Nexus-Conference 2000

Roerei Europa

Heeft de Europese cultuur na een eeuw van oorlog en nihilisme nog recht van bestaan? De prominente geesten op de Tilburgse Nexus-Conference 2000 bleven het antwoord schuldig.

Er zijn twee dingen in het leven die bijna altijd een beetje tegenvallen: conferenties en verslagen van conferenties. Het tweede type teleurstelling valt makkelijk te begrijpen: een samenvatting kan geen recht doen aan de manier waarop een Britse filosoof het woord «kalasjnikov» uitspreekt, aan een postkoloniaal getint Oxbridge-accent, aan de merkwaardige bekendheid van een onbekend Russisch gezicht, en de conclusies zijn af en toe zo waterig dat de lezer zich niet kan voorstellen dat de sprekers daarvoor de oceaan zijn overgestoken. Pas bij het verschijnen van de volledige teksten - soms maanden later, soms helemaal niet - kan de culturele dorst worden gelest, maar tegen die tijd heeft de bewust levende Europeaan alweer andere zaken aan zijn kosmopolitische hoofd, of is hij van hobby veranderd. Het tegenvallen van de conferenties zelf is een fenomeen van een geheel andere orde. Er waren voor de Tilburgse Nexus-Conference 2000, getiteld The Legacy of the 20th Century. Part III. The Muses’ Farewell, zo veel sprankelende geesten uitgenodigd dat de bezoeker de overtuiging kreeg dat het met de culturele neergang van Europa en Amerika onmogelijk zo'n vaart kon lopen - en inderdaad, deze conferentie kon eigenlijk al niet meer mislukken op het moment dat de Indische Oxfordiaan Homi Bhabha er geen enkele behoefte aan bleek te hebben om op zoek naar «universele waarheden» en een «overkoepelende geschiedenis» de «culturele diversiteit» te «overstijgen»; als intieme kenner van twee werelden was hij tot de conclusie gekomen dat het even moeilijk is om een cultuur te ontrafelen als «to unscramble scrambled eggs ». De congresbezoeker leunt na deze verhelderende beeldspraak ontspannen achterover en herleest het in zorgelijke bewoordingen gestelde persbericht: «Wat is er van de Europese cultuur overgebleven na een eeuw gekenmerkt door totalitarisme en nihilisme? Heeft deze cultuur na twee wereldoorlogen, atoombommen en voortdurende genociden nog wel recht van bestaan en is het niet beter dat zij plaatsmaakt voor een andere cultuur met andere waarden?» Voorwaar geen kinderachtige vragen, gevolgd door de verrassende suggestie om maar helemaal op te houden met onze cultuur. Godsdienst, kunst en politiek lijken volgens de organisatoren «geen antwoord te hebben op fundamentele ontwikkelingen in onze maatschappij» en ze vragen zich af wat er nu moet gebeuren. De onvermijdelijke Gandhi-anekdote laat ditmaal tot na de lunch op zich wachten. Gandhi werd gevraagd wat hij dacht van de Europese beschaving. «Een goed idee», zou de mahatma hebben geantwoord, een repliek die zo vertrouwd-apocrief aandoet dat je je afvraagt welke westerse journalist het verhaal ooit heeft bedacht. De grootse vraagstellingen wekken de nodige verwachtingen, maar dit type conferentie kan niet met oplossingen komen, zoals Robert Boyers, een van de discussieleiders met de nodige postmoderne wellust vaststelt; de onbevredigende afloop is inherent aan de eindeloosheid van het onderwerp, en eenvoudige antwoorden zouden de «innerlijke dynamiek van de probleemstelling» - dit had een citaat moeten zijn, maar helaas zei niemand het zo - alleen maar hebben ondermijnd; «I have no simple answer», zegt de musicoloog Donald Mitchell tijdens zijn praatje, «and I haven’t even a complex one.» De bezoeker ervaart noodzakelijkerwijs een zekere teleurstelling, hoe boeiend de opgeworpen vragen ook zijn, maar het is het soort teleurstelling dat neerkomt op een compliment. Het aan de Katholieke Universiteit Brabant verbonden Nexus-instituut, dat «uitdagend » vorm wil geven aan het «cultuurkritische debat» en daartoe driemaal per jaar een mooi dik essaytijdschrift uitbrengt, gaat overigens ook zelf een crisis tegemoet, want in het kader van Rick van der Ploegs mercantilistische veldtocht is de subsidie van het instituut geschrapt. Het zou doodzonde zijn wanneer deze conferenties niet meer zouden plaatsvinden; waar en wanneer tref je George Steiner, Susan Sontag, Arthur Danto, Roger Scruton, Tatyana Tolstaya, Joop Doorman, Elmer Schönberger, Homi Bhabha, Peter Eisenman, Adam Zagajewski en vele anderen op één dag in dezelfde ruimte aan? Het kon niemand erg veel schelen dat de prominenten geen antwoord hadden op Europa’s veronderstelde problemen, zolang hun vooroordelen maar dwingend en stijlvol gepresenteerd werden. «Rockmuziek is erop gericht om je ruimte te beperken », riep Steiner strijdlustig in de microfoon, en hij vroeg zich af: «Can I connect Cordelia with the cry in the street?» De vraag naar de verhouding tussen de «hoge» en «lage» ingredi ënten van de Europese scrambled eggs-versie is een terugkerend thema in de voordrachten en debatten. De genodigden laten zich op diverse manieren uit over de tegenstelling tussen high art en low art. Waar Scruton zich onomwonden tot de elitekunsten als toevluchtsoord bekent, houdt de televisieloos levende Susan Sontag zich niet erg bezig met deze kwestie (op sommige dagen juicht ze de «culturele democratisering» toe, op andere weer niet) en Peter Eisenman, architect van het nog te construeren Holocaust-monument in Berlijn, laat weten dat hij vanavond het liefst bij de Europacupfinale Real Madrid-Valencia had gezeten, dat de Kurt Weill-liederen die na het diner door Henriette Schenk en Paul Prenen ten gehore werden gebracht hem aan rap doen denken en dat hij zowel rap als Kurt Weill vervelend vindt, maar Lou Reed daarentegen geweldig. Tot diepe bespiegelingen over de tegenstelling tussen de massa en de elite wil het vandaag niet zo komen, en evenmin tot een precieze formulering van de veronderstelde Europese crisis; het valt dan ook niet mee om aan het ziekbed enige troostende woorden te spreken. Wat heeft de patiënt onder de leden? Is er eigenlijk wel een patiënt? Cultuurgeschiedenissen van de twintigste eeuw ademen een atmosfeer van metamorfose en verwarring, maar voorzover het om pessimisme gaat is het, krijgt men de indruk, een buitengewoon energiek soort pessimisme. De culturele exegeses leunen zwaar op begrippen als «breukvlak», «overgangstijd», «schisma», «secularisering», «stuurloos», «middelpuntvliedend», «gefragmenteerd», «de dood van God» en, bijna altijd misplaatst, «Heisenberg», maar deze semi-permanente crisis valt soms moeilijk te onderscheiden van een oprechte behoefte aan experimenteren en onderzoeken, alsof er sprake is van een hartstochtelijk nagestreefde crisis, die zich voordoet als een noodzakelijke artistieke ontwikkeling. Joyce eindigt met Finnegan’s Wake in het incommunicabele, Malevich schildert witte vormen op een witte achtergrond, futuristen en dadaïsten zijn niet langer ge ïnteresseerd in de betekenis van hun gedichten en Duchamp maakt de kunst tot onderwerp van zijn kunst. Achteraf gezien - maar alleen dan - lijken deze artistieke ontwikkelingen tamelijk voorspelbaar, omdat het experimenteren met de beschikbare middelen wel naar een logisch eindpunt moet voeren. De geruststellende gedachte aan een onbekommerd verval dringt zich nadrukkelijk op tijdens de lezing-met-lichtbeelden van René Clair, de erudiete en aangenaam bescheiden directeur van het Picasso-museum die zijn Engelstalige lezing tegen de body politics met enkele Franse volzinnen inleidt, waarvan eigenlijk alleen de term «vulgarité» goed te verstaan is. Wanneer ze willen doorbreken, zet Clair uiteen, moeten moderne kunstenaars zich specialiseren in de volstrekte lichamelijkheid en het alledaagse, in bloed, uitwerpselen, braaksel en stront; de profanatie van het lichaam wordt de laatste jaren tot kunst verheven, taste vervangen door distaste, dat alles in een poging om de privé-sfeer tot nul te reduceren. Het gaat hier niet om kunstwerken die het lichaam op subtiele wijze als uitgangspunt kiezen, maar om pornografie. Clair laat in hoog tempo allerlei meer of minder schokkende dia’s zien, een foto uit het lijkenhuis van Andreas Serrano, Tracey Emins onopgemaakte bed, een mutilatie-act uit de jaren zestig van Schwarzkogler, Mapplethorpe (wanneer we het goed zagen, had de artiest een fietspomp op zijn anus aangesloten), werk van Jeff Koons, Cindy Sherman, Chris Burden en diverse anderen. Het is tot op zekere hoogte de «schuld» van de voorlopers, meent Clair, en hij herinnert aan Joseph Beuys met zijn vet en bont, aan Manzoni’s blikjes artist’s shit en aan Duchamps gesigneerde urinoir uit 1917. Het wordt stil in de aangenaam sfeerloze aula van de kub, en hoewel iedereen wel begrijpt dat er in de moderne kunst meer aan de hand is dan alleen dit soort ontluisterende body art, heeft Clair toch een gevoelige snaar geraakt. Roger Scruton - hij beweegt zich alsof hij zojuist enkele uren op een paard heeft doorgebracht - prijst Clair later die middag als een beschaafd en erudiet man, heel anders dan het menstype dat in Groot-Brittanni ë de musea onder controle heeft. Scruton gelooft hartstochtelijk in een hogere cultuur met een intrinsieke, tijdloze waarde, die niet wordt beïnvloed door effectbejag en succes. Niet de wetenschap, maar de kunsten zijn de leveranciers van betekenissen; de kunst schept de onschuld en de schoonheid die de wereld zelf niet bezit. In de moderne wereld bestaan geen kuisheid en afstand. De desacralisatie waar Clair over sprak wil verhinderen dat de lichamelijkheid een probleem is; dit soort kunst verkleint de afstand tussen mensen, terwijl de hogere cultuur - complex taalgebruik, kuisheid, beschaafdheid - de afstand vergroot, en daarmee de privacy herstelt. Liefde kan alleen ontstaan door eerst afstand te creëren, en dat is de taak van de hogere kunst, die «transcendent» zou moeten zijn. De Panamese drugsbaron generaal Noriega was een operaliefhebber, en daarom treiterden de Amerikanen hem net zo lang met hardrockmuziek tot hij zich overgaf. We zijn eigenlijk heel alleen zonder de afstand die we zo hard nodig hebben, besluit Wim Kayer-survivor Scruton: «Er is te veel nietszeggende intimiteit.» Mapplethorpe is voor hem het beeld van de nieuwe Amerikaanse eenzaamheid. Scrutons verhaal is één van de weinige op basis waarvan zich een heel wereldbeeld laat reconstrueren - in dit geval een visie die past bij het beeld van de paardenminnende conservatief die niet geheimzinnig doet over zijn elitarisme. De criticus en essayist Arthur C. Danto is ervan overtuigd dat al die triviale bodykunstwerken nooit als hogere kunst bedoeld zijn. Zelfs Leni Riefenstahl heeft bewonderaars, om de simpele reden dat haar beelden iets over de aard van de mens te melden hebben. Het wordt nog even gezellig wanneer Ian Buruma («there is a terrible neutrality in aesthetics») moeite heeft met Steiners verhaal dat Theodor Herzl en Adolf Hitler in Wenen naar dezelfde uitvoering van Wagners Tannhäuser zouden hebben geluisterd, maar er totaal verschillende conclusies uit trokken; Herzl zou juist tijdens deze voorstelling het idee voor zijn Judenstaat hebben gekregen. Buruma suggereert dat het in Parijs moet zijn geweest, waarop Steiner hem toebijt dat hij zijn huiswerk beter moet doen, maar de feiten spreken ditmaal niet in zijn voordeel - Herzl overlijdt in 1904, Hitler vertrekt in 1907 naar Wenen, en Der Judenstaat dateert al van 1896, wanneer Hitler zeven jaar oud is. Het is een incident dat de atmosfeer van licht snobistische welwillendheid gelukkig niet kan verstoren. Peter Eisenman laat tijdens het avonddebat een andere toon horen, maar eerst zwijgt de Amerikaan nog geruime tijd; terwijl de anderen aan het woord zijn, zit hij in het congresfoldertje te lezen of kijkt hij volkomen ontspannen om zich heen. Susan Sontag is vandaag in een milde bui; ze verzet zich tegen «facile polarizations» en ze kiest voor een ander «discourse of decline». Is er een gevoel van neergang? Jazeker, maar de productie van mooie kunst gaat gewoon door. Ze herinnert aan de verjaardag van Josip Brodski, die vandaag zestig zou zijn geworden. Ze is de enige die regelmatig de zaal in kijkt, met die verwoestend heldere blik die volkomen ongeschikt lijkt voor een critica die ooit beweerde Against Interpretation te zijn. Susan en George mogen eerst de show stelen, hooguit onderbroken door Adam Zagajewski, die er volmaakt uitziet als de Poolse dichter die hij is, iets wat doorgaans alleen voor Poolse dichters is weggelegd. Hij betreurt het ontbreken van het extatische in de dichtkunst, de poëzie is hem te ironisch. Zagajewski is opgegroeid in de buurt van Auschwitz: «De grote transgressie was al achter de rug, overschrijdingen in de dichtkunst hoefden niet meer.» De taak van de dichtkunst, zoals ook Zbigniew Herbert die opvatte, was om weer iets op te bouwen. «Er is deze eeuw te veel transgressie geweest», vindt Sontag, en ze vertelt dat het zien van concentratiekampfoto’s in 1945 - ze was twaalf - de meest ingrijpende ervaring uit haar leven is. «We worden zwaar beïnvloed door foto's», zegt ze, «soms meer dan door de werkelijkheid.» Eisenman, ontwerper van het beruchte Mahnmal, een sobere constructie met betonnen palen, voelt zichzelf geen debater. Hij staat al aan het front, in Berlijn, waar 97 procent van de inwoners tegen zijn ontwerp is, hetgeen hem overigens het gevoel geeft op de goede weg te zijn. Hij vindt alle oorlogsmonumenten pathetisch, al die kunstzinnigheid, die zuilen met ruiters, high art, low art, no art, hij weet het niet, het kan hem ook niet veel schelen, en eigenlijk houdt hij wel van wat pornografie op zijn tijd. Hij is teleurgesteld over deze dag, te veel een «parade van high art». Hij is het in vrijwel niets met Scruton eens. Je moet voorzichtig zijn met «hoog» en «laag», Piranesi werd in zijn tijd verketterd, Winckelmann zag hem niet zitten, en nu moet je eens zien. De privacy waar Scruton om smeekte is volgens Eisenman geen probleem: «Ik woon in een gebouw met vijfduizend mensen en ik ben nog niet één keer iemand twee keer in de lift tegengekomen.» Wanneer Sontag wil weten wat er mis is met het Holocaust Memorial in Washington, antwoordt Eisenman dat de Shoah «niet te representeren» is; het is allemaal een kwestie van «cruciale afstand», en zelfs zijn eigen werk wantrouwt hij tot op zekere hoogte. Tijdens het verzamelen voor de bussen vraagt Eisenman of iemand weet wat de uitslag van Madrid-Valencia is, maar er is een overmaat aan hogere cultuur in zijn nabijheid en weer heeft niemand het doorslaggevende antwoord.