Roep om stilte

Toon Tellegen, Over liefde en over niets anders. Uitg. Querido, 61 blz., 339,90
In Toon Tellegens nieuwe dichtbundel voor grote mensen, ook toegankelijk voor minder grote mensen, zwerven abstracties zoals ‘het leven’, ‘het verlangen’, ‘de liefde’, ‘de eenvoud’ over de bladzijden. Soms zijn ze tot personage gemaakt, maar meestal vervullen ze een beperktere rol als menselijke projectie. De mens kenmerkt zich immers doordat hij, anders dan een dier of ding, kan denken en dichten. Hij is tot het vormen van grootse begrippen in staat.

In Tellegens dierenverhalen handelen zijn mensachtige beesten soms onverwacht gemeen en irrationeel, zodat ondanks het grappige de rillingen over je rug lopen. Die verhalen bezitten een knap evenwicht tussen knusheid en engheid, ideaal voor kinderen. In de grotemensen-Tellegen komt zwaarder geschut aan de orde. Daar heeft de dood zijn intrede gedaan.
Het begrip dat het meest voorkomt en blijkens de titel de kern van de bundel vormt, is de liefde, vaak verkleed als verlangen. ‘De liefde die de zon beweegt en alle sterren’ luiden de slotwoorden van Dantes Divina commedia, en ik denk dat die Tellegen op zijn beurt hebben bewogen. Liefhebben is net als denken een aan mensen voorbehouden activiteit. Alleen de mens is ertoe in staat.
Aan dat specifieke humane vermogen lijkt Tellegen hier een hommage te brengen, eerder nog dan aan de taal, al gebruikt hij die als altijd doeltreffend, op zijn onverwisselbare manier. Zijn taal is sober en zelden simplistisch, zoals in het beeld 'schuilen bij elkaar’, dat toonhermansiaans smaakt. De gedichten zijn kort maar zeer dramatisch. Op de beste momenten, en dat zijn er veel, is sprake van een suggestieve eenvoud die de lezer veel langer boeit dan alleen tijdens één keer lezen.
Of Dante inderdaad door Tellegens hoofd heeft gespeeld weet ik niet, maar dat de bijbel een inspiratiebron is geweest staat vast. De bundel begint met een genesis: 'De jaloezie was jong,/ ze dampte nog’, regels die zwanger zijn van noodlot. Na een beschrijving van hoe alles op gang kwam ('De natuurwetten kraakten, knarsten’) volgt de aangrijpende slotstrofe: 'Kaïn hief zijn arm omhoog./ Alles begon, alles was nieuw,/ alles was onontkoombaar.’
Uitgesproken gevoeligheid is niet in de mode in de Nederlandse poëzie, maar mode is het laatste waar deze dichter zich iets van aantrekt. De druktemakers die hij opvoert zijn doordrenkt van weemoed om wat voorbijgaat, want weemoed is de pendant van de 'liefde die beweegt’. De reden is duidelijk: overal ligt de dood op de loer, door sommigen dapper onderzocht, door anderen even dapper genegeerd. De dood is de ware hoofdpersoon in al het gedruis en is ergens prachtig gevangen in geografische termen waarin wordt gestroomd en uitgemond.
Intussen leiden de mensen het leven dat hun is toegemeten. Ze gaan weg of juist niet, ze passen op of juist niet, ze graven, en ze roeren zich in een dadendrang die moeilijk te stuiten is: 'Iemand riep om stilte’. Grote en kleine dingen lopen door elkaar heen en worden met ostentatief gebrek aan hiërarchie gepresenteerd. Wel is duidelijk dat de liefde mag proberen hoger te staan dan de waarheid, af te gaan op het gedicht dat luidt:
'Je moet, zeiden ze, de waarheid onder ogen zien./ Nu! Nu meteen!/ Ik zag de waarheid onder ogen.// Toen het donker werd fluisterden ze:/ nu mag je wel iets anders onder ogen zien -/ als je wilt.// Het was stil/ en ik zag de liefde onder ogen/ en de onnadenkendheid met haar reusachtige vleugels/ en de eenvoud van het maanlicht op mijn muur.// Nu weer de waarheid, zeiden ze. Nu!’