Roem of vergetelheid

De negentiende eeuw was voor Frankrijk de meest roerige uit de geschiedenis. Via drie personages roept historicus Henk Wesseling haar tot leven. ‘Een geruststellend bewijs dat half vergeten levens plotseling ongekend veel zeggingskracht kunnen krijgen.’

Francofilie is een liefde waar een historicus van de moderne tijd zich zonder al te veel problemen aan kan laven. Een geschiedschrijver die luidop beweert dat Duitsland het mooiste land ter wereld is, doet wenkbrauwen fronsen. Een geschiedenis die Stalin en Poetin omvat maakt al te opzichtig beleden russofilie ingewikkeld. Amerika-adepten vind je vooral onder journalisten, de meeste historici van dat land houden iets meer afstand tot hun onderwerp. Nee, Engeland is wellicht een goede tweede, maar met landenliefde verknoopte professionele interesse is in de geschiedwetenschap vooral voor Frankrijk weggelegd.

In ons taalgebied is Henk Wesseling onbetwist voorbeeld van de historicus met een romantische adoratie voor dat land. Onlangs werd die liefde nog eens bevestigd, in een interview dat de Volkskrant hield met Wesseling. ‘Ik ben gewoon stapelverliefd op Frankrijk’, zei de Leidse emeritus-hoogleraar, die hardop droomde van de bloeiende kastanjes in Parijs, de geperste eend die wordt geserveerd in La Tour d’Argent en de fiere Notre Dame. Dat soort lyriek zul je niet snel horen op de afdeling Oost-Europese geschiedenis.

Scheffer – Renan – Psichari: Een Franse cultuur-en familiegeschiedenis 1815-1914 is het nieuwste resultaat in een lange carrière van Frankrijk-liefde. Kort over de ondertitel: die dekt de inhoud slechts deels. Wesseling pakt ook nog even de Franse Revolutie mee en hij schrijft net zo uitgebreid over politiek als over cultuur. Wat betreft die familiegeschiedenis, de Nederlandse-Franse schilder Ary Scheffer, de intellectueel Renan en de devote militair Ernest Psichari zijn verwanten, maar Wesseling behandelt ze als unieke individuen. De wind des tijds waait om de bladeren, niet om de stamboom.

Medium cjzpcxpw8aalvak.jpg large
Ary Scheffer, L’arrestation de Charlotte Corday, 1830. Olie op doek, 122 x 167 cm © Jean Louis Mazieres/Flickr

Waar Scheffer – Renan – Psichari vooral over gaat is de Franse negentiende eeuw, de meest roerige in zijn geschiedenis waarin het land acht keer van huid verwisselde. Na de revolutie kwamen de Republiek, Napoleon Bonaparte, de Restauratie, de Julimonarchie, de Tweede Republiek, het Tweede Keizerrijk (onder Napoleon III) en de Derde Republiek na de Frans-Pruisische oorlog van 1870. In die periode veranderde Frankrijk van een verzameling feodale regio’s tot een moderne Europese eenheidsstaat. ‘Van boeren tot Fransmannen’, zoals de historicus Eugen Weber deze transformatie ooit treffend samenvatte.

Tegen deze duizelingwekkende decorwisseling voert Wesseling drie mannen ten tonele die ieder model staan voor een fase van het tijdvak dat hij behandelt. Om te beginnen Ary Scheffer (1795-1858), de kunstschilder die in Dordrecht ter wereld kwam en in Parijs een grootheid werd. Dankzij patronage van de Franse aristocratie kon Scheffer uitgroeien tot de meest gevierde kunstenaar van zijn moment. Hij schilderde portretten van de De Lafayettes, de De Orléans en buitenlandse bezoekers zoals Benjamin Franklin en George Washington. Van zijn Romantische taferelen en christelijke voorstellingen werden duizenden gravures verkocht. In zijn Salon waren Chopin, Dickens en George Sand graag geziene gasten.

Politiek bevond Scheffer zich in de behoudzuchtige hoek. De maatschappelijke bovenlaag vormde zijn belangrijkste opdrachtgever en vulde ook zijn vriendenkring. Een heldere getuigenis van Scheffers opvattingen, zo legt Wesseling uit, is zijn werk De gevangenneming van Charlotte Corday. Zij was de vrouw die in 1793 de radicale Jacobijn Jean-Paul Marat in bad vermoordde. ‘Corday werd aanvankelijk gezien als de vleesgeworden contrarevolutie, de reactie. Marat als held van de revolutie’, zo legt Wesseling uit. Scheffer schilderde haar als standvastige vrouw die na haar bloedige daad wordt afgevoerd door een rauwe meute revolutionairen.

Dit soort conservatieve taferelen deden het goed bij de Franse elite omdat ze hielpen de volksmassa af te schilderen als een gevaarlijk creatuur. Louis-Philippe hertog van Orléans, de ‘burgerkoning’ die bewind voerde na 1830, kocht het werk voor zijn nationale museum in Versailles. Toen opstandige meutes tijdens de revolutie van 1848 een einde maakten aan zijn bewind hielp Scheffer, in dienst bij de nationale garde, Louis-Philippe en zijn familie per koets uit Parijs ontsnappen.

Renan betoogde dat de man uit Nazareth niet de zoon Gods was maar, gewoon, een uitzonderlijk mens

Zo gevierd als Scheffer was, zo vergeten raakte hij daarna. Wesseling noteert dat Scheffer in zijn tijd twintig keer meer voor zijn schilderijen kreeg dan de veel bekendere Delacroix. En Dordrecht heeft weliswaar een Scheffer-standbeeld en een Scheffersplein, maar hij is niet opgenomen in de galerij der groten van de kunstgeschiedenis. Met enige meewarigheid concludeert Wesseling dat Scheffers woonhuis in de Rue Chaptal nu een klein museum voor Romantische kunst is, terwijl die andere Nederlandse schilder die zijn geluk in Frankrijk beproefde (en daar hopeloos vastliep), jaarlijks honderdduizenden richting Museumplein trekt. De schuld legt Wesseling bij Baudelaire die het werk van Scheffer afdeed als oppervlakkige sentimentaliteit en daarmee de toon zette voor hoe deze Hollandse Fransman de geschiedenis in ging.

Een reputatie die de tijd wat beter heeft doorstaan is die van Ernest Renan, het tweede hoofdpersonage uit Wesselings boek. Renan, een Breton van eenvoudige komaf, was halverwege de negentiende eeuw de bekendste intellectueel die in Frankrijk rondliep. Hij was een van het geloof gevallen priesterleerling die voor rijen bij de boekhandels zorgde toen zijn Vie de Jésus uitkwam. Daarin betoogde Renan dat de man uit Nazareth niet de zoon Gods was maar, gewoon, een uitzonderlijk mens. Die wetenschappelijke benadering van het christelijke geloof zorgde tot ver buiten Frankrijk voor ophef. De clerus drong aan op schorsing bij het Collège de France waar Renan doceerde. Aldus geschiedde. Voor Renans reputatie als eigenzinnige geest was het alleen maar goed.

Wesseling herinnert eraan dat het Ary Scheffer is geweest die Ernest Renan een belangrijk opkontje gaf. In oktober 1854 nodigde de schilder hem uit voor zijn salon. Daar werd Renan voorgesteld aan de Parijse beau monde en leerde hij het nichtje van Scheffer, Cornélie, kennen met wie Renan trouwde. Verbintenis met de beroemde Scheffers was tegelijkertijd een financiële en een carrièreboost en hielp hem een internationaal vermaard denker te worden. Qu’est-ce qu’une nation?, de bekende redevoering waarin Renan de natie omschreef als ‘een dagelijks plebisciet’, sprak hij voor het eerst uit in Leiden, op uitnodiging van een corpsdispuut.

Renan stierf in 1892 en kreeg een begrafenisstoet van jewelste (De Groene Amsterdammer publiceerde destijds een in memoriam van meer dan drieduizend woorden waarin A.G. van Hamel, predikant en hoogleraar Frans in Groningen, Renan omschreef als een van de grootste genieën van de negentiende eeuw). Op dat moment stond het Franse zelfbeeld onder druk. Frankrijk had in 1870 verloren in de oorlog met Pruisen, was Elzas-Lotharingen kwijtgeraakt aan het nieuwe Duitse Keizerrijk en moest genoegen nemen met een tweede plaats in Europa. Wat Frankrijk aan macht inboette op het continent, moest worden gecompenseerd met koloniale expansie, vooral in Afrika. Tegelijk ontstond ruimte voor een nieuw slag publieke figuur. Niet van het type Renan die Duitsland bewonderde om zijn wetenschap, maar voor iemand die de Fransen gaf waar ze toen behoefte aan hadden: nationale trots, spirituele piëteit (tegenover de ‘Duitse’ ratio) en geloof in de beschavende werken van de Franse cultuur in landen aan de overkant van de Middellandse Zee.

Aanzwellend nationalisme, militarisme en kolonialisme komen samen in het derde leven dat Wesseling voor vergetelheid wil behoeden. De Psichari uit zijn titel is Ernest Psichari, een kleinzoon van Ernest Renan die werd geboren in het huis van Ary Scheffer. Via overerving was dat in bezit gekomen van Ernest Renans dochter, Noémi Renan. Psichari was een lankmoedige jongen die zijn studie niet afmaakte, als homoseksueel tegen maatschappelijke taboes aanliep en uiteindelijk een lotsbestemming vond als krijgsman.

In dienst van het leger verbleef hij jarenlang in Frans-Afrika. En hoewel zijn missies verliepen zonder een schot te lossen, verkondigde hij in geschriften dat oorlog het mooiste was dat een mens en de Franse natie kon meemaken. Bij thuiskomst in Frankrijk in 1912 voegde Psichari katholieke mystiek toe aan zijn geloofsportefeuille door zich te laten dopen en lekenbroeder te worden. Door toedoen van Duitse strijdkrachten die op de been gebracht waren met hetzelfde oorlogsenthousiasme dat Pischari vervulde, sneuvelde hij in de eerste maand van de Eerste Wereldoorlog.

Van de drie biografieën in Scheffer – Renan – Psichari krijgt de laatste het meeste kleur, vooral omdat Wesseling zich ook waagt aan psychologische duiding van Ernest Psichari. Tegelijk wekt het boek een verlangen meer te weten te komen over deze gekwelde katholieke bekeerling die vond dat kanonnen de enige realiteit van de moderne wereld zijn. Wie meer Psichari wil moet in het antiquariaat op zoek naar Soldaat en krijger, de doctoraalscriptie waarmee Wesseling zijn loopbaan als historicus begon.

De hoofdstukken over Ernest Psichari eindigen met bespiegelingen van Wesseling over hoe die naam postuum voortleefde. Aanvankelijk was dat als dappere martelaar en, ook buiten Frankrijk, als katholiek van betekenis. Vanaf de jaren vijftig wordt het stil rondom Psichari. Nationalisme, devotie en oorlogszucht is geen combinatie die een historisch figuur populair kon maken in de afgelopen halve eeuw, zeker niet in Frankrijk.

Zo tekent zich nog een thema af in Wesselings erudiete, op docerende toon geschreven geschiedenis. Behalve over opkomst en teloorgang van het land en haar volk, een kwestie die Frankrijk permanent in de greep heeft, gaat Scheffer – Renan – Psichari over wat er komt na de dood. Uit de levens die Henk Wesseling heeft opgetekend wordt duidelijk dat wie grote successen vierde bij leven niet automatisch op het erepodium van de geschiedenis belandt, of daar in ieder geval nooit een permanente plaats heeft. Tegelijk is dit boek geruststellend bewijs dat halfvergeten levens plotseling ongekend veel zeggingskracht kunnen krijgen.