Romanplaksnor

Beleeft de novelle een terugkeer? In de Engelstalige literaire wereld hoor je dat al jarenlang. In 2008 signaleerde het Amerikaanse Esquire een comeback van het genre van de novelle, sindsdien is die constatering niet meer weg geweest.

Een greep uit het afgelopen jaar: een blog van de Schotse schrijfster Marianne Wheelagan (‘Is the novella making a comeback?’), een lang artikel in het Amerikaanse The Atlantic (‘The Return of the Novella’), en een Australische site die het project ‘Viva la Novella’ lanceerde, een wedstrijd speciaal voor dit genre, dat het midden houdt tussen het korte verhaal en de roman: ‘If you sometimes think that novels are just obese novellas, then you’re on our wavelength.’

Allemaal beargumenteren ze ongeveer dit: de novelle is altijd al een populaire en succesvolle vorm geweest (denk aan klassiekers als Heart of Darkness, Animal Farm, Der Tod in Venedig, A Clockwork Orange enzovoort), maar raakte commercieel in diskrediet (je hebt toch het gevoel minder waar voor je geld te krijgen als je een ‘boekje’ aanschaft voor de prijs van een ‘echt’ boek), waarna novelles zich plotseling gingen afficheren als ‘romans’. Zie Julian Barnes, The Sense of an Ending. Zie Everyman (en andere late ‘romans’) van Philip Roth. Zie volgens mij het leeuwendeel van wat in de boekwinkels als ‘roman’ ligt: nog geen 150 pagina’s, in een bladspiegel met veel lucht.

Nu is zo’n genreaanduiding niet alleen een kwestie van kwantiteit. Ondanks ijverige pogingen van cijferaars kun je niet stellen dat boven de 65.000 woorden de roman begint, bij achtduizend woorden het korte verhaal eindigt, en de novelle dus alles daartussen moet zijn.

Toch kom je er met een louter inhoudelijke typering ook niet. Er bestaat kort proza met een duizelingwekkende complexiteit en er zijn bakstenen van boeken die tam en gedwee een draadje van één chronologische vertelling volgen.

Wat is een roman? In Vrij Nederland kwam dezelfde verwarring vorige week aan de orde bij de bespreking van de nieuwe Margriet de Moor. Een van de geschiedenissen erin was volgens de recensent wat zwakker. ‘Dat zou een probleem opleveren als je Mélodie d’amour als roman opvat, zoals de genreaanduiding op de omslag en het titelblad dicteren.’ Maar hier is geen ‘eenheid’, dit boek is ‘een thematische verhalen- of zo men wil novellenbundel’.

Ja, zo men wil, maar die men is in elk geval geen uitgever. Want wie dat op het omslag schrijft, solliciteert wel heel openlijk naar de verramsjing. Wat moet je anders dan elk fictiewerk ‘roman’ noemen? Je kunt toch bezwaarlijk op de titelpagina afdrukken: ‘Novelle, en mocht dat u tegenstaan, bedenk dan dat Der Tod in Venedig en Animal Farm en ook onze eigen Uitvreter van Nescio feitelijk novellen waren, sterker nog, alle boeken die u naast dit boek aantreft zijn ook novellen met een romanplaksnor en een romanpruik, dus als u zich wilt laten beetnemen koopt u die toch lekker.’

En dan heb ik het er nog niet eens over dat voor de Libris Literatuurprijs sinds een paar jaar alleen romans nog mogen worden ingezonden. Bij de afkondiging van die restrictie voorspelde ik al een toename van het aantal verhalenbundels onder de romanvlag, en de meest recente Libris-jury had het er maar moeilijk mee: ‘Uiteindelijk besloten wij dat het niet aan ons was de grenzen van de roman vast te stellen, maar dat we het eens moesten worden over de vraag wat wij verstonden onder een goede roman.’

Misschien moet het allemaal iets radicaler. Waarom zou je het etiket ‘roman’ nog hand­haven, als het in de loop van de geschiedenis op zoveel uiteenlopende objecten is geplakt en het nu meer verwarring schept dan opheldert?

Kennelijk zijn intelligente lezers prima in staat om te begrijpen wat voor soort werk ze lezen. Ook zonder ingrediëntenlijstje proeven we wel wat er ongeveer in zit, en onderscheiden we een thematische verhalenbundel van een fictieve biografie of een lange, complexe vertelling.

Mij persoonlijk heeft het woord ‘roman’ altijd tegengestaan, door de associatie met romantiek (zonder hoofdletter, dus bij kaarslicht), met doktersromannetjes enzovoort. Een terechte associatie overigens, want de ‘romance’ is in de Middeleeuwen een oud liefdesgedicht in de (romaanse) volkstaal.

‘Ik schrijf geen romans’, stelt Jeanette Winterson in haar essayboek Kunstobjecten. ‘De romanvorm heeft zijn beste tijd gehad. Dat betekent niet dat we geen negentiende-eeuwse romans meer moeten lezen; die moeten we juist verslinden. Maar we moeten ze niet meer schrijven.’

Ze heeft gelijk. Laten we titelpagina’s ­voortaan gebruiken waarvoor ze bedoeld zijn, voor een titel, en niets dan een titel. De roman is dood. Leve het boek.