Kijken

Roerloos liggen

In de kleine sculptuur van Lon Pennock zien we schitterende verschuivingen van volume en contour. En we denken opnieuw aan Rembrandt.

Lon Pennock, Stapeling, 2014. Zwart staal, 7 x 14 x 21 cm © Peter Cox / courtesy Slewe Gallery, Amsterdam
Er groeide een haven op de vloer van onze woonkamer in Eindhoven

Het is een klein stukje sculptuur van Lon Pennock: drie rechthoekige blokjes van ijzer die half op en tegen elkaar liggen. Dat is het ding, meer eigenlijk niet. Het stelt ook niets voor, niets figuratiefs tenminste. Bij het kijken naar kunst is dat lastig. De blokjes ijzer hebben, alle drie, de bruinige kleur van ijzer. Maar als de kunstenaar ze nu wat lichte, doorzichtige kleur zou hebben gegeven, een beetje geel en roze en rood, dan hadden de blokjes op bloemen kunnen lijken. De ijzeren blokjes hebben de kleur van hun materiaal. Zo te zien liggen ze ook stil en daaraan merken we, aan dat roerloze liggen, dat de kleine rechthoeken van ijzer ook een gewicht hebben. De drie blokjes zijn ongeveer even groot. Ze zijn twee centimeter dik. Het is vooral dat gewicht van massief ijzer dat de blokjes, toen de kunstenaar ze zorgvuldig aan het neerleggen was, op hun plaats hield. Ooit dacht ik dat Pennock misschien door geschuif met luciferdoosjes een spannende groepering van kleine volumes zou kunnen verzinnen. Dat leek me wel zo handig.

Als kind heb ik zelf speelgoed geknutseld met stukjes hout. Omstreeks 1950 was dat, een karige tijd zo vlak na de oorlog. Speelgoed was schaars. Goedkoop plastic was er nog niet. Ik verzaagde aanmaakhout (voor het fornuis in de keuken) en met die stukjes maakte ik kleine loodsen, kades en steigers, en verschillende schepen en bootjes. Met waterverf werden de simpele vormen zo echt mogelijk gekleurd. Er groeide een haven op de vloer van onze woonkamer in Eindhoven. Over die vloer schoof ik speelgoedbootjes van hier naar daar over de wereldzeeën. Het waren geweldige avonturen. Maar even spannend vond ik het maken van die dingen. Je wilde de romp van een scheepje een mooi gebogen boeg geven en een hoge stevige stuurhut. Daarbij kwam een vijl van pas en een beitel en meestal een scherp mes.

Rembrandt, Jozef vertelt zijn dromen, 1638. Ets, 110 x 8,3 cm © Rijksmuseum Amsterdam

Maar dat knutselen was heel iets anders. Hout is licht. Ik wist ook wat ik moest maken en met dat lichte materiaal kan een bootje makkelijk in elkaar worden gelijmd. Maar een kunstenaar, en zeker een in een streng abstract idioom, weet dat niet – of hooguit bij benadering. Toen het ensemble van kleine compacte volumes klaar was, heeft Pennock het stapeling genoemd. Dat is het ook wel. Maar het ding begon heel anders omdat het niet op een bootje hoefde te lijken. Laten we zeggen: Pennock had drie blokjes ijzer liggen, ook nog van gelijke grootte. Eén blokje werd plat op de tafel gelegd. Hij had de twee andere daar precies passend bovenop kunnen leggen. Ook dat was een stapeling geweest. Maar het kwam bij hem op om het vlak liggende eerste (of onderste) blokje de twee volgende wat te laten verschuiven. Tenminste dat gebeurde. Hij keek naar het ijzeren volume van de onderste rechthoek. Zo stel ik me dat voor. Hij had de tweede rechthoek in zijn hand en legde die neer op een hoek van het vlakke blokje – schuin over de rand van de eerste vlakke rechthoek. Dat is een gewicht dat direct zo is neergelegd. Dat zie je. Ze zijn niet eerst heen en weer geschoven.

Dat zou je met luciferdoosjes kunnen doen, maar niet met rechthoeken van ijzer. Hun gewicht maakt die extra stevig. Het derde blokje is er ten slotte even trefzeker komen te liggen zodat er een gestapeld beeld ontstond dat bestaat uit verschuivingen die tot rust gekomen zijn. Zo lijkt dat. De verschuivingen zijn ook suggestief. Ze suggereren verdere bewegingen. Dat komt ook doordat het een vormensemble is in een beperkte ruimte. Ik dacht daarbij ook aan Rembrandts kleine ets, Jozef vertelt zijn dromen. Parmantig en helder kijkend zit daar Jozef. Rechts zijn wat ongelovige vader Jacob en daaromheen zijn vele broers en verdere familie. Op ongeveer negentig vierkante centimeter is het een compleet tafereel van figuren, gezichten, gebaren. Een scène die krioelt van bewegingen. De meeste ende die natuereelste beweeghelickheijt – zo heeft Rembrandt, in zijn eigen woorden, beschreven om welke spanning het in zijn kunst moest gaan. In de kleine sculptuur van Pennock kijken we naar schitterende verschuivingen van volume en contour. Daar worden ze abstract geformuleerd. Daarom komen ze zo scherp in beeld. In de ets van Rembrandt zitten ook velerlei verschuivingen die verrassende beweging worden. Daar zijn ze verscholen in een wirwar van figuratie. Volgende week gaan we dat verder ontrafelen.


PS. Lon Pennock was bij Galerie Slewe in de Kerkstraat in Amsterdam. Rembrandts etsen zijn in het Rijksmuseum