Menno Hurenkamp

Roken is commercie

Na het drinken door jongeren ligt nu ook het roken van de jeugd onder vuur. De christelijke besturenraad wil het roken op schoolpleinen verbieden. Dat is een verstandig idee. Zorg ervoor dat roken voortaan niet meer mag binnen een straal van driehonderd meter van een school. En een stevige straf op overtreding graag. Niet een tekening maken van iemand met longkanker, maar flink wat rondjes hardlopen. Een grondig rookverbod houdt de kinderen gezond en biedt ze bovendien de kans om iets subversiefs te ondernemen – in een tijd waarin ouders elke tattoo op elke plaats goed vinden, druggebruik mits verstandig door de vingers zien en hun kroost tot ver na hun achttiende thuis op de bank laten vegeteren.

Anders dan met alcohol heb ik over roken weinig door onderzoek gestaafde opvattingen. Roken is vies. De eerste sigaret is vies, de tiende ook nog. Ik heb tot mijn 22ste moeten doorzetten voor ik een roker was. Toen ben ik er ook maar weer mee opgehouden. Nu rook ik nog eens in de zoveel weken een sigaret en die is de helft van de tijd nog steeds niet lekker. Ik voorzie een toekomst voor Marlboro en Camel in de schappen naast de Belgische pralines.

In retrospectief verbazen we ons nu over het gemak waarmee mensen in de loop van een avond vijftig sigaretten in je huis opstaken. Nu zeggen we: ze hadden net zo goed de brand kunnen zetten in de stoel waarop ze zaten, dat zou evenveel vuil verspreid hebben. Maar als over een jaar of twintig de definitieve geschiedenis van het massale roken in Nederland geschreven wordt, zal die draaien om het gemak waarmee we met z’n allen begonnen te roken omdat het voorbeeld gegeven werd, en het gemak waarmee we er ook weer massaal mee ophielden toen het verboden werd. Dat roken erg ongezond was, wisten we al decennia. Maar ermee ophouden deden we pas toen er allerlei wetten werden gemaakt en verboden werden ingevoerd, nota bene in een tijd waarin we dachten dat wetten en geboden helemaal geen invloed meer hadden op de overgeëmancipeerde burgers.

Hoe komt dat? In discussies over drank overheerst bij mij het verlangen nauwkeurig met de feiten om te springen. Maar wanneer het over roken gaat denk ik slechts: met geweld in de hoek drijven, dan zijn we er snel vanaf. Dit is de doorsnee opstelling onder de meerderheid van de bevolking. De meeste mensen vinden alcohol iets heel anders dan roken. Dat komt – behalve doordat drank minder stinkt en je het in principe kunt gebruiken zonder aanwijsbaar dood te gaan – ook door de oppervlakkige veronderstelling dat alcohol cultuur is en roken commercie. En voor wie het nog niet wist, cultuur is goed en commercie slecht. Wijn en bier drinken we al eeuwen tijdens allerlei rituelen en op hoogtijdagen. Roken doen we sinds de billboards en Hollywood ons wijsmaakten dat je dan stoer was. Daarom staan we nu als makke schapen toe dat de rokers verbannen worden naar de meest onbenullige afdakjes, maar steigeren we zodra moslims, geheelonthouders of beschermers van de jeugd informeren of het buurtfeest, de vrijdagmiddagborrel of het verjaardagspartijtje wellicht zonder drank kan. Dan kom je aan het wezen van de bijeenkomst, aan onze cultuur. Drinken is traditie, roken is aangeleerd – en dat tradities aangeleerd zijn interesseert ons maar matig.