Romantiek en revolutie

OP 4 JULI 1848 overleed, op bijna tachtigjarige leeftijd, François-René de Chateaubriand. Hij was de grootste Franse schrijver van zijn generatie. Als jonge en hartstochtelijke bewonderaar van Rousseau had hij aanvankelijk enthousiast gereageerd op de Franse Revolutie. Zijn adellijke afkomst vormde echter een groot risico - zijn broer en diverse vrienden zouden de Terreur niet overleven - en in 1793 week hij uit naar Engeland. Een reis naar de Verenigde Staten leverde hem stof op voor een epos over de Natchez-Indianen, en de novellen Atala en René. Deze laatste twee werkjes maakten Chateaubriand, die in 1800 was teruggekeerd naar het Frankrijk van Napoleon, op slag beroemd. In Atala (1801) werd de cultus van de ‘nobele wilde’ nieuw leven ingeblazen en met René (1805) verwoordde Chateaubriand de Weltschmerz van vele jongeren die als gevolg van Verlichting en revolutie geen enkel houvast meer hadden en ten prooi waren gevallen aan een mateloze verveling. Zijn echte meesterwerk verscheen echter postuum: de zeer omvangrijke Mémoires d'outre-tombe.

Naast gevierd auteur was Chateaubriand ook nog een belangrijk politicus geweest, een invloedrijke ideoloog van het conservatisme en, niet in de laatste plaats, een exemplarische levenskunstenaar en minnaar. Voor wie vooral in de politicus en ideoloog geïnteresseerd is, verscheen er dit jaar de zeer gedegen en uiterst leesbare biografie van Jean-Paul Clément. Liefhebbers van literatuur en van cultuurhistorisch verantwoorde roddel kunnen hun hart ophalen aan het prachtige boek van Ghislain de Diesbach, waarvan deze zomer een paperbackeditie verscheen.
DE UITVAART VAN Chateaubriand vond op 8 juli plaats in Parijs. Het was een schamele gebeurtenis, naar de mening van Victor Hugo ‘net te pompeus om eenvoudig te zijn, en net te burgerlijk om groots te zijn’. Hoe was het mogelijk dat Frankrijk bijkans achteloos afscheid nam van de grote meester? Het antwoord is eenvoudig: het hoofd van de Parijzenaars stond er niet naar, men was nog niet bekomen van de revolutie.
In februari van dat jaar was de uit het huis van Orléans afkomstige koning Louis-Philippe ten val gekomen. Deze 'burger-koning’ was op de troon gekomen door de juli-revolutie van 1830, die een eind had gemaakt aan de heerschappij van de, na de val van Napoleon weer aan de macht gekomen, dynastie van de Bourbons. Als constitutioneel monarch had Louis-Philippe zich fatsoenlijk gedragen en Frankrijk was onder zijn bewind een betrekkelijk vrij en vreedzaam land geweest. Zijn conservatief-liberale premier Guizot wilde echter van geen enkele politieke en maatschappelijke hervorming weten, zodat de oppositie in omvang en heftigheid toenam. Nadat op 22 februari 1848 een protestbijeenkomst in Parijs verboden werd gingen de keien uit de straat en werden barricaden opgericht. De onder de wapenen geroepen Nationale Garde besloot de dag erna niet op te treden tegen de demonstranten en eiste in plaats daarvan uitbreiding van het kiesrecht. Guizot trad af, een dag later gevolgd door de koning. Een voorlopige regering riep, bij monde van de succesvolle dichter annex politicus Alphonse de Lamartine, de voorlopige republiek uit, die door het Franse volk goedgekeurd zou moeten worden.
De verkiezingen die twee maanden later werden gehouden betekenden inderdaad een overwinning voor de republikeinen, maar daarmee waren de problemen nog niet de wereld uit. De revolutionairen van februari waren immers allesbehalve eensgezind. Tal van gematigd progressieve heren uit de burgerij waren met het einde van de monarchie al heel tevreden geweest, maar de revolutie was er vooral een van het gewone volk, en dat verwachtte wel iets meer. Aangespoord door de propaganda van radicale socialisten als Louis Blanc, Auguste Blanqui en Pierre-Joseph Proudhon hoopte het proletariaat van Parijs dat er iets zou gebeuren aan de mensonterende omstandigheden waarin zij moest zien te overleven. De verkiezingen in april brachten echter de gematigde republikeinen aan de macht en de teleurstelling over het achterwege blijven van een daadwerkelijke sociale politiek leidde eind juni tot een tweede revolutie, die met harde hand werd onderdrukt en aan zo'n vijfduizend opstandelingen het leven kostte.
OP 6 JULI waren de slachtoffers van de bloedige repressie begraven, zodat het niet verwonderlijk was dat het Parijse publiek weinig aandacht had voor de uitvaart van de oude Chateaubriand. Deze had op zijn beurt - vanaf zijn sterfbed - weinig belangstelling kunnen opbrengen voor de revolutionaire ontwikkelingen. Volgens Victor Hugo waren de enige woorden die hij aan de zoveelste revolutie en de nieuwe republiek vuil maakte: 'Worden jullie daar gelukkiger van?’ Op het eerste gezicht had de ultra-conservatief, de oud-minister en diplomaat van Lodewijk XVIII en Karel X, de schrijver van Génie du Christianisme, absoluut niets van doen met de operette-achtige reprise van '1789’. Maar Chateaubriand was wel een van de aartsvaders van de Romantiek in Frankrijk, en '1848’ was een bij uitstek romantische revolutie, waarvan veel deelnemers inderdaad verwachtten dat ze het geluk dichterbij zou brengen.
De Romantiek mag dan een uiterst gecompliceerd verschijnsel zijn geweest, wat alle romantici gemeenschappelijk hadden was het verlangen naar eenheid en harmonie. In de moderne, burgerlijke samenleving, waarin losgelagen individuen elkaar vertrapten in de tomeloze jacht naar materieel gewin, waren eenheid en harmonie ver te zoeken. Het individualisme en rationalisme van de Verlichting hadden de mensen niet alleen bevrijd van de knellende kluisters van religieus dogmatisme, ook hadden ze de mensen hun zekerheden ontnomen. Iedereen kon nu voor zichzelf uitmaken wat de waarheid was of hoe de wereld er moest uitzien.
Of de romantici de remedie tegen onzekerheid nu zochten in de levenswijze van de 'nobele wilde’, in de veilige schoot van de heilige moederkerk, in het herstel van de standenmaatschappij van het ancien régime, in een op een mythologisch maar glorieus verleden gebaseerd nationalisme, of in de utopie van een volmaakte en rechtvaardige samenleving - wat hen verbond was de weerzin tegen het platte materialisme en egoïsme, en het verlangen naar zekerheid en harmonie.
Chateaubriand koos op een gegeven moment voor de rooms-katholieke kerk, omdat deze hem meer emotionele zekerheid kon bieden dan andere religies of filosofieën. Net als bij veel twintigste-eeuwse intellectuelen was zijn geloof dus geen geloof van 'genade’, van een spontane 'openbaring’ van God, maar een rationele keuze.
Terwijl sommige romantici het ideaal van een harmonieuze samenleving op het verleden projecteerden, zagen anderen het als iets dat pas in de toekomst gerealiseerd kon worden. Ook over de inhoud van dat ideaal verschilden de meningen. In Duitsland en Italië, waar geen sprake was van staatkundige eenheid, vertaalde dit romantische verlangen zich vooral in een heftig en opstandig nationalisme. In de eenheidsstaat Frankrijk speelde het nationalisme, na de ondergang van het kortstondige Napoleontische rijk, ook zeker een rol, maar was het vooral het socialisme dat veel hoofden op hol bracht. De aanhangers van Saint-Simon, Fourier, Proudhon, Blanc en Blanqui en een hele reeks minder bekende theoretici, mochten elkaar dan het leven zuur maken, wat hen verbond was de droom van een rechtvaardige, harmonieuze samenleving waarin een einde was gemaakt aan de gruwelijke uitbuiting van het volk. Hoe wijd verbreid denkbeelden over een meer sociale politiek waren, blijkt uit het feit dat zelfs Louis Bonaparte, de neef van Napoléon die eind 1848 tot president zou worden gekozen, begin jaren veertig een tractaat publiceerde getiteld Extinction du paupérisme.
De februari-revolutie van 1848 is dikwijls versleten voor een imitatie van '1789’, een fantasieloze klucht waarmee de geschiedenis, naar de woorden van Marx, de eerdere tragedie herhaalde. Helemaal ten onrechte is dit niet. Wie de recente Lamartine-biografie van Gérard Unger leest, ziet dat de meest vooraanstaande romantische dichter, na zijn bekering van het conservatisme tot het liberalisme, voortdurend trachtte de revolutionaire draad weer op te pakken daar waar de Fransen hem vijftig jaar eerder uit hun handen hadden laten vallen. Zijn in 1847 verschenen, zesdelige Histoire des Girondins bleek niet alleen een geschiedwerk maar tevens een handleiding voor de nieuwe revolutie. De zich met de gematigde Girondijnen identificerende Lamartine wist inderdaad enkele fouten van de grote revolutie te voorkomen. Als minister van Buitenlandse Zaken wist hij de buurlanden, die met angst en beven de plunderende en brandschattende Franse horden alweer voor zich zagen, gerust te stellen. Ook voorkwam hij met zijn gezag revolutionaire excessen.
Dat de revolutie in juni desalniettemin eindigde in een bloedbad kan slechts zeer ten dele aan Lamartine en andere gematigde republikeinen worden verweten. Hooguit kan men zeggen dat ze zich onvoldoende hebben gerealiseerd hoe explosief de situatie was. De wanhoop en opstandigheid van de laagste klassen vormden samen met de angst en het egoïsme van de bourgeoisie een uiterst brandbaar mengsel.
HET VOLK DAT in februari in beweging was gekomen leek nauwelijks meer te stoppen. Lamartine had weliswaar weten te voorkomen dat de kersverse republiek de uit de vorige revolutie stammende tricolore verving door de rode vlag, maar dat was slechts een schijnoverwinning. In het meest indrukwekkende en tegelijkertijd meest onthutsende boek over de revolutie van 1848, L'Education sentimentale (1869, in het Nederlands vertaald als De leerschool der liefde), schrijft Flaubert over de door Lamartine zo eloquent verdedigde rood-wit-blauwe vlag, dat 'elke partij van de drie kleuren enkel haar eigen kleur zag, en zich heilig voornam om, zodra zij de sterkste zouden zijn, de twee andere banen er af te scheuren’.
De rode baan van het socialisme werd reeds in juni op hardhandige wijze verwijderd. Het blauw van het liberalisme zou het niet veel langer uithouden. De verkiezing van Louis Bonaparte tot president, eind 1848, was reeds een veeg teken. De staatsgreep van drie jaar later, waarmee Napoléon III zijn dictatuur vestigde, liet niets aan duidelijkheid te wensen over. Aan de ontwrichting door de revolutie leek een einde gekomen, de 'eenheid’ was hersteld, Frankrijk was weer een onverdeelde natie. Velen die in februari '48 de revolutie geestdriftig hadden begroet, schaarden zich nu achter de nieuwe Empereur. Hij leek de beste garantie te bieden tegen chaos en anarchie, tegen de afgunst van het plebs. Het gekoketteer met vrijheid en democratie kostte de burgerij bijna haar machtspositie en privileges.
Het lijkt het klassieke, treurige verhaal van het aloude verraad der opportunisten. En dat is het natuurlijk ook, maar toch was er meer aan de hand. De kloof tussen radicale socialisten en fanatieke conservatieven was ook toen lang niet zo groot als we, afgaande op de propaganda van beide kampen, geneigd zijn te geloven. Degene die dat vermoedelijk als eerste ontdekte was Gustave Flaubert. Om de hoofdpersoon van L'Education sentimentale - de volstrekt ruggegraatloze Frédéric Moreau - zwermt een hele reeks figuren die model staan voor verschillende stromingen binnen de samenleving. Naast burgerlijke patjepeeërs, warhoofdige kunstenaars, brave republikeinen en onbaatzuchtige arbeiders treffen we ook de rancuneuze en opportunistische Deslauriers en de meedogenloze fanaticus Sénécal aan. Terwijl je het verraad van Deslauriers, die aanvankelijk in de revolutie een mogelijkheid zag om hogerop te komen, al ruim van tevoren ziet aankomen, is Sénécals overgang van het radicale socialisme naar de bonapartistische politiek verbazingwekkend. Ook dat lijkt plat opportunisme, maar bij een pijnlijk zorgvuldige schrijver als Flaubert zit er meer achter.
Tijdens de research voor dit boek had Flaubert een belangrijke ontdekking gedaan. Uitgebreide studie van socialistische literatuur had hem tot de conclusie gebracht dat er overeenkomsten waren tussen de socialistische theoretici en allerlei reactionaire denkers. Een van die raakpunten was, zoals hij in een brief uit 1864 schrijft, 'de haat tegen de vrijheid, de haat tegen de Franse Revolutie en tegen de filosofie. Het zijn allemaal mannetjes uit de middeleeuwen, denkers die tot hun nek in het verleden zitten.’ In 1868 schreef hij aan George Sand: 'Het neokatholicisme enerzijds en het socialisme anderzijds hebben Frankrijk afgestompt. Alles gaat te gronde tussen de Onbevlekte Ontvangenis en de etensbak van de arbeider.’ Beide stromingen kwamen voort uit de Romantiek en waren op zoek naar zekerheden.
Omdat het socialisme een geseculariseerde religie was, moest het wel verkeerd aflopen. In zijn roman schrijft Flaubert: ’…als je op de plaats van de God der Dominicanen, die een beul was, de God zet van de romantici, die een stoffeerder is, kortom, als je van het Absolute geen ruimer begrip hebt dan je voorouders, zal de monarchie door je republikeinse vormen heenbreken en zal je rode muts altijd weer een papenkap worden!’
In zijn prachtige boek Autoriteit en vrijheid (1966) duidt de cultuurhistoricus J.W. Oerlemans dit gemeenschappelijke kenmerk van linkse en rechtse romantici aan met het begrip 'collectivistisch illusionisme’. Het burgerlijk individualisme leverde slechts onzekerheid en verwarring op, veroorzaakte verwijdering tussen de mensen, bracht chaos en strijd. De kerk, de staat, het vaderland, de socialistische samenleving - het waren allemaal remedies tegen de kwaal van het individualisme.
De in de revolutie van 1789 zo bejubelde 'vrijheid’ was in deze optiek slechts hinderlijk. Vóór de revolutie van 1848 liet Flaubert Sénécal de vrijheid van de kunstenaar om autonome kunstwerken te maken, bestrijden. Kunst diende slechts ter lering van het volk, niet tot vermaak van de burgerij. Na de revolutie gaf de overtuigde revolutionair het volk de schuld van het falen van de revolutie.
Extreem-links en extreem-rechts - beide erfgenamen van de Romantiek, die ten tijde van Chateaubriand nog zo onschuldig leek maar die zich na 1848 van haar meest duistere kant heeft laten zien - zullen het in hun streven naar eenheid nooit eens worden. Wel is duidelijk wie het slachtoffer worden van de ongeremde hang naar eenheid, harmonie en zekerheid: dat zijn de individualisten, die graag zelf hun lot willen bepalen, en dat is het 'gewone volk’, dat rust en welvaart wil.