Brusseprijs

Roet en schlagers

Marcia Luyten is van 1971 en zodoende te laat geboren om nog iets van de gloriejaren van de oostelijke mijnstreek in Limburg uit eigen ervaring te kennen.

In haar kinderjaren was het verval in angstwekkend tempo gaande; van het welvarende en vooruitstrevende Heerlen uit de jaren vijftig bijvoorbeeld resteerden vooral wrokkige herinneringen. Hoewel zelf niet uit een mijnwerkersmilieu afkomstig, groeide ze op in een verpauperde omgeving met hoge werkloosheidscijfers waarin de voormalige mijnwerkers, vaak dodelijk ziek van het gevaarlijke werk, zich uitgebuit en in de steek gelaten voelden.

Al vroeg wist ze dat ze uit die deprimerende omgeving weg wilde. Ze studeerde aan de Universiteit van Maastricht en aan Instituut Clingendael, werd Afrikaans correspondent voor NRC Handelsblad en de Volkskrant en werkte daar enkele jaren als diplomaat in dienst van Buitenlandse Zaken. Vervolgens ontpopte ze zich bij Buitenhof als voortreffelijk interviewster. Haar interesse voor de geschiedenis van de Limburgse mijnbouw dateert al uit de tijd dat ze in Afrika woonde en zich realiseerde dat ze van de steenkoolmijnen uit haar geboortestreek minder wist dan van de kopermijnen in Zambia. Na een aantal jaren intensieve research publiceerde ze afgelopen najaar Het geluk van Limburg.

Medium hh 46911075

Dat ambitieuze boek hinkt op twee gedachten. Het behandelt de geschiedenis van de oostelijke mijnstreek vanaf de vroege negentiende eeuw, en het vertelt de niet-representatieve maar wel boeiende geschiedenis van één bewoner van dat gebied, de mijnwerkerszoon Jacq Vinders, hier meestal Sjaak of Sjaakie genoemd, die zich ontworstelt aan het bekrompen katholieke milieu en een carrière opbouwt als cabaretier, acteur en zanger, zelfs les krijgt van de gerenommeerde bas-bariton John Bröcheler, maar toch vooral bekendheid verwerft met sentimentele schlagers. Of die dubbele inzet gelukkig uitpakt is een tweede, naar mijn gevoel had het boek aan coherentie en spankrant kunnen winnen als de auteur voor twee afzonderlijke, uiteraard op elkaar betrokken delen had gekozen.

Het anti-Hollandse ressentiment is nog steeds in elk buurtcafé te beluisteren

Het geluk van Limburg begint ongelukkig. Het is alsof de journaliste wil bewijzen ook literair uit de voeten te kunnen. Sjaakie, over wiens vroege jaren het hier gaat, komt om in pathos, kitsch-poëzie, clichés, lelijke, onbegrijpelijke en tautologische zinnen. Hij werd niet gewoon in 1949 in Kerkrade geboren, nee, ‘hier aan de rand van het land (…) werd een mens geboren (…).’ Al veel eerder heette de mijnwerkerskolonie een ‘ingenieus organisme’: ‘Muziek, gymnastiek, toneel en kanaries vulden cafézalen en patronaat – het katholiek cultureel centrum waar de arbeiders werden opgevoed met toneel, cultuur, lezingen en lessen.’ En voor wie er nog aan twijfelde: ‘De mijnwerkers waren de hoofdrolspelers van deze moderne industrie.’ Als ze in hun vrije tijd een balletje trapten moesten ze ‘de zon kunnen voelen, de bomen horen ruisen. Het leven bruiste in hun benen die een bal opjoegen.’

Het eerste hoofdstuk eindigt met een opzichtige cliffhanger (‘Sjaakie kon niet tegen bloed’, maar toen hij bij thuiskomst de slaapkamer van zijn moeder binnenging, lagen ‘de lakens (…) opengeslagen en toonden een bed vol bloed’) die doet vermoeden dat Luyten de lezer er alvast op wil voorbereiden dat hij voorlopig niets substantieels over Sjaakie meer te horen zal krijgen. In de volgende, algemeen historische hoofdstukken is ze duidelijk beter op dreef, natuurlijk ook omdat ze hier op voorwerk door anderen kan terugvallen. We lezen hoe het oostelijke mijngebied, dat pas sinds 1831 deel uitmaakt van het koninkrijk, zich in de warme belangstelling van ‘Holland’ gaat verheugen zodra duidelijk wordt dat het hier om een wingewest van jewelste gaat; Luyten spreekt niet ten onrechte van ‘een goudkoorts die grote investeerders richting kolen dreef.’ Vóór de New Yorkse beurscrach van 1929 waren de Limburgse mijnen zelfs de productiefste van heel Europa. Maar die investeerders, alsook de ingenieurs en bestuurders, kwamen van elders. Voor het loodzware werk ondergronds, dat werd gedaan door emigranten en Limburgse boerenzonen, waren zij niet in de wieg gelegd. Die tegenstelling zorgde voor het anti-Hollandse ressentiment dat tot op de dag van vandaag in elk buurtcafé te beluisteren valt.

De sterkste hoofdstukken zijn die waarin Luyten met betrokken pen de drie-eenheid van de Limburgse macht – mijn, kerk en staat – beschrijft. Veel aandacht krijgt de priester Henri Poels die, ‘eigenzinnig en vrij briljant’, de taak kreeg de ontkerkelijking onder de mijnwerkers te stoppen en bovenal het uit de nabijgelegen mijnsteden Luik en Genk oprukkende socialistische gevaar af te wenden. Hem stond ‘een welwillende dictatuur’ voor ogen; wie zich niet gedwee schikte in zijn lot dreigde volledig geruïneerd te worden. ‘De volgzaamheid die Limburgers later wel is verweten’, aldus Luyten, ‘dateert van die eerste decennia van de twintigste eeuw.’ Die volgzaamheid bracht aanvankelijk trots en welvaart, maar later, na sluiting van de mijnen vanaf 1965, sociale ontwrichting, massawerkloosheid en algehele frustratie. ‘Geen stad in Nederland viel zo snel zo diep als Heerlen. De hoogste dichtheid aan bontjassen in de jaren vijftig, de grootste armoe twintig jaar later.’

Dat Luyten haar boek toch zonder ironie Het geluk van Limburg noemt, pleit voor haar optimisme, maar is niettemin problematisch. Om te beginnen is de geschiedenis van de Duits georiënteerde oostelijke mijnstreek allerminst representatief voor heel Limburg, zoals zij ook zelf benadrukt; het rijke, Frans georiënteerde Maastricht bijvoorbeeld is een compleet andere wereld. Maar belangrijker: Heerlen kruipt weliswaar langzaam uit het sociaal-economische dal, maar dat geldt niet voor Kerkrade en andere mijngemeenten. Krimp, vergrijzing, armoede en werkloosheid verdrijven getalenteerde jonge mensen, net als Marcia Luyten zelf, nog altijd naar kansrijkere regio’s en verzekeren de pvv onder de ontevreden blijvers van massale aanhang.


Beeld: Mijnwerkers in het badlokaal van de Oranje Nassau Mijnen in Heerlen, 1952-1953 (Nico Jesse / Nederlands fotomuseum / HH)