Rogi Wieg, 21 augustus 1962 – 15 juli 2015

Hij was dichter, romancier en beeldend kunstenaar van het romantische type, schreef tientallen boeken en werd langzaam maar zeker opgegeten door zware depressies. De verlossing kwam vorige week.

Het was in de tijd dat er veel rumoer was in de literatuur, kom daar nog maar eens om. Het was de tijd dat polemieken heen en weer vlogen, dat een criticus (Michaël Zeeman) schreef over de ‘week gemasturbeerde puistenkoppen’ van een groep dichters en hen vergeleek met een ‘teil rotte vis’, waarna die dichters een emmer vis over het hoofd van de criticus leeggooiden, de tijd dat dichters op podia klommen en boos boos boos deden over andere dichters die te veel witregels schreven, en tussen die witregels door mijmerden over een vlok stof in de badkamer.

Poëzie moest levend, zijn, vitaal als de tijd zelf, poëzie moest een daad zijn, uitbundig vertoon, een fontein van wodka, niet dat hermetische, nee, het moest maximaal! Eind jaren tachtig was dat, en schrijvers vonden zichzelf uit. Schrijvers met grote bekken, borstklopperij, cocaïne overal, geld en vrouwen. En te midden van alle overmoed en dadendrang, van extravagant, extravert en extra veel van alles, was daar Rogi Wieg. Eigenlijk stond hij er tegenover. ‘Wieg’ werd hij genoemd, zoals Zwagerman ‘Zwaag’ was en Boskma ‘Bosk’. Voornamen, daar deed men niet aan.

Wieg haalde gewoon adem. Hyperventileerde niet, en schreef. Tegenover de bloemlezing Maximaal! stelde hij Ieder hangt aan zijn gevallen toren samen, dichters die niet schreeuwden.

Wieg was een échte dichter, voor wie de poëzie de Hoogste Literatuur was. Poëzie was niet een commercial voor het ego van de maker, maar een vergrootglas. Geen telescoop op een spetterend, uitdijend universum, maar een microscoop op de ziel van de dichter.

Robert Gabor Charles Wieg, zoon van Hongaarse ouders, mooie kop, had een ziel, zoals een romantische dichter een ziel hoort te hebben. Poëzie was voor hem een middel tot zelfonderzoek. Een mogelijkheid om te denken, te reflecteren. Te peinzen. Liever dan een functionerend lid van de opgeschroefde maatschappij te zijn, was hij een dichter. Van het ouderwetse type:

‘En ik heb me toen ik negentien jaar werd, voorgenomen geen deel te nemen aan de samenleving. Ik wilde geen maatschappelijke positie verwerven ten koste van mijn vrijheid. Ik wilde leven als een dier: opstaan en slapen wanneer ik dat wil, de zon zien opkomen en ondergaan, de tijd voelen die aan me voorbijtrekt, of waardoorheen ik voortbeweeg. Het is me meer dan vijftien jaar gelukt geen aangepaste staatsburger te worden. En in de boekhandel zie ik geschrokken de maatschappij weerspiegeld: de sellers, de commercie, de Grote Literatuur, het gevecht om de plek bij de kassa, het rinkelen van de kassa, de ego’s op de boekomslagen, de slechte boeken die goed verkopen, de onzin die mensen schrijven, maar ook de mooiste regels die men noteert. Ik maak deel uit van deze wereld, mijn boeken vechten (samen en in plaats van mij) om gekocht te worden. Als ik niet “scoor” met mijn nieuwe boek, zal ik mijn dierlijke bestaan misschien moeten opgeven. Ooit moet ik toch beginnen met werken?’ Dat schreef hij in 1997, in Liefde is een zwaar beroep.

In zijn ‘dierlijke bestaan’ publiceerde hij ‘een halve meter literatuur’, schreef hij. Veel poëzie, maar ook romans. De Nederlandse poëzie heeft zelden een groter navelstaarder gekend. Een schaamtelozer ik-schrijver. En een eigenzinniger criticus. Hij schreef kritieken over poëzie, maar het ging vaak vooral over poezen. Zijn poezen die soms op de vensterbank sliepen wanneer hij voor Het Parool moest schrijven over de nieuwe bundel van Lamaar DoeterniettoeDan schreef hij driekwart van de recensie over de slapende poes, en één kwart over de bundel. Alleen hij kon dat, schrijven over poezie zonder trema.

Hij was ook fel en boos, soms. Op schrijvers die niet werkten voor de Kunst maar voor geld. En roem. Hij ervoer het als een persoonlijke belediging als een collega het Hogere Wezen van de poëzie bezoedelde, de Muze met modderlaarzen een schop onder haar blote kont gaf.

Op de gedoemde leeftijd van 52 (waarop veel goeien sterven) heeft Rogi Wieg zijn leven afgesloten. Ondraaglijk geestelijk lijden. Euthanasie. Aanvraag gehonoreerd. (Rillingen langs de rug.) Jarenlange depressies, zeer zware. Ondraaglijk lijden. Ondraaglijk betekent dat het niet te dragen is, zo zwaar. Dat je eronder bezwijkt.

Ergens moet het zijn begonnen. Dat het tobben overging in krimpen, in kleiner worden en niets dan bang zijn. Er was altijd al een diepe melancholie, duistere somberheid, maar ergens moet het zijn uitgewoekerd tot een definitieve depressie. Daar begon het vallen. Het trage vallen.

Het ging slechter. De trage val die ooit was ingezet, was niet te stuiten. Misschien zal de snelheid soms wat zijn afgenomen, maar vallen bleef hij. Zijn leven was een lange, trage val. En als hij op het diepste punt dacht te zijn beland, bleek hij nog dieper te kunnen vallen. Dat was op den duur ondraaglijk.

Waarschijnlijk is dat de grootste zegen van de dood: dat dat vallen goddank is opgehouden.

Met het doven van de hoop vernevelde langzaam de drang om te schrijven. Alsof hij de laatste jaren met nog maar één project bezig was: sterven. Zijn eigen dood als laatste gedicht. Wieg hield erg van laatste gedichten, hij schreef er vele. Ook allerlaatste gedichten. In 1999 schreef hij Voorlopig laatste gedicht. In Het boek van beminnelijkheid staat het:

‘Major Depression is lang, als een touw/ tussen eindeloos veel subjecten en objecten,/ een heel leven voor me zonder de oude/ Rogi Wieg. Wie ik ben? Vergeef me/ moeder en vader, zonder jullie zo zonder.// God moet in de hel aan de wereld/ hebben gewerkt, want de hel is in alles/ neergelegd, zelfs in Tanja, in jullie,/ twee doorgesneden polsen lachen om de lyriek./ Vaak niet kunnen/willen leven en dat een leven lang?/ Vergeef me. Nee, doe maar niet.’

Het is te hopen dat Wieg het gevoel had dat het af was, klaar, dat verstoorde leven van hem.

Alleen hij kon dat, schrijven over poezie zonder trema