Roman over de maffia

NA TIEN vertaalde titels en ettelijke verfilmingen - zoals Cadaveri eccelenti van Francesco Rosi naar de roman De context - is de Siciliaanse schrijver Leonardo Sciascia (1921-1989) in Nederland nog altijd onbekend. Als een van de eerste titels heeft een nieuwe, in Italiaanse literatuur gespecialiseerde uitgeverij, Serena Libri, een vroeg boek van Sciascia, De dag van de uil (1961), laten vertalen, overigens zonder te vermelden dat de roman al eerder in het Nederlands werd gepubliceerd onder de titel De doodmakers. Die vertaling verscheen in 1968 bij de Wereldbibliotheek, in hetzelfde jaar als de roman werd verfilmd door Damiano Damiani.

De roman begint uitermate filmisch. Op een leeg plein staat in alle vroegte een bus op vertrekken als er nog een man aan komt rennen. Net als hij op de treeplank wil springen, klinken er twee schoten, ‘de donker geklede man bleef even in de lucht hangen alsof hij door een onzichtbare hand aan zijn haar omhoog werd gehouden; hij liet zijn aktetas vallen en zakte toen langzaam over zijn tas in elkaar’. Om het lijk verzamelt zich een groep arbeiders, die deze pauze gretig aangrijpen. Wanneer eindelijk de carabinieri verschijnen, verdwijnen schielijk alle inzittenden van de bus.
Wat zijn de feiten waarmee kapitein Bellodi zijn onderzoek moet beginnen? En wat kan hij beginnen? Hij is immers afkomstig uit Parma, en 'die van het vasteland zijn vriendelijk, maar ze begrijpen niet erg veel’. Een van de gebroeders Colasbena, eigenaars van een bouwcoöperatie, is vermoord toen hij in de bus naar Palermo wilde stappen. De moordenaar is door de Via Cavour weggerend, en een man die daar woonde en die hem herkende, zou onderweg naar zijn werk verdwijnen. Aan zijn vrouw had hij de bijnaam van de dader verteld. Bellodi weet haar die naam te ontfutselen, zoals hij ook met zijn vriendelijkheid een politiespion, die van de kant van de politie alleen intimidatie gewend is, tot het noemen van namen beweegt. Daarmee tekent deze - vanwege zijn rappe tong en hypocrisie 'pastoortje’ geheten - zijn eigen doodvonnis. 'Ik ben dood’, schrijft hij onder zijn briefje aan de politie, dat Bellodi pas de volgende dag krijgt. Dan is de man al op straat geliquideerd, nadat hij 24 uur lang heeft rondgelopen in afwachting van zijn aangekondigde dood.
Binnen een paar dagen zijn er drie lijken, en zitten er drie man vast op de politiepost: een huurmoordenaar en zijn directe opdrachtgever, die beiden een bekentenis afleggen nadat ze op vernuftige zij het niet helemaal reglementaire wijze tegen elkaar zijn uitgespeeld; terwijl de derde, Don Mariano Arena, een oude fascist maar allerwege gerespecteerd burger, de man met connecties tot in Rome, weet dat alles wel goed zal komen. Hij weet hoe de mensheid in elkaar zit, in het bijzonder hoe de verhoudingen op Sicilië liggen.
Tussen deze sluwe vos en de waarheidzoekende Bellodi vindt een schitterend tweegesprek plaats, waarin Sciascia en passant een paar interessante gedachten kan verwerken over de voedingsbodem van de maffia. Voor de Siciliaan is het instituut van de familie de definitieve vorm van zijn recht en zijn plicht, 'de familie is de Staat van de Siciliaan’, meer een juridisch contract dan een emotionele band. Wat de corrupte Don eufemistisch een 'organisatie voor geheime wederzijdse hulp’ noemt - de manier waarop men hier zijn rechtsgevoel uit - ziet de Italiaanse kapitein als een voortzetting van het fascisme. Sicilië hield aan het fascisme één echte vrijheid over, bestaande uit de veiligheid van leven en bezit. Daarvoor waren de Sicilianen bereid alle andere vrijheden én de vrijheden van anderen op te offeren.
Bellodi is vervuld van woede jegens heel Sicilië, maar helemaal razend maakt hem het feit dat de wet geen enkele ruimte biedt om werkelijk iets tegen de maffiosi te ondernemen. Als hij even met ziekteverlof in Parma is, verneemt hij uit de krant dat de moordenaar een alibi heeft gekregen van een stel absoluut onkreukbare burgers op vele kilometers van de plaats van de misdaad, de zogenaamde bekentenis blijkt een wraakactie te zijn geweest, en wat hij had aangezien voor een afrekening door de maffia met een kleine aannemer die bescherming had geweigerd, was natuurlijk, zoals iedereen al meteen wist, een crime passionnel. In het parlement verkondigt de regering dat de maffia alleen bestaat in de verbeelding van de communisten. Wie heeft de maffia ooit werkelijk gezien? Zo werd er in 1960, toen Sciascia zijn roman schreef, een parlementaire onderzoekscommissie ingesteld, niet omdat iemand in de regering geloofde dat de maffia echt bestond, maar omdat er in de kranten zoveel over geschreven werd. Over Bellodi wordt in de politieke wandelgangen geoordeeld als 'een van die noorderlingen met een hoofd vol vooroordelen, die zodra ze van de veerboot afstappen overal maffia zien’.
SCIASCIA GEBRUIKT elementen uit de misdaadroman, maar er is minstens dit grote verschil: in zijn boeken wordt geen schuldige gearresteerd, laat staan berecht. Het vinden van een dader lijkt zelfs zinloos. Het eindigt er steeds mee dat een slimme, kritische buitenstaander, die ongeregeldheden meent te zien waar voor anderen alles normaal is, wordt uitgeschakeld. In een simpele detective gaat het erom wie het gedaan heeft en hoe de dader gepakt wordt; in de wat minder simpele is vooral van belang hoe iemand het gedaan heeft en hoe slim de speurder daad en motieven ontrafelt.
Sciascia geeft aan de misdaadroman een heel andere dimensie. Lezer en speurder weten wie het gedaan heeft, zelfs waarom en gedekt door wie, de speurder mag nog zo'n hoge pet op hebben van wet en waarheid, maar het zijn juist de vertegenwoordigers van het recht en de handhavers van de wet die een veroordeling van de dader verhinderen.
In dat verband is het nawoord bij de roman interessant. Daarin vertelt Sciascia dat hij een jaar lang aan het boek heeft zitten schaven en schrappen, niet om er een beter verhaal van te maken, maar om bezwaren te voorkomen van 'degenen die ervoor zorgen dat de wetten gerespecteerd worden’. In Italië spot je niet ongestraft met wie heilig is of wie macht heeft. Derhalve komen daar in verhalen en films geen achterlijke generaals, corrupte rechters en slinkse politieagenten voor, merkt Sciascia op. Als je niet beter weet meldt hier een schrijver niets anders dan dat hij zelfcensuur heeft gepleegd. Maar Sciascia is een meester van de dubbele bodem; niet voor niets heeft hij zich zijn hele leven met de maffia beziggehouden. Tien jaar later vertelt hij, in een nawoord bij De context, dat men zijn toelichting bij De dag van de uil indertijd helaas letterlijk heeft genomen, en nog steeds werden hem daarover verwijten gemaakt: 'Ik had dat nawoord gepresenteerd als een soort moraal van de fabel en gedaan alsof ik, aangezien ik tegen de maffia had geschreven, bang was voor de wet; een angst die de maffiosi juist niet kenden.’
Sciascia had gewoon de positie van Bellodi overgenomen. In De context kwam inspecteur Rogas, ook al zo'n geletterde speurder, op zijn speurtocht naar de moordenaar van een reeks rechters, tot net zo'n conclusie. Het kwam erop neer 'de staat te verdedigen tegen degenen die hem vertegenwoordigden, die hem in hun macht hadden. De gevangen staat. En hij moest hem bevrijden. Maar ook hij zat gevangen: hij kon alleen maar proberen een scheur te maken in de muur.’ Vanuit dat scepticisme schreef Sciascia al zijn eerste roman over de maffia. Met zijn scherpe oog voor de grotere context van dit Siciliaanse fenomeen kregen zijn observaties soms profetische allure, zoals de vergelijking met de palmgrens die volgens de geleerden elk jaar vijfhonderd meter naar het noorden opschuift: 'Misschien is heel Italië een Sicilië aan het worden (…). Die grens van de palm, van de sterke koffie, van de schandalen, die stijgt als het kwik in een thermometer steeds hoger Italië in, en is nu al voorbij Rome…’