Roerloze drijfstad

Gezicht op Zierikzee van Esaias van de Velde is een sober miniatuur vergeleken met het zwierige Vlaamse land van Joos de Momper.

HET IS DE BEDOELING dat er op brede vergezichten als het Rivierlandschap van de Antwerpse schilder Joos de Momper (1564-1635) van alles is te zien. Zo komt er op de hobbelige voorgrond zomaar een jacht op een everzwijn voorbij. Het woeste beest verweert zich tegen een meute opgewonden honden. We bevinden ons aan de rand van een oneffen plateau. Dan gaat de weg verder naar beneden, tussen rotsen door, en kruist een beek waarvan het donkere water verder kronkelt, onder een krakkemikkige brug door, en verdwijnt, misschien neervalt in de brede rivier in de diepte. Er is al een andere waterval in het schilderij, die langs de steile hoogte gutst, helemaal rechts, en de beek voedt. Boven op die hoogte is een echt paleis gesitueerd. In een open raam van dit poppenhuis zien we, heel klein, een dame staan. Als kijker heb je de neiging naar zulke verdwaalde details te blijven zoeken: zoals de geheimzinnige ruiter die midden op de brug stilstaat, of de wandelaar met een helder rood wambuis, of andere wandelaars verder weg in de diepte, op het strand langs de rivier. Zulke figuurtjes, her en der en schijnbaar achteloos door het schilderij gestrooid, helpen het oog (van punt naar punt) door de ruimte van het landschap heen.
Maar er is nog iets: op de steile hoogte, links tegenover het paleis, zien we nog andere bebouwing, een klooster wellicht. Onder langs die berg loopt tussen hoge bomen een statige laan – die gaat naar beneden naar de grote stad aan de rivier (we kunnen het donkergroen van de bomen erheen volgen) of anders komt ze uit het dal naar boven om uit te komen in de buurt van de brug. Tegenover de stad op een heuvel aan de rivier ligt aan de overkant nog een heuvel met bos en een kasteel. Die twee heuvels markeren samen met de twee steile hoogtes, links en rechts, de wijdte van de golvende ruimte. Bij de brug komen allerlei wegen samen, en van daaruit gaan ze het landschap weer in. Daar, op de rand van de voorgrond, vormt de brug een suggestief punt van uitkijk (en overzicht) naar heel het weidse, deinende panorama. Hier wordt de wereld gezien vanuit een hoog gezichtspunt als een bijna onoverzienbare verte – geënsceneerd als een schouwtoneel, van hooggelegen rotsen tot traag water in het dal. Het is een fictief schilderij, in het atelier samengesteld in een regie die losser lijkt dan zij is, uit het repertoire van indrukken die de schilder onderweg in de Ardennen of verder weg over de Alpen, in Italië, heeft gezien en opgetekend.
Rond 1610, toen het werd geschilderd, was dit type landschap, breed en ogenschijnlijk grenzeloos, ongeveer de norm in de Europese schilderkunst. Daarom was een paar jaar later het kleine Gezicht op Zierikzee van Esaias van de Velde (1587-1630) absoluut iets nieuws. Vergeleken met het zwierige, breedsprakige Vlaamse landschap is het Hollandse schilderij een sober miniatuur. Het is klein omdat Esaias er geen behoefte aan had de wijde wereld te schilderen. Hij had dus die soepele breedte niet nodig. Gezicht op Zierikzee is het tegendeel van fictief. De stad aan het glanzende water is niet verzonnen (zoals alles bij De Momper). Zierikzee ligt daar echt, aan de Oosterschelde: een lage kantige skyline, achter de wallen op de oever, een paar torens met markant de zogeheten Dikke Toren van de kloeke Nieuwe Kerk. Hoewel de aanblik van de stad hoofdzakelijk in monochroom bruin en grijs is geschilderd, is daarin de architectonische geleding en schakering van de bebouwing mooi levendig getekend. De kleine stad werkt niet als zware massa; ze lijkt eerder licht op het gladde water te rusten.
Waar het in dit schilderij om gaat, is het dichtbij halen van het stadsbeeld. Dit is niet een landschap om eindeloos in rond te dwalen; het oog wordt naar een enkel motief gestuurd. In het waterige landschap van Zeeland was zelfs een kleine lage stad al een visuele gebeurtenis. Om het motief dus meer gewicht te geven, bracht de schilder het zo dichtbij als maar kon. Aan beide zijden van het beeld van de stad, het kartelige profiel, heeft de schilder geen ruimte gelaten. De stad zit vastgeklemd in de lijst van het schilderij. Het profiel wordt omhoog gehouden door het water waarop de stad roerloos lijkt te drijven. Natuurlijk is dit een gewone compositie van een landschap (horizon tussen hemel en aarde) maar zij is uitgevoerd met de typische, afgemeten beheerstheid van een stilleven. Alles is behoedzaam uitgekiend: de figuurtjes op de voorgrond, het rood van de kleding daar, de scheve stokken, het bootje, de schuin lopende schaduw in het strakke water van de verwaaide wolken in de lucht, de weerspiegeling van de toren. De zorgvuldige soberheid van die afgemeten details geeft dit schilderij zijn ernstige gewicht. Je blijft kijken, het miniatuur verveelt niet en in dit Hollandse meesterwerk ligt Mondriaan al besloten.