Ger Groot

Rollebollen

Een van de minst opgemerkte veranderingen die de nieuwe politiek deze zomer heeft gebracht was de gewoonte van bewindslieden «rollebollend over straat te gaan». Dat is opmerkelijk, want veel liefde is er tussen de coalitiepartners niet verloren gegaan. Toch leken ze — als je op de woorden mag afgaan — bereid publiekelijk te doen wat mensen gewoonlijk voorbehouden aan de beslotenheid van matras of hooimijt. Maar bij nader inzien blijkt deze versoepeling van de normen louter verbaal te zijn geweest. «Rollebollen» klinkt indrukwekkender dan «rollen», ook al betekent het in dit geval precies het omgekeerde.

Er is in de linguïstiek een wet die zegt dat talen neigen naar een zo groot mogelijke beknoptheid. Wat overbodig is, slijt vanzelf uit het taalgebruik weg. Dat is een simpel economisch beginsel, maar economie zit gecompliceerder in elkaar dan de rekenaars van de nutsmaximalisatie willen toegeven.

Besparingen worden even snel weer ongedaan gemaakt door de menselijke behoefte aan nutteloos vertoon en verspilling, stelde de Franse antropoloog Marcel Mauss in de jaren twintig vast en de filosoof Georges Bataille bouwde daar een hele economische theorie omheen. Als het erop aankomt, ruilen we de zuinigheid grif in voor de potlatch van het grote gebaar dat achteloos zijn rijkdom over de balk gooit.

De indianenstammen die zich in het ritueel van de potlatch uitputten, lieten daarmee zien sterker, rijker en beter te zijn dan hun rivalen, die het liever niet lieten aankomen op zo’n zelfruïnering in grote stijl. Dat is een wet van alle tijden en culturen. Het ruime gebaar behoort bij de grand seigneur, zelfs al heeft die daarna geen nagel meer over om zijn kont te krabben.

Literatuur en opera hebben met dat thema altijd goed weg geweten, en zoiets ontgaat ook de nieuwe rijken niet. Luisterrijke feesten en liefdadigheid vormen de dubbele en alleen maar schijnbaar tegengestelde weg om duidelijk te maken dat ook zij er helemaal bij horen. Alleen zit het rekenen hen altijd nog voldoende in het bloed om nog ruimschoots meer dan één nagel over te houden.

Wie over straat «rollebolt» heeft iets van zo’n nouveau riche. De woorden moeten dikker klinken dan ze zijn, want dat geeft aan de mededeling iets gewichtigs. Daar legt de taalzuinigheid die zo beknopt mogelijk wil zijn het grif tegen af. Er staan andere waarden op het spel. Vlak naast het rollebollen heeft ook de bodyguard zich op die manier stevig in het Nederlands weten te vestigen. Niet vanwege het gemak. Het oer-Hollandse «lijfwacht» is dertig procent korter en doet het zonder lastige, on-Nederlandse keelklank.

Maar bodyguard klinkt breder en gespierder, Engels en dus professioneler. Daar kon zelfs het nóg langere «persoonsbeveiliger» niet tegenop. Niet zozeer omdat de woord omslachtigheid nu ook weer niet moet worden overdreven. Het werd in het Haagse jargon dan ook al snel «PB». Maar zelfs dat blitse acroniem haalde het niet. Het klonk nog altijd te veel naar de huisbakkenheid van Nederlandse waar, waar de glamour gewoonlijk niet van afdruipt. PB-zijn is de Melkertbaan onder de bodyguards.

Taal moet vlot zijn om lekker te klinken, maar wat van ver komt klinkt nog lekkerder. De oer-Hollandse zeventiende eeuw wist daar al raad mee. Lees de akten of officiële correspondenties uit die tijd, en iedere criticus van het hedendaagse taalverval doet er van schrik het zwijgen toe. Nog weer een eeuw later schreef Justus van Effen paro diërend aan een Hoog Edele Welgebooren Heer begrepen te hebben «dat U op Uw landgoed verscheidene dagen heeft gepasseert, en zig met andere importante zaken heeft beziggehouden [zodat] Uw zaak niet kan geentameert worden. U zal my myne precipitatie, alleenlyk spuitende uit iever voor Uw interest, ten beste houden».

Potjeslatijn, polderfrans en steenkolen engels hebben door de eeuwen heen in de Nederlandse taal garant gestaan voor een potlatch van gewicht. Hoe onuitspreekbaarder het exotisme en hoe halsbrekender de inspanning, des te indrukwekkender wordt het resultaat geacht te zijn. De banksector heeft zich inmiddels tongue-twisting verslingerd aan de stock exchange, waarvan de uitspraak alleen al een risicofactor is. Waarschijnlijk levert dat in die kringen groot aanzien op. «Beurs» kan tenslotte iedereen wel zeggen.