Interview Ton Wurtz van de Stichting Rokersbelangen

«Rokers ontwaakt!»

Minister Borst wil niet dat rokers nog langer cholesterolverlagende middelen vergoed krijgen. Een nieuwe slag in de oorlog tegen tabak, vindt Ton Wurtz, voorzitter van Stichting Rokers belangen.

«Onredelijk. Een proefballon voor een regeling die haaks staat op het gelijkheids beginsel in de grondwet.» Ton Wurtz, voorzitter van Stichting Rokersbelangen, vindt het voorstel van minister Borst om cholesterolverlagende middelen voor rokers niet langer te vergoeden schandelijk.

Afgelopen donderdag liet Borst in een brief aan de Tweede Kamer weten dat een gezonde levensstijl — waarmee ze vooral die van niet-rokenden bedoelde — de kans op hart- en vaatziekten net zo verlaagt als het gebruik van cholesterolverlagende middelen. De meeste kamerfracties reageerden kritisch op het plan. De minister zou rokers te zeer plaatsen in een uitzonderingspositie: als dé vertegenwoordigers van een ongezonde manier van leven. Anders dan Wurtz, die vindt dat het antirookbeleid al te ver is doorgeschoten, stelden de kamerleden dat het bij de minister vooralsnog ontbreekt aan een stevig preventiebeleid.

In een cleane, rookvrije kamer waar Wurtz als vennoot van een accountantsbedrijf is gevestigd en kantoor houdt als rokersactivist, legt hij een brief van zijn juridisch adviseur voor, vastbesloten als hij is een rechtszaak aan te spannen wanneer het plan van Borst doorgaat. In die brief staat: «Uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektenkosten volgt niet dat de minister de inhoud en de omvang van de zorg voor bepaalde categorieën ingezetenen kan beperken. (…) Daarmee wordt de strekking van de wet geweld aan gedaan.» Bovendien bepaalt de grondwet dat de overheid voor alle ingezetenen een «inspanningsverplichting» heeft en zijn er, volgens Wurtz’ jurist, internationale verdragen die — impliciet — voorschrijven dat mensen niet van het gebruik van een medicijn mogen worden uitgesloten. «We zijn dus niet helemaal aan de heidenen — de minister en de antirooklobby — overgeleverd», constateert Wurtz tevreden.

«Borst zit vol verrassingen», vervolgt hij sarcastisch. «Haar voorstel past in de oorlog die zij voert tegen ten eerste de tabaks indu strie en ten tweede de consument. Ze is vast van plan rokers in een sociaal isolement te drijven: ze wil ervoor zorgen dat je je schuldig voelt op het moment dat je een sigaret of een sigaar opsteekt. Terwijl tabak een legaal product is waar veel mensen dagelijks van genieten. Láát ze!

De minister heeft zich überhaupt niet te bemoeien met mijn lifestyle. Een maatregel als deze grijpt veel te diep in de persoonlijke levenssfeer in. Artsen worden in de rol van politieagent of rechercheur gedwongen, want zij moeten controleren of iemand rookt of niet. Wat als iemand ontkent? Het is sowieso onredelijk deze ene groep te willen isoleren. Als mijn vriendin zwanger wordt omdat ik geen condoom heb gebruikt, moet ik dan zelf de bevalling betalen? En er zijn meer voorbeelden. Volgens mij is er weinig verschil tussen het risico dat een verstokte fastfood-eter neemt en iemand die rookt. Iedere activiteit draagt een risico in zich. Het onderscheid tussen activiteiten die zinvol zijn en activiteiten die zomaar voor het genot zijn, is arbitrair. Hard werken wordt bijvoorbeeld als nuttig gezien terwijl dat voor sommige mensen net zo slecht en gevaarlijk is als roken.»

Een uitzonderlijke maatregel dus. De vraag of tabaksgebruik, vergeleken bij drinken of het eten van fastfood, ook niet uitzonderlijk ongezond is zodat paardenmiddelen gerechtvaardigd zijn, wuift Wurtz weg. «De basis van ons stelsel van gezondheidszorg is gelijkheid: iedereen heeft het recht zijn medicijnen vergoed te krijgen. Als Borst een splitsing in de zorg wil creëren, wil ik verder niet eens luisteren naar de argumenten die zij daarvoor heeft.»

Een succesvolle actie van Stichting Rokers belangen richtte zich vorig jaar tegen ongelijke behandeling in de zorg. De longarts Van Buningen bracht het «eigen schuld, dikke bult-principe» op eigen houtje in praktijk: de medicus weigerde rokers te behandelen, gezondheidsklachten van tabaksgebruikers nam hij niet aan. Wurtz: «We hebben een telefoonlijn opengesteld waar mensen zich met hun grieven konden melden. Ook vanuit het ministerie en de beroepsgroep is actie ondernomen. Uiteindelijk is die man ook berispt door het medisch tuchtcollege en moest hij zijn praktijk veranderen. Borst liet in verband met deze zaak weten: ‹Ik heb het niet op rokers, maar ik heb het nog minder op artsen die weigeren rokers te behandelen.› Dat is geheel in strijd met de maatregel die ze nu voorstelt.»

Het is duidelijk wie Wurtz nastreeft te vertegenwoordigen: «de bewuste, volwassen roker», zoals hij het noemt. Van de vier miljoen rokers die er in Nederland zijn, maken er 25.000 een jaarlijkse donatie over aan de Stichting Rokersbelangen. Van dat geld houdt de stichting een klachtenlijn open voor rokers die zich gediscrimineerd voelen, en voert ze actie ten behoeve van rokers, zoals de demonstraties tegen het rookverbod op Schiphol. De stichting, die Wurtz omschrijft als een consumentenorganisatie voor rokers, telt zo'n 45.000 «sympathisanten»: mensen die per brief of telefoon Rokersbelangen op de hoogte houden van afnemende tolerantie ten opzichte van tabaks gebruikers of in het Gastenboek op de internetsite hun aanhankelijkheid kenbaar maken.

Behalve van particuliere donateurs ontvangt Stichting Rokersbelangen ook een jaarlijkse bijdrage van het Bureau Voorlichting Tabak, een overkoepelende organisatie van tabaksfabrikanten. Wordt u daarmee niet een deel van de tabakslobby?

«Onze belangen lopen voor een deel parallel: we willen allebei dat er een tolerant klimaat is ten opzichte van rokers. Voor de rest bepalen wij ons eigen beleid. Wij zijn geen roeptoeter van de tabakslobby, maar het is logisch dat je steun zoekt bij je vrienden. Er zijn punten waar onze wegen zich scheiden. Zo maken wij ons sterk voor accijnsverlaging, terwijl de tabaksindustrie daar niet zo in geïnteresseerd is. Die geloven dat mensen toch hun producten wel blijven kopen, ondanks de hoge prijs.»

Als de ideeën van de antirooklobby onbeperkt in beleid blijven worden omgezet, zoals nu het geval is volgens Wurtz, wordt de roker een outcast, een paria. Er is een hetze gaande, vindt hij. Minister Borst stelt zich op als een brave uitvoerder van de plannen van Clean Air Now en andere organisaties die tabaksgebruik willen tegengaan. Borst is in Wurtz’ ogen het kwaad, het antirookbeleid in persoon. Het is oorlog. «Die zware termen zijn zeker gerechtvaardigd om de roker bewust te maken. Het is een vrij makke groep, die niet snel iets van zich laat horen. Maar: rokers ontwaakt! Nu kunnen we nog wat doen tegen antirookmaatregelen. Over een paar jaar is het antirookbeleid helemaal vastgelegd in wetten en dan kunnen we nog maar weinig ondernemen.»

Wurtz’ schrikbeeld is de situatie in de Verenigde Staten. Een reis in 1993 naar het land van de onbegrensde rookbeperkingen was de aanleiding voor de oprichting van Stichting Rokersbelangen. «Mij viel vooral op dat in restaurants en cafés voor rokers altijd tafeltjes bij de uitgang of bij de toiletten waren gereserveerd: dat vond ik een vorm van discriminatie. Mensen kijken je ook een beetje vreemd, vijandig aan als je een sigaret of sigaar opsteekt», vertelt Wurtz, zelf sinds zijn 27ste een «sporadisch sigarenroker». «In sommige staten mag je alleen nog maar roken in je eigen huis. Op alle andere plekken is het verboden.»

Denkt u dat het ook in Nederland zo ver kan komen?

«Dat betwijfel ik. We hebben hier een heel andere vorm van rechtspraak dan in de Verenigde Staten, waar het jurysysteem wordt gehanteerd. Dat leidt tot extremen. Hier heerst meer het overlegmodel, al is het de vraag of dat in de toekomst voor rokers ook nog opgaat.»

Waarom dan toch een consumentenorganisatie speciaal voor rokers?

«Vanaf 1993 vinden de tegenstanders van tabaksgebruik — fanaten die niets aan zelf regulering willen overlaten — steeds vaker gehoor. Er werd steeds meer bekend over de kwalijke gevolgen en de vermeende kwalijke gevolgen van tabak. En in de media was het vooral de antirooklobby die aan het woord kwam.»

Bent u er dan tegen dat over de evidente gevaren van roken wordt bericht?

«Nou, in die tijd werd er wel overdreven. Je zou er vroeg oud van worden, het zou slecht zijn voor je sperma. Slecht voor dit, slecht voor dat. Als je leest wat er toen werd geschreven, zou je gaan geloven dat onze voorouders — voor wie roken heel vanzelfsprekend was — allemaal stumperds waren. En hun kinderen ook, die zouden tenger en zwak en bleek zijn, want roken heette schadelijk voor het nageslacht.»

De antirooklobby heeft in ieder geval bereikt dat het niet meer vanzelfsprekend is te roken. Wat is daar tegenin te brengen?

«Daar is op zich niets tegen. Het enige goede antirookbeleid is een beleid dat gericht is op voorlichting aan jongeren. Zij moeten grondig worden ingelicht over de gevaren van roken. Ook ben ik voor een verkoopverbod aan jongeren onder de achttien. Maar achttien, dat is een leeftijd waarop je verantwoordelijkheid krijgt. Je mag autorijden, je mag stemmen, dus mag je ook bewust kiezen om wel of niet te gaan roken. Met de volwassen consument heeft de overheid zich zo weinig mogelijk te bemoeien.

Waar ik tegen ben, is dat de overheid steeds meer bepalingen gaat opleggen inzake roken, bijvoorbeeld in bedrijven, waar het veel beter tussen rokers en niet-rokers zelf geregeld zou kunnen worden. In bussen en vliegtuigen zijn rookruimten al opgeheven en op de werkplek staat ons eenzelfde soort draconische maatregel te wachten: een algeheel rookverbod. Terwijl in collegiaal overleg afspraken te maken zouden zijn over ruimten waar wel en niet mag worden gerookt. We krijgen nu al klachten van mensen die op hun werk van de ene op de andere dag een rookverbod krijgen opgelegd.

We hebben op dit moment een klacht liggen van een meneer die bij PKF-post werkt die in drie jaar drie keer betrapt is op het roken van een sigaret. De laatste keer stond hij stiekem te roken in het washok en is hij ontslagen, terwijl hij voorzitter was van de ondernemingsraad en dus eigenlijk ontslagbescherming genoot. Met onze hulp is hij een procedure begonnen: hij mag nu terugkeren op zijn werkplek als hij ‹vrijwillig› een week salaris of vrije tijd inlevert en ook ‹vrijwillig› zijn functie in de ondernemingsraad neerlegt.

Voor de situatie waarin dit soort naar chantage ruikende maatregelen mogelijk zijn, houd ik de antirooklobby en minis ter Borst verantwoordelijk.

Bedrijven worden bang dat er een rechtszaak tegen ze wordt aangespannen, zoals tegen de PTT in Breda waar een werknemer een rookvrije werkplek eiste. Zo'n claim staat zorgvuldig overleg in de weg. De mevrouw van de PTT heeft zich onmogelijk gemaakt bij haar collega’s. Al te rigide eisen en verboden bederven de sfeer.»

Zo bezien zou een wet over roken op de werkplek toch nuttig zijn; het zou kunnen voorkomen dat dit soort claims worden ingediend of dat werkgevers zelf scherpe maatregelen afkondigen.

«Als je erop kon vertrouwen dat Borst rokers enige ruimte zou laten, zou daar inderdaad iets voor te zeggen zijn. Maar daar geloof ik niet in. Borst is de ideale minister voor de antirookactivisten van de harde lijn, die helemaal niet genegen zijn tot overleg, die maar één ding willen: Nederland rookvrij. En dan nog, ik geloof niet dat er voor alle, zó verschillende bedrijven in Nederland één passende wet af te kondigen is.»

Uw slogan blijft dus: we komen er samen wel uit. Maar wat als er in bedrijven ondanks alle afspraken een tegenstelling blijft tussen rokers en niet-rokers?

«Als al het overleg heeft gefaald, blijft inderdaad de gang naar de rechter over. Maar ik geloof dat wanneer er in ondernemingsraden goede regels worden opgesteld, de tegenstellingen altijd te overbruggen zijn. Het probleem is nu dat de niet-roker als enige norm wordt genomen.»

De grootste misstand wat betreft rookverboden speelt zich volgens Wurtz af in de geestelijke gezondheidszorg. «Zestig procent van de psychiatrische patiënten en verstandelijk gehandicapten rookt. Maar door de aangescherpte tabakswet hoeven verpleegkundigen niet te werken in ruimten waar wordt gerookt. Met als gevolg dat in het begeleid zelfstandig-wonenproject Vogelenzang patiënten die roken zorg wordt onthouden. Daar gaan we zeker actie tegen voeren. We hebben al een brief geschreven aan Borst. Ze heeft zelf teruggeschreven, meestal laat ze dat haar ambtenaren doen. Maar onze relatie met het ministerie is slecht. In de brief stond dat er geen reden was om voor de patiënten in Vogelenzang een uitzondering te maken. ‹Dank voor de melding›, stond er in de brief. ‹Maar ik heb niet geconstateerd dat er reden is tot zorg.›»