Roepen naar het doek

Een cliche hoeft niet vervelend te zijn. Zelfs niet als het tot op de draad is versleten. Voor de genrefilm en zeker voor het als liefhebber plezier beleven aan de genrefilm is het cliche onontbeerlijk. Het is een grote vergissing om te denken dat de liefhebbers van actie- of horrorfilms willen worden verrast, in spanning willen zitten of angst willen worden aangejaagd. Het zien van een stevige thriller van het meer bloedige soort heeft in een zaal met fans eerder iets feestelijks dan iets angstigs.

Cliches worden binnen deze context met groot en luidruchtig enthousiasme onthaald. Het cultpubliek van horrorfilms roept naar het doek als betreft het een poppenkastvoorstelling, al heeft het de illusie dat de held te waarschuwen is voor dreigend gevaar al lang opgegeven. De aanhangers roepen natuurlijk ook niet echt naar het doek, maar via een schijnbeweging naar elkaar of misschien wel direct naar zichzelf.
Liefhebbers van het gelegitimeerd roepen en schreeuwen in de bioscoop konden onlangs weer terecht bij het succesvolle Weekend of Terror in Amsterdam (en - nog niet zo succesvol - ook in Rotterdam). Zelf was ik even in Brussel waar ze niet een weekend, maar ruim twee weken hadden uitgetrokken voor het ook al zeer succesvolle Festival van de Fantastische Film. En met succesvol bedoel ik dan dat avond aan avond honderden mensen toestromen om films te zien waar een gewone sterveling nog nooit van heeft gehoord. Bijvoorbeeld naar Final Combination van ene Nigel Dick. Een wat ranzige politie-thriller waarin het serial killer-thema nog eens wat verder wordt uitgemolken. Dat de film eigenlijk van het tweede garnituur is, dat hij inderdaad vol cliches zit, zijn plot merkwaardig vroeg weggeeft en dat er niet goed in wordt geacteerd, is iets wat het liefhebbende publiek in het geheel niet deert. Integendeel. Van iedere voorspelbare ontwikkeling in de film wordt met volle teugen genoten: als er gebeurt wat iedereen denkt dat er gebeurt, wordt er luid gejoeld en geapplaudisseerd. Het opzichtig verweven liefdesverhaaltje tussen de goede cop en een fraaie verslaggeefster wordt met ironie ontvangen (iedere zoen wordt begeleid met gefluit en smakgeluidjes), maar roept overduidelijk geen enkele irritatie op. Voor dit publiek lijkt de film niet slecht genoeg te kunnen zijn. De toch oprecht als een spannende film bedoelde produktie wordt ontvangen als een komedie en op dat moment is in die zaal deze film ook niet anders te zien dan als een komedie en dat maakte, ook voor mij, alles goed. Final Combination is een voorbeeld van een film die tegen zijn eigen bedoelingen in en ondanks zijn geringe kwaliteit bij het juiste publiek toch een prettige voorstelling kan opleveren.
Leuker is het toch als een film het publiek een paar stappen voor blijft. Dat was in Brussel het geval bij 12:01 van Jack Sholder (die voor de kenners de man is van The Hidden, A Nightmare on Elm Street II en Renegades). Het gegeven is lekker onzinnig en staat in de beste B-filmtradities: een gekke wetenschapper heeft een apparaat uitgevonden dat een variant is op de goede oude tijdmachine. De held, die op het instituut van de wetenschapper een onbeduidend baantje heeft, is zich door een toevallige complicatie als enige bewust van het geknoei met de tijd (de titel 12:01 geeft het moment aan waarop de tijd werd verplaatst). Hij wordt gedwongen om meermalen dezelfde dag te beleven: de dag dat een begeerlijke wetenschapster wordt vermoord. De held poogt keer op keer de loop van de fatale dag te laten veranderen en daarmee ontstaat een geestig en intelligent spel met cliches en allerlei varianten die daarop zijn te bedenken. Anders dan bij Final Combination gebeurt in 12:01 steeds juist net niet wat je verwacht en dat blijkt toch echt veel leuker te zijn. Om lachen is nu eenmaal aardiger dan uit-lachen.