Roman van een mislukking

Volgens een wat nuffige conventie wordt de leeftijd van de autrice van deze roman, Anne Landsman, niet genoemd; wel mogen we weten dat ze in Kaapstad studeerde en in New York lesgeeft in scenarioschrijven. De duivelsschoorsteen is haar debuut. Waarom het over haar leeftijd hebben? Niet om vast te stellen in hoeverre ze schatplichtig is aan Coetzee, een andere Engelstalige schrijver uit Zuid-Afrika, maar om enigszins te weten in hoeverre deze roman naar een typisch Zuid-Afrikaans genre verwijst, de plaasroman. Deze lokale versie van de boerenroman beleefde een zekere bloei tussen de twee wereldoorlogen toen men massaal van het platteland naar de stad trok, dus juist toen er een einde kwam aan de boere-nasie. Niet toevallig - zie een van zijn eerste romans, In het hart van het land - heeft Coetzee daar een paar opstellen over geschreven, onder meer over de bloed-en-bodemtendenzen in het genre (zie het boek White Writing). In z'n onschuldiger vorm was de plaasroman een verheerlijking van de boerderij als een bastion van feodale waarden.

Het is niet moeilijk een paar kenmerken van Landsmans roman te noemen die een gerichte kritiek op de vroegere plaasroman doen vermoeden. Het verhaal speelt zich af rond het plaatsje Oudtshoorn in de Kleine Karoo, hoofdzakelijk in de jaren 1910-15. Maar aan de landschappen waarin het drama zich voltrekt besteedt de schrijfster nauwelijks aandacht, terwijl die in de literatuur uit die tijd juist het belangrijkste waren; hoe leger land hoe beter, alsof er buiten de hofjes van Eden geen mensen leefden en ook nooit geleefd hadden. Zwarten waren in de pastorales afwezig, ze deden hun werk, net zoals vrouwen een verborgen leven leidden in de keuken en de kraamkamer. In De duivelsschoorsteen is de hoofdpersoon een vrouw, Beatrice, met de eerzucht en het uiterlijk van een man; ze krijgt bijna de huid van een kleurling, ze woont ook onder één dak met kleurlingen, van binnen is ze zwart als een kaffer, zegt de vertelster. Als de pastorale schrijvers de aarde mythologiseren als een moeder, een harde, uitgedroogde vrouw, kan het bijna niet anders dan dat Landsman daarop inspeelt door haar hoofdpersoon het ribbelige lijf van een wasbord te geven en haar grootste ongeluk te situeren in grotten onder de grond. De ‘duivelsschoorsteen’ is zo'n duistere plaats in de druipsteengrotten. Nadat ze in een grot bevrucht is, zo denkt Beatrice zelf een tijdlang, raakt ze in dezelfde grotten haar kind kwijt; al eerder overweegt ze om aan de vermeende verwekker, de buurman, te 'vertellen over de grot in haar binnenste, en wat daar van hem in zat’. Van het befaamde landschap van de Kleine Karoo krijgt de lezer weinig te zien; meer van de plaatselijke Cango-grotten, zo men wil ook een soort landschap, ondergronds, verborgen, ontoegankelijk. Je zou verwachten dat als de buitenwereld zo spaarzaam in beeld komt, de aandacht naar innerlijke landschappen gaat. Als Landsman dat al had gewild, dan is ze die neiging tegengegaan door de keuze van haar vertelster: Connie, een dronkelap, een kleurlinge werkzaam op een toeristenbureau, getrouwd met een niksnut, die aan haar dove zus het verhaal vertelt van juffrouw Beatrice. Dat zij in een permanente staat van dronkenschap verkeert, leidt in het begin tot veel geleuter, vooral wanneer ze het over haar eigen leven heeft, maar in haar verhaal over de excentrieke Beatrice krijgt ze geleidelijk aan een stevige, plastische toon. Beatrice Chapman kwam in 1910 uit Engeland hierheen nadat haar adellijke familie financieel was bijgesprongen toen haar man Henry wegens gokschulden aan de grond zat - ze behoren dus niet tot de Boeren, de Rooinekken. Oudtshoorn was de wereldhoofdstad voor struisvogelveren, die toen nog goud waard waren. In de struisvogelkwekerij die het stel dreef, verbruide Henry praktisch alles. Toen zelfs een struisvogelrace mislukte, toog hij op zijn paard richting Grote Karoo en leek hij lange tijd spoorloos. Beatrice knipte haar haar kort, trok werkkleren aan en ontpopte zich als een eerzuchtige vechtjas. Van de blanke bevolking hield zij zich verre, zij vertoonde zich alleen om met haar struisvogels anderen te overtroeven. De grootste bedreiging kwam van binnenuit: wanneer haar buurman Jacobs, de 'struisvogelkoning’ van de streek, een succesvolle joodse kweker, haar, min of meer tegen haar zin, met raad en daad bijstaat, worden beiden door razernij bevangen; ze vallen op elkaar en Beatrice raakt regelrecht bezeten van Jacobs, misschien minder door de man zelf dan door haar eigen begeerte. Dat blijkt wel als zij kort daarna ’s ochtends, nog in de roes van een droom, bijna als een slaapwandelaar, naar de pondokkie (hut) van haar twee huisbedienden gaat: de meid Nomsa, een Xhosa die aan tovenarij doet, en de knecht September, een kleurling. 'Ik wil dat jullie mij beminnen’, zegt ze tegen het verbaasde tweetal, dat aangekleed onder een oude deken op bed ligt en vervolgens aan haar wens gehoor geeft. 'Wat ze aan het doen waren, was natuurlijk zo slecht dat het niet eens meer een zonde was. Het staat niet eens in de bijbel, maar als ik mijn ogen dichtdoe zie ik het voor me. September op zijn rug met juffrouw Beatrice boven op zich en Nomsa achter haar. Zoiets als een kipsandwich met twee sneetjes bruinbrood.’ Echt op dreef raakt de vertelster wanneer Beatrice, geholpen door de huishoudster, bevalt of wanneer Nomsa haar bazin de baby ('het kind van haar man’) afhandig maakt, bij een gevecht in de grot. De vertelster is dan zelf al aan een delirium tremens toe, terwijl Beatrice en Henry allebei hun verstand aan het verliezen zijn. Henry breekt September met een zweep zijn nek. Beatrice had met haar dikke buik de blanken geschoffeerd. Henry maakt dat alle gekleurden vanwege de moord wraak op de levende have van de boerderij nemen; vervolgens wordt de doldrieste idioot ook nog eens door een struisvogelwijfje doodgetrapt. Wanneer ze denkt dat een ei dat op uitkomen staat door de man bedreigd wordt, splijt ze met een teennagel zijn rug van boven naar beneden. Idyllisch is deze plaasroman niet. Maar je komt wel veel details over die vreemde allesetende vogels met hun toen nog kostbare veren te weten; ook waarom ze niet meer kunnen vliegen. Dat de verenmarkt in 1914 instortte kon Beatrice nauwelijks nog deren. Alles mislukte; ze wilde alles en kreeg alles half of dubbel en dwars, wat erger was dan niks. De vraag is of haar (gekleurde) dochter het overleefde om zelf in de grotten te verdwijnen - in de duivelsschoorsteen. De vrouwen en zwarten die in de vroegere plaasroman onzichtbaar bleven, zijn in Landsmans roman hoofdpersonen geworden, maar dat wil niet zeggen dat ze het er beter van afbrengen. Of is Landsmans these dat het kwam omdat ze vrouw en/of zwart waren?