Sublieme landschappen uit de Nederlandse romantiek. Frans Hals Museum/De Hallen, Haarlem, t/m 30 augustus.

Romantiek en landschap

Medium thumb6lieste waterval koekkoekhaus website fhm

Het Frans Hals Museum/De Hallen in Haarlem bindt in Groots en meeslepend nog maar eens de strijd aan met de vraag wat romantische schilderkunst in Nederland is. Dat is in 2005 al eens heel grondig gedaan, door het Rijksmuseum in de Kunsthal, waar grootheden als Nuyen, Ekels, Hilverdink, Tavenraat, Van Deventer, Troostwijk en Koekkoek werden getoond. De conclusie, toen: ja, Nederland heeft een echte romantische school gehad, maar die steekt bleek af bij Turner, Friedrich en Delacroix, en het blijft lastig een goed idee te geven van wat ‘Romantiek’ in Nederland precies betekende – voor de kunstenaar, voor de beschouwer, voor de cultuur in het algemeen. Lastig blijft het. Volgens Marita Mathijsen bestaat er in de literatuurwetenschap zelfs geen algemeen aanvaarde omschrijving van. Haar kernbegrippen zijn ‘gevoeligheid, verbeelding en vrijheidsdrang’. Daar kom je een heel eind mee, al blijft het schipperen.
In Haarlem weten ze er, met alle respect, niets van belang aan toe te voegen. Dat geeft niet. Het overzicht is heel goed, en het is een plezier om te merken dat ooit veronachtzaamde schilderijen beter en beter worden naarmate je ze vaker ziet. De grote Schipbreuk op een rotsachtige kust van Wijnand Nuyen (1813-1839) is een doek met verbazende variatie en verbazend veel diepgang. Het gespartel van de arme schipbreukelingen op het strand, tussen het wrakhout en de lijken, lijkt onbelangrijk tegenover het geweld op zee, maar Nuyens gevoel voor mise-en-scène is veel groter dan alleen maar die makkelijk herkenbare dramatische tegenstelling. In die stormlucht vindt hij veel meer fenomenen; achter de kliffen werpt de zee zo’n damp op dat het zonlicht erin verdwaalt en de mist zich lijkt te mengen met de rotsen. Bij Nuyen is de storm zelf een deel van iets machtigers. Hij is geen Turner, hier, nog niet – Nuyen kon het ook niet helpen dat hij op zijn 26ste al dood was. Een vergelijkbare belofte zit in een stuk van Willem van Deventer (1824-1893), Schipbreuk bij de kust van Etretat, gemaakt op precies de plek waar Monet c.s. later hun ontdekkingen zouden doen.
De tentoonstelling laat zien, misschien wel zonder het te willen, dat de heffe van die Nederlandse romantische schilders eigenlijk helemaal niet zo anders in het leven stond dan hun zeventiende-eeuwse voorgangers. Ze gingen op reis en ze waren geweldig onder de indruk van de Drachenfels, maar ik geloof niet dat ze zich wezenlijk anders voelden dan Breughel of Goltzius, toen die daar langskwamen. Dat bewijzen de schetsboeken, die worden getoond: daarin wordt vakkundig materiaal verzameld en geordend, zonder veel omslag of emotie. Die worden later pas toegevoegd, in de kalmte van het atelier, op zoek naar het beste artistieke resultaat. De gewaarwording dat negentiende-eeuwse schilders in die zin niet anders werkten dan hun voorgangers is een interessant punt, lijkt mij. De keuze voor stormachtige onderwerpen betekent niet, per se, dat zij ook zelf zo’n levensopvatting hadden, al was die nog zo modieus. Byron, Turner, Hölderlin, Friedrich: dat waren toen extreme excentriekelingen. De Nederlandse romantici waren (in doorsnee) een stuk naïever, misschien. Zij presenteerden de gevoelswereld waar zij naar verlangden – niet die waarin zij leefden en werkten. Zoals Ruisdael, uitziend over Haarlem, gedachten zal hebben gehad over God, en het uitspansel, en het licht. En toen gewoon thuis een stukkie is gaan maken, met bomen, en wasgoed op de bleek.


Groots en meeslepend. Sublieme landschappen uit de Nederlandse romantiek. Frans Hals Museum/De Hallen, Haarlem, t/m 30 augustus. Gelijknamige catalogus door Antoon Erftemeijer, € 14,50