overwinningen die erg leuk zijn. Eventjes. Het voelde misschien een half jaar als een soort Beatle-droom. Maar op het moment dat je inziet dat het een manier van leven kan zijn, kom je voor een keuze te staan: wil ik dit? Ik wist zeker dat ik het niet wilde. Dat gold ook voor de andere jongens. Niemand van ons kreeg er een kick van om “beroemd” te zijn.
We konden al gauw niet meer het soort bandje zijn dat we wilden zijn. In kleine zaaltjes spelen vonden wij het allerleukste, vanwege het contact met het publiek. Je kunt iedereen zien, je bouwt iets op met de zaal. Een bijna lijfelijk contact - dat paste bij onze muziek.
Zodra we in grotere zalen terechtkwamen, was dat contact weg. Door faam verandert je publiek ook heel snel. Dat wordt steeds jonger naarmate je groter wordt, want kinderen willen erbíj horen. Ik had daar niets op tegen, maar het wordt wel meteen iets anders. Je kunt niet meer dezelfde nummers zingen of grappen maken die je voor leeftijdgenoten zou maken. Je gaat op je woorden letten en je rookt niet meer op het podium.
Vroeger swong ik echt de pan uit. Dat hele podium over met die bas - dat vond ik heerlijk. Maar omdat de meisjes in het publiek zo tekeergingen, durfde ik dat niet meer. Niet dat door een heupbeweging van mij meteen een hele rij flauwviel, maar ik begon het toch te uitdagend te vinden. Ineens dacht ik: dat dóe je niet als iedereen kijkt. Op het eind stond ik als een plank op het podium, in een keurig colbert met hoog gesloten boord, haha!
Daar sta je dan, in zo'n grote zaal. Je ziet niet voor wie je speelt. Je weet ook niet hoeveel het er zijn - je ziet alleen maar een soort muur van mensen en daarachter is het donker. In een grote zaal is het geluid vaak slecht. Komt je favoriet op, klinkt-ie als een slappe dweil. Ook op het podium, voor onszelf, klonk het minder mooi. Het werd allemaal steeds abstracter. Het applaus van tienduizend mensen is veel abstracter dan de waardering van twee mensen die je kent. In geblindeerde auto’s gingen we naar de optredens, we moesten de zaal worden binnengesmokkeld, in ons hotel worden verstopt…
Een vriend van Ernst begon een platenzaak, en wij zouden die openen. Dat liep volledig uit de hand. Die zaak is binnen een half uur verwoest. Wij stonden achterin, men dromde binnen. We voelden ons echt fysiek bedreigd en besloten naar boven te vluchten. Ernst ging per ongeluk een binnenplaatsje op, en werd ingesloten door wel tweehonderd gillende, aan hem rukkende meisjes. Dat was heel erg eng. Volgens mij heeft hij er nog trauma’s van.
Nu ik dit zo vertel, geloof ik het zelf bijna niet. Ik geloofde het tóen al niet - het stond zo ver van me af. Ik was getrouwd met een vrouw die twee grote kinderen had, en samen moesten we er alleen maar vreselijk om lachen. Zij kenden mij op een heel andere manier; ik was in hun ogen al een oudere man. Maar die jas van de roem zat zo strak om me heen, ik moest dat geprojecteerde beeld zijn. Want dat is het: een projectie. Je bent totaal iemand anders dan iedereen denkt. Ik kreeg rollen aangeboden in films waarin ik een junkie moest spelen of een pooier, omdat ik een beetje een modern, hard hoofd had. Maar dat was ik niet.
Ik stond wel eens voor de spiegel en dan keek ik naar mezelf, naar dat lichaam waar ik al 32 jaar in rondliep en waar niemand ooit veel aandacht aan had besteed - en dan begreep ik het echt niet, al die drukte.’
'WIJ MAAKTEN ONS veel zorgen over al die meisjes die flauwvielen tijdens de concerten. Ik begreep wel waarom dat gebeurde. Die kinderen staan ’s morgens om zeven uur op om vanuit Tietjerksteradeel naar de Brabanthallen te komen, hebben te weinig geld om broodjes te kopen, staan de hele dag in zo'n zweterige zaal, worden daar ook nog platgedrukt - ja, dan wil je wel flauwvallen.
Er zal ook wel wat emotie bij gekomen zijn, want het gebeurde altijd als we opkwamen. Dan zag je zo de hele eerste rij omvallen.
We waren heel bang dat er een keer een dode zou vallen onder die samengeperste meisjes. Dus zeiden we altijd: “Er mogen maar zo veel mensen in de zaal.” Er is geen organisator geweest die zich daaraan heeft gehouden. Geen één. Allemaal hebzucht.
We lieten schuimrubber op de dranghekken aanbrengen, we namen allerlei voorzorgsmaatregelen, waardoor we ook nooit zo veel aan die concerten verdienden. Wij vonden vijftien gulden het maximum dat je kon vragen voor een toegangskaartje. Dan riep iedereen natuurlijk dat we gek waren, en moest zo'n kaartje toch 25 gulden kosten.
Hebzucht is zo'n lelijk, maar alomtegenwoordig motief. Daar hebben we het meeste last van gehad. De platenmaatschappij drong aan op een hogere productie dan we aankonden. Met iedere plaat verdienden ze miljoenen, dus werd ons geen rust gegund. En we móesten steeds van alles - er waren altijd tv-programma’s waar we naartoe “moesten”. We hadden het totaal niet meer zelf voor het zeggen. Behalve toen ik zei: laten we ermee kappen. Toen hadden we het weer even helemaal voor het zeggen.
Het is niet écht een hel geworden doordat wij het onderling zo eens waren. We zaten een keer te repeteren, onze manager kwam binnen, hij zei: “Jongens, we kunnen een miljoen krijgen voor één gesponsord concert!” Waarop het hele bandje unaniem zei: “Ja zeg, we gaan daar een beetje staan spelen onder een reclamelogo!” Die manager van ons werd helemaal gek van alles wat wij niet wilden.
We hadden wel eens meningsverschillen, maar die gingen alleen over repertoire en over teksten. Het zat eigenlijk heel goed. We corrigeerden elkaar ook vaak. Als iemand over een grens ging, ineens te wulps de popster uithing, dan hadden we het daarover.
We hebben ook veel gelachen, en veel mooie momenten gehad. Daarom is roem zo'n gevaarlijke maîtresse, omdat ze je ook veel brengt. Je wordt uit de anonimiteit getrokken, overal gaan deuren voor je open. Het wordt gevaarlijk als je die maîtresse te veel wilt behagen. Omdat je dan uit het oog verliest wat mooi is. Je staat een keer nummer 1, en nog een keer. Je volgende liedje wordt nummer 5, je denkt: ik heb het niet goed gedaan. Ik betrapte mezelf soms op de neiging om nieuwe nummers zó te schrijven dat ze leken op de grote hits. Dan ben je dus niet meer bezig goede songs te maken waarmee je ook nog iets wilt zeggen.
Maar ja, ons publiek wist vaak niet eens waar wij het over hadden. We hadden een keer een matineeconcert, en we konden door het daglicht de zaal goed zien. Toen zag ik eigenlijk pas hoe jong het publiek was. Kinderen met T-shirts die tot hun schoenen kwamen, en van die roze-groene polsbandjes om. Jongetjes van zes die meezongen: “Je loopt je lul achterna.” Zo gênant! Ik kon die teksten bijna niet meer uit mijn keel krijgen. Zo'n middag zal ik nooit vergeten. Hoe ik daar als een soort automaat sta te zingen en met een strakke glimlach sta te bassen, en ondertussen in pure wanhoop denk: weg hier, Vrienten, wég! Toen heeft het niet lang meer geduurd. Ineens zie je wat je aan het doen bent. We deden niks slechts, maar we waren toch verworden.
Dat was eigenlijk de hoofdreden dat we stopten. Steeds zeiden we in de kleedkamer tegen elkaar: “Waar zijn we mee bezig, wat een onzin allemaal, dat hele circus eromheen en al die haaien, al die mensen die er geld aan willen verdienen op een lelijke manier.” Het was niet mooi te houden.’
'DE OPLUCHTING. Je begint met een band van vier man. Dan komen de roadies erbij, en de manager, en de platenmaatschappij. Dat lichaam wordt steeds logger. Het is niet meer goed te besturen, dus proberen buitenstaanders het te sturen zoals de media, die ook belang hebben bij het fenomeen, want dat vult hun programma’s en kolommen. Het moment dat je dat achter je laat - ah, die vrijheid! Ik kon me weer bewegen zoals ik wilde, doen wat ik wilde, namelijk filmmuziek schrijven. Met de akkoorden die ík mooi vond.
Toen ik net begon met het componeren van filmmuziek, worstelde ik nog met de resten van de roem. Mij werd ook gezegd: “Ja natuurlijk vragen ze je, omdat jij Henny Vrienten van Doe Maar bent.” Maar ik wilde bewijzen dat ik echt filmmuziek kon maken, en ik hoop nu maar dat ik gevraagd word om wat ik maak.
Het besluit in 1984 om te stoppen met Doe Maar heb ik geen seconde betreurd. Ik denk zelfs nog bijna iedere dag: goddank, ik ben vrij.
Het is ook zo onnatuurlijk, zo'n bandje. Je ziet meer van de andere bandleden dan van je vriendin of vrouw. En het verval, de weg terug, leek mij erg pathetisch. Het moet afgrijselijk zijn om, ouder wordend, te proberen het succes vast te houden. Je kunt toch niet je hele leven in een busje zitten naar Herejezusveen! En ondertussen maar dingen bedenken als: we moeten ons imago veranderen - ik noem maar iets vreselijks. Geen rode leren broek meer, maar een witte leren broek. Of: nu gaan we unplugged. Brrrr.
Gek genoeg wordt het als een soort deugd beschouwd om heel lang hetzelfde te doen. Kijk naar de Rolling Stones, die spelen nog steeds dezelfde schema’s als dertig jaar geleden. Ik had grote behoefte om iets anders te gaan doen. Ik vind het belangrijk om steeds nieuwe dingetjes te leren. Niet je hele leven hetzelfde kunstje te doen. Filmmuziek schrijven is iedere keer weer anders. De ene keer een groot orkest, dan weer een introvert strijkje, of nu, bij Abeltje, heel energieke, pop-achtige muziek. Had ik allemaal nog nooit gedaan. Ik raak pas echt geïnteresseerd als ik iets ga doen waarvan ik van tevoren denk: dat kan ik niet.’
'TOEN WE STOPTEN kwamen er heel veel aanbiedingen op ons af. We konden quizmaster of presentator of filmster worden. Dan moet je nog even heel sterk zijn om daar niet aan toe te geven, en dat is ons allen gelukt. Er kon ook alleen maar nee uit onze monden komen. We hadden allemaal wel een deuk in onze onbevangenheid opgelopen.
Ik vind het zo ongemakkelijk, al die aandacht, en zo beschamend. Want waar word je nog aan getoetst als je al bekend bent? Een beroemde tv-kok hoeft alleen nog maar wat aardappels in een pan te gooien. Die wordt allang niet meer op zijn recepten beoordeeld, maar op zijn roem. Zoals wij niet meer op onze muziek en teksten werden beoordeeld.
Die waanzinnige, opgeblazen mediahype, die absolute waanzin die wij meemaakten omdat we toevallig wat liedjes schreven op een gitaar - ik geloof niet dat dat vaker is gebeurd in de Nederlandse popmuziek. Hoewel Marco Borsato nu ook heel groot is. En De Dijk - op een heel andere manier, op een stabiele, eigen koers.
De Dijk heeft altijd een duidelijk circuit gehad waar ze in pasten. Ze hebben volgens mij ook verstandige besluiten genomen. Beter dan wij, maar vanuit een luwte kun je ook betere beslissingen nemen. Als je in het vuur staat, maak je rare sprongen.
Ik ben af en toe jaloers als ik De Dijk muziek hoor maken. Dat hechte band-gevoel, het spelen in totale swing - dat mis ik wel eens. Er is iets heel moois aan een geolied bandje dat in een goed klinkende ambiance zichzelf uit de naad speelt, zodat er niks meer van je over is dan een hoopje vies T-shirt en zweet. Dat geeft een heel goed gevoel. Als het dát had kunnen blijven, stonden we er nu misschien nog.
Konden wij nu een toertje organiseren langs veertien leuke tentjes; en daar voor drie-, vierhonderd man een concert geven zonder heisa, zonder dat afgrijselijke tv-licht - we zouden het onmiddellijk doen. We fantaseren er wel eens over. Maar het kan niet. De pers komt daar en masse op af, er staan veertig tv-ploegen voor de deur. Het wordt opgeblazen, men vindt dat belangrijk. Dat is het pathetische ervan.
Toen Herman Brood vijftig werd, speelde Doe Maar op de backing track. We hadden vijftien jaar niet samengespeeld. We zaten tegenover elkaar, de knoppen gingen aan, en het gevoel was er onmiddellijk weer. We keken elkaar aan en wisten: we kunnen het nog. Een prachtige swing - ik dacht: ja, dit was een tópband.’