Roger Scruton, 27 februari 1944 – 12 januari 2020

De conservatief filosoof en schrijver Roger Scruton speelde zijn rol als ’s lands reactionaire boeman met verve. Hoe kleurrijk en veelzijdig hij ook was, zijn denken was voorspelbaar.

Wie zich vanuit Londen begeeft naar de boerderij van Roger Scruton, de conservatieve filosoof die zondag op 75-jarige leeftijd overleed, passeert Swindon. Dit spoorwegstadje is zwaar getroffen door de vooruitgang. Rotondes, parkeergarages en betonnen gebouwen bepalen het straatbeeld. Scruton haatte Swindon, al was het maar omdat de gloeiende lichtvervuiling ervoor zorgde dat het nooit echt donker werd boven zijn Sunday Hill Farm, acht kilometer westwaarts.

Mijn fietstocht van Swindon naar Scrutopia was een reis naar een tijdloze plek die hij eloquent had beschreven in News from Somewhere: On Settling. Hij had zich daar, op de klei van Wiltshire, gevestigd als een ‘metaboer’, tussen de koeien en de kippen, met zijn 28 jaar jongere vrouw die hij bij de vossenjacht had ontmoet. Zijn studeerkamer, een bibliotheek met piano en open haard, voelde als het sanctuarium van een plattelandskerk, met sigarenrook in plaats van wierook. De gastheer, een cultuurchristen, was organist in de plaatselijke kerk. De Don Quichot van Wiltshire was voortdurend afgeleid door de destructie die de moderne mens – verleid door ijdelheid en hebzucht, door socialisme en kapitalisme – in zijn ogen veroorzaakte.

Roger Vernon Scruton, een oorlogskind, kreeg de romantiek van huis uit mee. Vader Jack, afkomstig uit de arbeidersklasse, was een docent met een zwak voor het platteland; moeder Betty trakteerde Roger op romantische literatuur. Op het staatsgymnasium werd zijn wereldblik verder gevormd door Oswald Spenglers De ondergang van het avondland. Zijn waardering voor het conservatisme werd verankerd in Parijs, waar hij getuige was van de studentenprotesten. ‘Relschoppers uit de middenklasse’, noemde hij de 68’ers, met hun ‘marxistische geraaskal’.

Conservatisme, zo zou hij later schrijven, is het gevoel dat goede dingen als vrede, vrijheid, rechtvaardigheid, beschaving, de publieke zaak, autoriteit en familiebanden langzaam ontstaan, maar snel kunnen worden vernietigd. Tradities zijn antwoorden, aldus Scruton, die reeds gegeven zijn op terugkerende vragen. De twintigste eeuw, een eeuw van uitersten, heeft volgens hem geleerd dat conservatieven in het nadeel verkeren omdat hun wereldvisie saai overkomt, terwijl de maatschappelijke vergezichten van hun vijanden even vals als verleidelijk zijn.

Scrutons denken was voorspelbaar. Wat de beeldende kunst betreft is de geschiedenis tot stilstand gekomen met het urinoir van Marcel Duchamp. Niet langer stonden schoonheid en troost centraal, maar originaliteit en creativiteit. In de bouwkunde diende de crisis zich in zijn ogen aan met het functionalisme, met brutalisme als de ergste vorm. De paradox, zo stelde hij vast, was dat het streven naar nut en efficiëntie leidde tot lelijke gebouwen die snel hun functie verloren, terwijl nutteloos geachte esthetiek juist zorg droeg voor eeuwigheidswaarde.

Bij Scruton stond het ‘wij’-gevoel centraal

Scruton kan worden verweten dat hij zijn ogen sloot voor de mooie dingen die de moderniteit heeft voortgebracht, of het nu gaat om Goldfingers brutalistische Trellick Tower in Londen, Carel Willinks magisch realisme, de populaire muziek van David Bowie of de Cruyff Turn. Het voornaamste verwijt jegens Scruton betrof zijn politieke conservatisme. Hij merkte op dat progressieve landgenoten in hem de duivel zagen – menige Scruton-lezing is wegens dreigementen afgelast – ‘terwijl rechtse mensen hun linkse opponenten slechts nadragen dat ze zich vergissen’.

De columns die Scruton in de jaren tachtig voor The Times schreef zorgden regelmatig voor ophef, helemaal toen hij pleitte voor het terugbrengen van de strop in het strafsysteem. Het had er de schijn van dat hij genoot van zijn rol als ’s lands reactionaire boeman. Het belang van deze conservatieve intellectueel zat hem in zijn bereidheid om tegen heersende opinies onder de intelligentsia in te gaan. Waar zijn filosofie conformistische trekken had, bekleedde hij zelf juist de positie van non-conformist. En wat voor een.

Zo saai als het conservatisme kan zijn, zo kleurrijk en veelzijdig was de Engelse verpersoonlijking daarvan. Hij werd Tsjechoslowakije uitgezet wegens hulp aan de ondergrondse pers, schreef twee opera’s, publiceerde erotische werken, ging op vossenjacht in het kostuum van Enoch Powell, verzorgde een wijnrubriek in een links opinieweekblad, probeerde vergeefs Conservatief Lagerhuislid te worden, werkte als strafpleiter, steunde stakende mijnwerkers, bracht Thierry Baudet het begrip ‘oikofobie’ bij en gaf als zwartrijdende puber de valse naam ‘John Stuart Mill’ op aan de politie.

De tweede en laatste keer dat ik Scruton meemaakte was in de aanloop naar het EU-referendum. In de Londense Conway Hall debatteerde hij met onder meer Stanley Johnson (Boris’ vader) over de Brexit. Op gevatte wijze beweerde Scruton dat herstel van vertrouwen voor hem de reden was om de EU te verlaten. Volgens hem tastte de Brusselse bureaucratie het vertrouwen in de nationale instituties aan, ondermijnde het abstracte Romeinse recht het vertrouwen in het gewoonterecht en vrat ongebreidelde immigratie aan het vertrouwen tussen mensen onderling.

De wedergeboorte van de soevereine natiestaat, zo betoogde hij, zal samengaan met de terugkeer van het ‘wij’-gevoel, een sentiment dat centraal staat in zijn conservatieve gedachtegoed. Of dat herstel er daadwerkelijk komt, zal Scruton nooit te weten komen. Een kleine drie weken voor Brexit Day stierf hij, op de idyllische Sunday Hill Farm, na een half jaar durende strijd tegen kanker. Sir Roger was bij het afscheid van de wereld in het gezelschap van zijn vrouw Sophie, architectuurhistoricus, en hun twee studerende kinderen, Sam en Lucy.