Feminisme in Marokko

Roken tegen de islamitische orde

Ook in Marokko staat de tijd niet stil. Vijf jaar geleden werd, zeer tegen de zin van islamisten, een nieuwe familiewetgeving ingevoerd, de Moudawwana, die een einde moest maken aan de schreeuwende rechtsongelijkheid tussen man en vrouw. Maar op straat merk je niets van ‘bijna-gelijkheid’. De openbare ruimte is nadrukkelijk mannelijk domein gebleven. De islamitische orde is sterk.

OP EEN DOORDEWEEKSE ochtend zat ik in een café en las in de krant over een ‘antirookwet’ die hier binnenkort van kracht zou worden. Roken in cafés en restaurants zou in Marokko tot het verleden gaan behoren. Dat bericht verbaasde me. Ik was me er tot dan toe niet van bewust geweest dat het hier als een probleem werd gezien dat vrijwel overal wordt gerookt. Ik vroeg café-eigenaar Hassan, met wie ik vaak een praatje maak, of hij van deze antirookwet op de hoogte was. Dat was hij niet. Hij dacht even na en zei toen: ‘I feel sorry for the girls, you know. They have no place to go.’
Hassan praat altijd Engels met me omdat hij jaren in Noorwegen heeft gewoond. Zijn commentaar verraste me omdat ik had verwacht dat hij iets zou zeggen als: ‘Roken verbieden? Hier in Marokko? Dat lukt nooit!’ Enfin, dat was wat ík dacht. Hassan dacht aan de meisjes die rookten, en waar moesten die straks dan heen?
Ik woon hier lang genoeg om te begrijpen wat hij bedoelde. In een betrekkelijk modern café als dat van Hassan – er is draadloos internet – komen veel studentes en werkende vrouwen. De rooksters onder hen gaan altijd op de eerste verdieping zitten, waar ze goeddeels aan het zicht onttrokken zijn. Een vrouw die met een sigaret wordt gezien, wordt in Marokko gemakkelijk voor een hoer gehouden. Het zegt iets over de mate waarin de openbare ruimte mannelijk domein is. Anna 2009 worden de Marokkaanse terrassen nog altijd vrijwel uitsluitend door – rokende – mannen bezet.
Maar dat betekent toch niet dat de tijd hier stilstaat. In diezelfde krant stond een stuk over de ‘nieuwe’ familiewetgeving, de Moudawwana, die vijf jaar geleden werd ingevoerd met de bedoeling een einde te maken aan de schreeuwende rechtsongelijkheid tussen man en vrouw. Dat artikel, dat een evaluerend karakter had, beweerde dat die nieuwe familiewetgeving ‘een mijlpaal’ was geweest, en dat man en vrouw voor de wet nu ‘veel gelijker’ waren. Dat was wat je altijd over die Moudawwana hoorde.
Maar was het waar? Zelfs als die familiewetgeving voor ‘bijna-gelijkheid’ tussen man en vrouw had gezorgd, wat betekende dat dan als je daar op straat niks van merkte? Als, met andere woorden, de openbare ruimte nadrukkelijk mannelijk domein was gebleven en mannen én vrouwen dat zo voelden? Een vrouw, wist ik, kon sinds vijf jaar betrekkelijk gemakkelijk van haar man scheiden, zelfs tegen zijn wil, iets wat voorheen vrijwel onmogelijk was. Maar ze kon nog altijd geen sigaret opsteken in het openbaar. Hoe zwaar moest ik een en ander nemen? Was deze maatschappij ondanks herziene wetgeving onverminderd partriarchaal gebleven? Ja, hoe zat het nu eigenlijk met de machtsverhouding tussen man en vrouw? Het ontbrak mij hier, voelde ik, aan kennis over die familiewetgeving. Hoe was de herziening van de Moudawwana eigenlijk tot stand gekomen? Had de vrouwenbeweging daar strijd voor moeten leveren? Wat stipuleerde de nieuwe wetgeving precies? Hoe pakte dat uit in de praktijk? Vijf jaar na dato moest daar het een en ander over bekend zijn.
Een paar dagen later stuitte ik op een boek dat juist was verschenen en dat Le féminisme au Maroc heette. Het leek precies te zijn wat ik nodig had. Het betrof een bundel artikelen geschreven door een socioloog, een zekere prof. dr. Abdessamad Dialmy, verbonden aan Universiteit Mohammed V, een zestiger die zijn leven lang onderzoek had gedaan naar de kwestie van de vrouw in Marokko. In helder geschreven en voorzover ik kon beoordelen ook goed gedocumenteerde stukken beschreef de socioloog de strijd die vrouwen hadden moeten leveren om de familiewetgeving te moderniseren – en ik begreep dat dat geen geringe prestatie was geweest. Ik begreep ook dat het inderdaad bijna-gelijke rechten waren die vrouwen hadden verkregen, géén gelijke rechten.
Omdat ik zijn boek interessant vond, belde ik de socioloog met het verzoek om een interview. Het was tijdens dat gesprek dat ik begon te begrijpen wat het gewicht was van het woordje ‘bijna’ – dat toch de verklaring in zich borg waarom, ondanks ‘bijna-gelijke rechten’, roken op straat voor vrouwen nog altijd not done was. Maar nu loop ik al te zeer op de zaken vooruit. Terug eerst naar Le féminisme au Maroc.

DE FAMILIEWETGEVING of Code de la Famille is sinds de onafhankelijkheid van Marokko in 1956 twee keer herzien, beide keren, zo schreef Dialmy, onder druk van de vrouwenbeweging. De eerste keer was in 1993. Een aantal vrouwenorganisaties, in de jaren tachtig opgericht, organiseerde in 1992 een landelijke actie: men wilde een miljoen handtekeningen verzamelen om die aan te bieden aan het parlement. De inzet was een herziening van de Moudawwana, gelijke rechten. Deze campagne werd in de pers breed uitgemeten – en bleef niet zonder tegenreactie. Vooral islamisten en schriftgeleerden beschuldigden de vrouwen merkwaardig genoeg van ‘atheïsme’ en ‘afvalligheid’ – ik kom hier later op terug. Er ontstond zoiets, aldus Dialmy, als een nationale polemiek – wijlen koning Hassan II moest eraan te pas komen om die de kop in te drukken. In een redevoering spoorde hij de vrouwen ertoe aan zich ‘voor klachten over de Moudawwana’ niet tot het parlement maar tot hém te richten, sprak vervolgens in eigen persoon met vertegenwoordigsters van de vrouwenbeweging, zette een commissie aan het werk en kondigde in september 1993 een herziening van de Moudawwana aan. Die hervormingen, schreef Dialmy, ‘bleken echter maar 4,1 procent van de Code te betreffen, negen van de tweehonderdzestien artikelen. De hete hangijzers blijven onaangetast, en de vrouwenorganisaties blijven ontevreden.’

ZES JAAR LATER, 1999, waait een nieuwe wind in het Cherifijnse koninkrijk, een van openheid en verandering. Hassan II sterft, zijn zoon Mohammed VI volgt hem op. De ‘overgangsregering’ van die tijd (van de dictatoriale ‘jaren van lood’ naar meer democratie) komt met een Nationaal Plan ter Integratie van de Vrouw in de Ontwikkeling, dat een vergaande herziening van de Moudawwana beoogt. Concreet: een meisje moet voortaan achttien jaar zijn om te mogen trouwen, in plaats van vijftien. Ze heeft voor een huwelijk de handtekening van haar vader niet meer nodig. Polygamie moet worden afgeschaft. Kind van alleenstaande moeder (‘bastaard’) moet háár achternaam krijgen, in plaats van geen achternaam. Scheidingen moeten door de rechter worden bekrachtigd (wat het ‘verstoten’ van een vrouw onmogelijk moet maken). Vrouwen krijgen bij een scheiding het recht op de helft van de tijdens het huwelijk vergaarde goederen. Er moeten speciale familietribunalen worden gecreëerd, bemand door ter zake kundige rechters.
De reactie van de kant van islamisten op de voorgenomen entree van Marokko in de moderne tijd kan men inmiddels raden: opnieuw beschuldigingen van atheïsme en afvalligheid (ik kom erop terug). En opnieuw, net als zeven jaar daarvoor, ontstaat een soort nationale polemiek. In het kader daarvan organiseert de vrouwenbeweging op 12 maart 2000 een protestmars in Rabat. Tienduizenden mensen lopen mee in een gemengde demonstratie, niet alleen feministes, ook vertegenwoordigers van mensenrechtenorganisaties en politieke partijen, volksvrouwen, vrouwen die een hoofddoek dragen, hele gezinnen, mannen, ministers. Vanuit de gelederen rijst spontaan een slogan op: ‘We zijn allemaal moslim, en allemaal steunen we het Plan.’ De slogan is gericht aan islamisten, voor wie dit Plan onverenigbaar is met de islam en die op dezelfde dag een tegendemonstratie in Casablanca houden.
Daar lopen mannen en (aanmerkelijk minder) vrouwen niet zij aan zij maar gescheiden. Maar men heeft een indrukwekkende menigte op de been weten te brengen, eerder honderdduizenden dan tienduizenden, sommige schattingen claimen een miljoen demonstranten. Een van hún slogans luidt: ‘Vrouwen zijn de zusters van mannen’, waarmee men bedoelt dat binnen de islam helemaal geen man-vrouwconflict bestaat, dat de islam het ideale antwoord is op willekeurig welke kwestie betreffende het geslachtsverschil, en dat het islamitische karakter van de familiewet moet worden behouden.
Concreet, alweer, zijn de conservatieve krachten in het land tegen een verhoging van de minimum trouwleeftijd van meisjes tot achttien jaar omdat dat liederlijkheid in de hand zou werken én omdat meisjes op die manier vele huwelijkskansen aan zich voorbij zouden zien gaan. De handtekening van de vader voor een huwelijk van zijn dochter blijft volgens hen nodig – zijn toestemming onnodig maken betekent ondermijning van de familiestructuur en risico van tweedracht tussen de generaties. Dat de moeder een ‘natuurlijk kind’ haar naam geeft, is voor islamisten ondenkbaar: een ‘kind van de zonde’ hééft geen vader en bijgevolg niet het recht op een familienaam. Dergelijke kinderen de naam van de moeder geven, betekent overspel en liederlijkheid uitlokken. Het verstoten van een vrouw moet mogelijk blijven, als onvervreemdbaar recht van de man. Een simpele procedure als het verstoten gecompliceerder maken door de rechter erbij te betrekken, betekent voor islamisten de echtgenoten dwingen langer te leven in een toestand van overspel (liederlijkheid). Alleen vrouwen dienen zich tegenover de rechter te verantwoorden als ze willen scheiden, dit om het gezin te beschermen. Polygamie afschaffen is onbespreekbaar aangezien de Koran hier zeer duidelijk over is. Een echtgenoot moet zijn vrouwen wel rechtvaardig behandelen. Het voorstel met betrekking tot het verdelen van tijdens het huwelijk verworven fortuin of bezittingen wordt door de islamisten ook verworpen. De man heeft slechts de plicht in het levensonderhoud van zijn (ex-)vrouw te voorzien.
Lezend in Dialmy’s boek begon ik te begrijpen dat de islamisten Marokko ervan willen weerhouden het moderne tijdperk te betreden. Maar ik begreep niet waaróm; kennelijk had het iets – veel – met de islam te maken. Hoe dan ook, de tegendemonstratie van de islamisten in Casablanca had als effect dat de politiek, geïntimideerd, het Plan liet varen.
Een jaar later, april 2001, zet Mohammed VI toch een commissie aan het werk die zich over de hervorming van de Moudawwana moet buigen. En op 10 oktober 2003, in een historische redevoering tot het parlement, in aanwezigheid van de Franse president Jacques Chirac, presenteert de jonge koning de grote lijnen van de door de commissie voorgestelde nieuwe familiewetgeving, die op 5 februari 2005 van kracht wordt.
De verworvenheden van de nieuwe wet zijn zoals gezegd niet gering. Voortaan zijn béide echtgenoten verantwoordelijk voor huishouden en kinderen. Voorheen droeg de man daarvoor de verantwoordelijkheid, waar de vrouw haar trouw en gehoorzaamheid et cetera tegenover stelde. De vrouw heeft de handtekening van haar vader níet meer nodig voor een huwelijk. De huwbare leeftijd wordt achttien jaar. Polygamie is niet afgeschaft maar in de praktijk aanzienlijk moeilijker gemaakt, en voorbehouden aan goedkeuring van de rechter. Het verstoten van een vrouw is ook niet afgeschaft maar onderworpen aan strenge voorwaarden, en moet door een rechter worden bekrachtigd. Huwelijken kunnen sowieso niet meer worden ontbonden zonder tussenkomst van de rechter.
Verder kan een vrouw voortaan veel gemakkelijker scheiden. Zij hoeft voor de rechter slechts ‘onverenigbaarheid van karakters’ aan te voeren. Voorheen kon zij alleen scheiden als haar man ernstig in gebreke bleef – absent was, geen geld in het laatje bracht, zijn seksuele plichten niet vervulde, altijd ziek was of haar mishandelde; een dergelijke aantijging moest bovendien door twaalf mannelijke getuigen worden bevestigd. Een andere belangrijke wetswijziging maakt het de huwelijkspartners mogelijk sámen een scheiding aan te vragen, in consensus, en alimentatiekwesties onderling te regelen. De kinderen blijven na een scheiding nu in principe bij de moeder, zelfs als die hertrouwt, tot ze op z’n minst zeven jaar zijn, maar de man behoudt de voogdij. De nieuwe wet stelt ook dat alimentatiekwesties binnen een maand na de scheiding geregeld moeten zijn.

EN WAT VONDEN Marokkaanse feministes nu van deze herziene Moudawwana? Dialmy schreef daar niet over, maar ik kon ze natuurlijk gewoon spreken. Wel, degenen die ik sprak waren het erover eens dat de nieuwe wetgeving ‘de geest van gelijkheid ademt’, maar nog lang niet perfect is. Ze wezen erop dat het erfdeel van een zoon, bijvoorbeeld, nog altijd twee keer zo groot is als dat van een dochter. Dat vrouwen niet het recht hebben met meer dan één man te trouwen, en hun man evenmin voor de rechtbank kunnen ‘verstoten’. Daarnaast hekelden ze de gebrekkige toepassing van de nieuwe Moudawwana: dat het op papier veroverde terrein in de weerbarstige praktijk maar al te vaak weer moet worden ingeleverd. Zo moet een meisje officieel achttien zijn om te kunnen trouwen, maar kan bij de rechter dispensatie worden aangevraagd – die in ruim tachtig procent van de gevallen wordt verkregen. Vijf jaar na de herziening van de Moudawwana blijkt bij nog altijd één op de tien Marokkaanse huwelijken een minderjarig meisje betrokken.
Volgens diezelfde feministes gaf de nieuwe wet de rechter in het algemeen te veel speelruimte, en dus de mogelijkheid ‘tegen de geest van de wet in’ te handelen. Zeker, scheiden was makkelijker geworden, maar veel conservatieve rechters, voor wie het gezin de hoeksteen van de samenleving is, bleken in hun eentje een ontmoedigingsbeleid te voeren, bijvoorbeeld door vrouwen die in hun ogen ‘om niks’ wilden scheiden een zeer lage alimentatie in het vooruitzicht te stellen. De speciale familietribunalen die de nieuwe wet beloofde, zouden aan dit soort praktijken een einde kunnen maken, maar vijf jaar na dato waren die er nog altijd niet. Ook duurden de scheidingsprocedures volgens de feministes vaak nog te lang en werden alimentatiekwesties hoogst onbevredigend geregeld, al was het maar omdat het lastig was vast te stellen hoeveel de echtgenoot precies verdiende.

SOCIOLOOG Abdessamad Dialmy gaat in zijn kritiek veel verder dan deze feministes. In een café in het centrum van Rabat zegt hij het te betreuren dat de vrouwenbeweging indertijd ‘politiek correct’ heeft willen blijven. Hij noemt de hervormde Moudawwana ‘niet meer dan een moderne, meer egalitaire, gefeminiseerde versie van de sharia’. Want de nieuwe familiewetgeving, meent de socioloog, spreekt het islamitisch recht nergens tegen. Dialmy: ‘De vrouwenorganisaties hebben hervormingen geëist in naam van de islam, op grond van een vrouwvriendelijker lectuur van de Koran, terwijl ze de islam erbuiten hadden moeten laten en voor een seculiere Moudawwana hadden moeten opteren. Maar dat hebben ze niet aangedurfd. Of ze hebben pragmatisch willen blijven.’
Harde woorden – maar waaróm heeft de vrouwenbeweging dat dan niet aangedurfd? De socioloog: ‘Omdat ze bang zijn voor de islamisten. Die zien de familiewetgeving als het laatste bastion van het islamitisch recht. Alleen op dat terrein heeft de islam nog kracht van wet. Die wetten zijn daarom heilig voor ze, oninterpreteerbaar. Voor islamisten bestáát op dit terrein niet zoiets als een “vrouwvriendelijker lezing”.’ Voor de volledigheid wijst Dialmy erop dat hetzelfde geldt voor een klein deel van het strafrecht, namelijk dat deel dat seksualiteit buiten het huwelijk en homoseksualiteit strafbaar stelt: ‘Ook dat is wetgeving waar de sharia doorheen schemert. Ook dat zijn voor islamisten onaantastbare zaken.’ Nu pas begreep ik ten volle het verband tussen het familierecht en de islam. Maar, wat voor islamisten ‘onaantastbaar’ was, hoefde dat voor feministes toch niet te zijn? Dialmy, met een lachje: ‘In principe niet, nee. Je zou van “onbewust islamisme” van de vrouwenbeweging kunnen spreken. Dat zou ook verklaren waarom ze onderwerpen als seks buiten het huwelijk en homoseksualiteit nooit hebben durven aanroeren.’
Ook dat klonk hard, de Marokkaanse vrouwenbeweging van ‘onbewust islamisme’ beschuldigen. Maar, als je zoiets van de meest progressieve krachten van Marokko kon zeggen, ‘onbewust islamisme’, ging dat dan niet op voor iedere Marokkaan? En hoe kwam dat dan?
Voor het antwoord verwees de socioloog mij terug naar een van de hoofdstukken van zijn boek, waarin hij dat ‘verschijnsel’ verklaarde. Ik hád dat hoofdstuk gelezen, maar nu pas, nu ik het voor de tweede keer las, en na ons gesprek, kreeg het betekenis voor me. Dialmy schrijft hier dat in de Marokkaanse grondwet is vastgelegd dat de islam de staatsgodsdienst is en de koning de Aanvoerder der Gelovigen. En dat dat betekent dat de koning allereerst religieus leider is en pas daarna een grondwettelijke instantie. En dat dat weer betekent dat de Marokkaan, vanaf zijn geboorte, allereerst moslim is en pas daarna burger. En dat dat ten slotte betekent dat ‘de islamitische orde voorafgaat aan de constitutionele orde’.
En dat blijkt vergaande gevolgen te hebben. Met het voorbeeld van het lot van de Communistische Partij maakt de socioloog dat concreet. In een land waar de islam de staatsgodsdienst is, moeten politieke partijen én (vrouwen)organisaties de islam a priori bekrachtigen. Er kan in zo’n systeem, schrijft Dialmy, geen oppositie worden gevoerd uit naam van een niet-islamitische ideologie. De Marokkaanse Communistische Partij werd in 1960 dan ook verboden, omdat de heilsleer werd gezien als onverenigbaar met de islam. Dialmy: ‘Zich beroepen op de communistische ideologie en tegelijkertijd legaal zijn, betekent dat het gelegitimeerd is de islam af te wijzen en de koning niet te erkennen in zijn hoedanigheid van Aanvoerder der Gelovigen maar louter als constitutionele instantie. Het verbod op de Communistische Partij was feitelijk een verbod op afvalligheid.’
Ah, dat maakte nu ook duidelijk waarom vrouwen die voor gelijke rechten streden – dus voor afschaffing van de laatste restjes islamitische wetgeving – door islamisten onmiddellijk van ‘afvalligheid’ en ‘atheïsme’ werden beschuldigd. En waarom vrouwen niet om een seculier recht hadden ‘durven’ vragen. Maar begreep ik nu ook waarom ze zich in het dagelijks leven nog altijd terugtrokken op de eerste etage van een café als ze wilden roken? Waarom de straat, de openbare ruimte, nog altijd mannelijk domein was?

EEN KANTTEKENING is hier misschien op zijn plaats. Natuurlijk is de openbare ruimte niet exclusief ‘van mannen’, daarvoor zie je in Marokko op straat te veel vrouwen. Die zijn bovendien in even groten getale als mannen vertegenwoordigd op de universiteiten, ze zitten in de regering (zeven ministers en staatssecretarissen), werken massaal als ambtenaar of bij bedrijven, werken in ziekenhuizen als dokter of verpleegster, op het land als boerin, in cafés als serveerster, voor kranten als journaliste. Ook in de advocatuur zijn ze ruim vertegenwoordigd. De overgrote meerderheid van deze vrouwen klaagt er weliswaar over, als ze getrouwd zijn tenminste, dat ze ‘het huishouden er ook nog bij hebben’, want thuis steken mannen geen poot uit, maar deze vrouwen blijven niet thuis zitten, ze gaan de deur uit, de straat op, betreden de werkvloer.
Maar zo massaal als vrouwen de straat op gaan, zo massaal worden ze daar nog altijd lastiggevallen. Het gemak en de respectloosheid waarmee mannen vrouwen op straat ‘aanspreken’, om het aardig te zeggen, zegt iets over het superioriteitsgevoel dat mannen nog altijd hebben, én het zegt iets over de mate waarin de Marokkaanse man de straat nog altijd als zijn domein beschouwt. Het verklaart ook, ten dele, waarom vrouwen het liever vermijden zich in het openbaar met een sigaret te vertonen en zich metterdaad als ‘hoer’ te afficheren – niets zou mannen er dan nog van weerhouden ze respectloos te bejegenen. Het is de reden waarom sommige meisjes een hoofddoek gaan dragen: zo worden ze ‘buiten’ tenminste gerespecteerd. De hoofddoek als tegenhanger van de sigaret.
Daarmee zijn we terug bij de islam. Een vrouw die een hoofddoek draagt, voegt zich naar de gevestigde, zeer islamitische orde. Ze onderwerpt zich aan de wetten van de islam – en daarmee aan de man. Zij accepteert in laatste instantie dat zij diens gelijke niet is, want zo stelt de Koran het, en dat is het woord van God. Een rokende vrouw daarentegen laadt de schijn op zich de islamitische orde te verwerpen. Zeker in Marokko, waar zelfs veel volwassen mannen niet onder de ogen van hun ouders durven te roken, omdat dat op ‘gebrek aan respect’ zou duiden, is de sigaret een krachtig symbool, even krachtig als de hoofddoek. Of ze nu wil of niet, de vrouw die een sigaret opsteekt, creëert daarmee een imago. Ze lijkt te zeggen: ik ben onafhankelijk. Ik eis het recht op zelfbeschikking op. Ik erken dat ik een lichaam heb, dat van mij is, waarmee ik doe wat ik wil. Ik weiger me aan de man te onderwerpen. Ik verwerp de islam. Ja, zo deugdzaam als het gehoofddoekte meisje zich voor het oog van de buitenwereld toont, zo verdorven toont zich de rookster (‘hoer’, ‘afvallige’, ‘atheïst’).
Op een terras ben ik hier altijd door mannen omgeven. Er zijn in Rabat terrassen waar ook vrouwen zitten, maar roken doen ze niet. Als zelfs de vrouwenbeweging ervoor terugschrikt de schijn op zich te laden dat ze de islamitische orde verwerpt, en om die reden een hervorming van de Moudawwana ‘op grond van een vrouwvriendelijker lezing van de Koran’ eist, is het niet vreemd dat de rookster daar ook voor terugschrikt. Zo ver wil ze vermoedelijk niet gaan, kán ze in dit land, waar ze moslim tegen wil en dank is, waarschijnlijk ook niet gaan, zoals man noch vrouw hier openlijk toegeeft tijdens de ramadan niet te vasten. Daarom rookt ze in het verborgene, op de bovenverdieping van het café. Tenminste, zolang de wet dat nog niet verbiedt.

De socioloog Abdessamad Dialmy geeft op 17 april een lezing over ‘Islam en seksualiteit’ op uitnodiging van Stichting Tilelli en de Bibliotheek Rotterdam (zie agenda Bibliotheek Rotterdam op internet)